Week 3 H. 5 + 10 Flashcards Preview

Sociologie > Week 3 H. 5 + 10 > Flashcards

Flashcards in Week 3 H. 5 + 10 Deck (16):
1

Wat is een groepering?

Een verzamelnaam voor alle groepen die wij kennen. Een verzameling mensen die te onderscheiden is. Bijv. het winkelend publiek. Met zijn allen vorm je geen groep.

2

3 typen groeperingen (Merton)

1. Groep (bijv. een familie, klas team collega's en een voetbalteam);
2. Collectiviteit (bijv. leden van een kerk of NL'se publiek tijdens voetbalwedstrijd doelgroep);
3. Sociale categorie (bijv. alle vrouwen in NL, alle mensen die in 1995 zijn geboren).

NB: schema in schrift!

3

Noem de kenmerken van een groepering. (6)

1. Onderscheid 'wij vs zij' eigen mensen altijd beste, fundamentele attributiefout;
2. Open en gesloten groepering;
3. Taken of contacten, nadruk op taak of contact?;
4. Intimiteit, groep intiem of zakelijk?;
5. Formeel of informeel;
6. Duurzaam of tijdelijk, duurzaam voetbalelftal, tijdelijk mensen in dezelfde winkel.

4

Bezoekers van een café? Groep, sociale categorie of collectiviteit?

Collectiviteit, gemeenschappelijk element = zuipen

5

Wat is het verschil tussen status en aanzien?

Posities leveren status op – waardering die aan bepaalde positie gerelateerd is.

Status zegt niets over persoon zelf (enkel over positie) – waardering voor persoon in bepaalde positie = aanzien


6

Wat wordt onder rol verstaan?

Een bij de positie behorende verwachting (normen) van het gedrag dat de 'positie bekleder' hoort te tonen.

7

Wat is een netwerk?

Geheel van relaties tussen posities.

8

Hoe kan iemand tegelijkertijd zowel status als aanzien genieten?

Zowel status: de waardering die aan de positie wordt gegeven, als aanzien: waardering van de persoon. Bijvoorbeeld de koning: hij heeft een hoge status en als hij zijn taak goed vervult, dan heeft hij ook aanzien.

9

Sociale structuur?

De manier waarop een samenleving is opgebouwd. De relaties tussen posities en groeperingen in de samenleving. Het betrekkelijk vaste en duurzame patroon in het sociaal handelen.

10

De samenhang in onze samenleving - functionalisme? Vroeger en nu?

Vroeger – contact met iedereen waarvan je afhankelijk was in de samenleving (vaak kleine groepen).
Nu – groeiende interdependentie. We zijn van steeds meer mensen afhankelijk (en hebben geen enkele relatie met de mensen die voor onze levensbehoeften zorgen!!)

11

Wat is nodig om te kunnen samenleven? Noem de 4 bindingen en leg uit.

Economische binding
- Productie en distributie van schaarse goederen (arbeidsdeling)

- Affectieve binding
Positieve / negatieve gevoelens (voortplanting / zorg)

- Cognitieve binding
Weten / denken (scholing / kennis)

- Politieke binding
Sturen en regelen samenleving (staat heeft geweldsmonopolie)

12

Wat is het uitgangspunt van functionalisme?

Dat de samenleving één geheel is.

13

Wat is macht?

Het vermogen om vorm te geven aan de toekomst.

- Het vermogen om doelstellingen te formuleren

- Beschikken over middelen om deze te realiseren

- Het vermogen om deze middelen zodanig te organiseren dat anderen erdoor worden beïnvloed.

14

Noem de 2 kenmerken van emancipatie.

- Er is een sociale beweging die streeft naar verbetering van de maatschappelijke positie van de sociale categorie die door deze beweging wordt vertegenwoordigd

- De maatschappelijke uitgangssituatie van de desbetreffende categorie wordt als onrechtvaardig t.o.v. andere sociale categorieën ervaren.

15

Noem het proces van emancipatie (3 fasen).

1. bewustwording en afhankelijkheid;
2. identiteit en conflict;
3. Mars door de institutie (hervormingsbeweging).

16

Wat is emancipatieparadox?

om mensen te emanciperen moet hun eerst de wil worden opgelegd van een ander (oftewel: de wil van de voorhoede moet worden opgelegd om iets aan de situatie van de minoriteit te kunnen doen).