woordjes R Flashcards Preview

Frans Woordschat Selor > woordjes R > Flashcards

Flashcards in woordjes R Deck (503):
1

R.E.R., le
(Réseau express régional) de regionale

metro (rond Parijs)

2

rabais, le

de korting (op een aankoop)

3

raccourci, le

de binnenweg (kortere weg)

4

raccourcir

(een rok) verkorten

5

raccrocher

(de hoorn van de telefoon) ophangen

6

race, la

het ras

7

racine, la

de wortel (van een plant)

8

racler

(een vlek) afkrabben (van een oppervlak)

9

racloir, le

de schrapper, de krabber

10

raconter; raconté

vertellen, verteld

11

radiation, la

de straling (natuurkunde)

12

radical, le

de stam (van een woord)

13

radical; radicale; radicaux

radicaal

14

radieux; radieuse; radieux

stralend, schitterend

15

radio, la

de radio

16

radio, la

de radiografie, de röntgenfoto

17

radiodiffusion, la

de radio-omroep

18

rafale, la

de rukwind

19

raffiné

geraffineerd (zijn)

20

raffoler

verzot zijn (op gebak)

21

rafraîchir

(een drank) koelen

22

rafraîchissant

(een) verfrissend (bad)

23

rage, la

de razernij

24

railler

de draak steken (met iemand)

25

raisin, le

de druif

26

raison, la

de reden

27

raisonnable; raisonnable

redelijk (blijven)

28

raisonnement, le

de redenering

29

raisonner

redeneren

30

rajeunir

verjongen (dat kapsel verjongt)

31

ralentir; ralenti

(aan een kruispunt) vertragen, vertraagd

32

ralentissement, le

de vertraging (van de auto)

33

rallye, le

de rally

34

ramasser

(de gevallen papieren) oprapen

35

rame, la

de roeispaan

36

ramener

(iemand) terugbrengen

37

ramer

roeien

38

rampe, la

de leuning (van een trap)

39

ramper

kruipen

40

rançon, la

het losgeld

41

rancune, la

de wrok

42

rancunier; rancunière

(een) haatdragend (man)

43

randonnée, la

de trektocht (door de bergen)

44

rang, le

de rang

45

rangée, la

de rij (huizen)

46

ranger; rangé

(de dossiers) ordenen, geordend

47

rapace, le

de roofvogel

48

râper; râpé

raspen, geraspt

49

rapide; rapide

(een) snel (paard)

50

rapidement

vlug, snel

51

rapidité, la

de snelheid

52

rapiécer

(kleding) verstellen

53

rapport, le

het verslag (van de politie)

54

rapporter

(geld) opbrengen

55

rapporter; rapporté terugbrengen, teruggebracht

(de gevonden voorwerpen)

56

rapprochement, le

de toenadering

57

rapprocher

bijeenbrengen, bijeenplaatsen, dichterbij brengen

58

rapprocher

groter maken

59

rapt, le

de ontvoering

60

rare; rare

(een) zeldzaam (product)

61

rarement

zelden

62

raser; rasé

scheren langs (de muur), gescheerd

63

rasoir, le

het scheerapparaat

64

rassemblement, le

de bijeenkomst (van personen)

65

rassembler

weer) verzamelen, bijeenbrengen

66

rassis

oudbakken (brood)

67

rassurant

(een) geruststellend (gebaar)

68

rassurer; rassuré

(iemand) geruststellen, gerustgesteld

69

rat, le

de rat

70

râteau, le

de hark

71

rater; raté

(de trein) missen, gemist

72

ration, la

het rantsoen

73

rationalité, la

de rationaliteit

74

rationnel; rationnelle

rationeel (zijn)

75

ratisser

harken (in de tuin)

76

rattacher

(zijn veters) terug vastmaken

77

rattraper

(iemand) inhalen

78

raturer

(woorden) schrappen

79

ravager

teisteren (zware stormen teisteren het land)

80

ravi

dolblij, verrukt, opgetogen

81

ravir

verrukken

82

ravissant

(een) schitterend (halssnoer)

83

ravisseur, le

de ontvoerder

84

rayer

strepen zetten (op een blad papier)

85

rayon, le

de straal (van de zon)

86

rayonnant

stralend, schitterend

87

rayonnement, le

de uitstraling (invloed)

88

rayure, la

de kras (in de tafel)

