Perú & Ecuador Flashcards Preview

De Viaje > Perú & Ecuador > Flashcards

Flashcards in Perú & Ecuador Deck (73):
0

Ik ga keihard werken

Me voy a sacar la mierda

1

Ik wil het terug hebben

Lo quiero de vuelta

2

Dat was het beste dat me ooit overkwam

Fue lo mejor que jamás me pasó.

3

Onderweg zijn

Estar de/en camino

4

Riskant

Arriesgado

5

Ondeugend

Travieso

6

Terugbellen

Devolver la llamada

7

Jargon

Jerga

8

Instelling, houding

Actitud

9

Zonder omwegen

Sin rodeos, sin vueltas

10

Blozen

Sonrojarse, enrojecer, ruborizarse, ponerse colorado/rojo

11

Aanpassen aan, afstemmen op

Adecuar (a)

12

Bevoorraden

Abastecer(se)

13

Bevoorrading / overvloed

Abasto

14

Adequaat

Adecuado, apropiado

15

Afraden

Desaconsejar

16

Loods, magazijn

El almacén

17

Hermelijn

Armiño

18

Vangen, pakken / oplopen

Atrapar

19

Achter(aan)

Atrás

20

Gemeentehuis

Ayuntamiento, alcaldía

21

Vleselijke gemeenschap

Ayuntamiento carnal

22

(Zich) baseren op

Basar(se) en, fundar (en)

23

Bedreigen

Amenazar

24

(Onder) bedreiging (van)

(Bajo) amenaza (de)

25

Toosten / (aan)bieden

Brindar

26

Zigeuner / zigeuners

Calé

27

Buis

Tubo, caño

28

Nagaan, verifiëren / constateren, vaststellen

Comprobar

29

Wieg / bakermat / afkomst

Cuna

30

Stranden, vastlopen

Encallarse

31

Verwekken, uitlokken, veroorzaken

Engendrar

32

Stempel

Estampa, estampilla

33

Faalangst

Miedo al fracaso

34

Betrouwbaar

Fiable

35

Fluisteren

Susurrar, bisbisear, murmurar, decir en voz baja

36

Graat / doorn / splinter / stekel / voorgevoel

Espina

37

Hamer

Martillo

38

(Zz) offeren

Inmolarse

39

Aangeboren

Innato

40

Instorten

Derrumbarse, hundirse

41

Stillen / lessen

Aplacar, calmar

42

Kalmeren, bedaren

Aplacarse

43

Bevelen, gebieden

Mandar

44

Marketing

Mercadotecnia

45

Verminderen, slinken, afnemen

Menguar

46

Ondertussen, inmiddels

Mientras tanto

47

Terwijl

Mientras + Ind.

48

Zolang als

Mientras + subj.

49

Bestijgen, berijden / zetten op / in elkaar zetten

Montarse

50

Negeren

Ignorar, desatender, no hacer caso a/de

51

Onmiddellijk

En seguida, inmediatamente

52

Ontvoeren

Secuestrar, raptar

53

Beogen, willen / beweren

Pretender

54

Hoer

Ramera

55

Relaas, verslag, verhaal

Relato

56

Smeken

Suplicar, rogar

57

Verzoeken, bidden, (smeken)

Rogar

58

Scheel

Bizco, estrábico

59

Sluis (Eng: lock / sluice)

Esclusa

60

Loslaten, los maken, vrijmaken

Soltar(se)

61

(Door) verloting

(Por) sorteo

62

Tegen het lijf lopen, botsen met

Tropezar con, topar con

63

Elkaar toevallig tegen het lijf lopen

Tropezarse

64

Omver rijden

Atropellar

65

Waardevol, kostbaar

Valioso

66

Bewaken, toezicht houden op, (oogje in 't zeil houden)

Vigilar (las cosas)

67

Voedselvergiftiging

Intoxicación alimenticia / alimentaria

68

(In) voorraad

(En) stock, (en) existencia, en almacén

69

Zweep

Látigo

70

Zigeuner

Gitano

71

Vluchtheuvel

Isleta, refugio

72

Plattrappen, pletten

Aplastar