89

réaction, la

de reactie

90

réagir; réagi

reageren, gereageerd

91

réalisateur, le; la réalisatrice

de regisseur, de cineast

92

réalisation, la

de verwezenlijking

93

réaliser

realiseren

94

réalité, la

de werkelijkheid

95

réanimateur, le; la réanimatrice

de reanimatiedokter

96

rebondi

bol, rond, dik

97

rebrodent

naborduren, borduren op

98

récalcitrant

(een) opstandig (kind)

99

récemment

(dat is) recentelijk (gebeurd)

100

récent

(een) recent (feit)

101

récepteur, le

de hoorn (van het telefoontoestel)

102

réceptif; réceptive

ontvankelijk (zijn voor indrukken)

103

réception, la

de balie (toonbank)

104

réception, la

de receptie

105

recette, la

het recept

106

receveur, le

de ontvanger (van de belastingen)

107

recevoir; reçu

(een geschenk) krijgen, gekregen

108

recevoir

(bezoek) ontvangen

109

réchauffer

(een gerecht weer) opwarmen

110

rêche; rêche

schraal (een schrale huid)

111

recherche, la

het onderzoek (wetenschappelijk
onderzoek)

112

recherché

(een) gezocht (exemplaar)

113

rechercher

(de dief) opsporen

114

récif, le

het rif (koraalrif)

115

récipient, le

het recipiënt

116

réciproque; réciproque

wederkerig (een wederkerige liefde)

117

récit, le

het verhaal (relaas)

118

récital, le; les récitals

het recital (soloconcert)

119

réciter

(een gedicht) opzeggen (voor iemand)

120

réclamation, la

de klacht (over een product)

121

récolte, la

de oogst

122

récolter

(graan) oogsten

123

recommandation, la

de aanbeveling

124

recommander

(een restaurant) aanbevelen

125

recommencer

herbeginnen

126

récompense, la

de beloning

127

récompenser

(iemand) belonen (voor een dienst)

128

réconciliation, la

de verzoening

129

réconcilier

verzoenen

130

reconduire

(iemand per auto) terugbrengen

131

réconforter

(iemand) sterken (bij verdriet)

132

reconnaissable; reconnaissable

herkenbaar (zijn)

133

reconnaissance, la

de dankbaarheid

134

reconnaissant

dankbaar, erkentelijk

135

reconnaître

(een kind) erkennen

136

reconnaître

herkennen

137

reconnu

erkend (zijn door de staat)

138

reconstituer

(de feiten) reconstrueren

139

reconstruction, la

de reconstructie

140

reconstruire

heropbouwen

141

record, le

het record

142

recours, le

de toevlucht

143

recouvrer

(belastingen) incasseren

144

recouvrir; recouvert

bedekken, overtrekken, bedekt

145

récréation, la

de speeltijd

146

recruter

rekruteren, aanwerven

147

rectangle, le

de rechthoek

148

rectangulaire; rectangulaire

(een) rechthoekig (voorwerp)

149

rectifier

(een misverstand) rechtzetten

150

reçu, le

het ontvangstbewijs

151

recueil, le

de bundel (gedichten)

152

recueillir

verzamelen

153

reculer

(een stap) achteruitgaan

154

récupérer

(iets geleends) terugkrijgen

155

récupérer

ophalen, gaan halen

156

récuser

(een getuige) wraken

157

récuser

verwerpen

158

recyclage, le

de omscholing (van arbeiders)

159

rédacteur, le

de redacteur

160

rédaction, la

de redactie

161

rédaction, la

het opstel

162

redemander

opnieuw vragen, terugvragen

163

redéployer

herstructureren

164

redescendre

weer naar beneden gaan

165

rédiger

(een tekst) opstellen

166

redoutable; redoutable

(een) geducht (man)

167

redouter; redouté

(iemand) vrezen, gevreesd, geducht

168

redresser

herstellen, redden

169

réduction, la

de korting (korting geven)

170

réduire

herleiden (tot)

171

réduit

verminderd (tegen verminderde prijs)

172

réel; réelle

(een) reëel (gevaar)

173

réélire

herkiezen

174

réfectoire, le

de refter (school)

175

référé, le

het kort geding (proces)

176

référence, la

de referentie

177

référendum, le

het referendum

178

référent, le

de zaak waarnaar verwezen wordt door een woord

179

réfléchir; réfléchi

nadenken, nagedacht

180

reflet, le

de weerkaatsing (van een beeld)

181

refléter

weerkaatsen

182

réflexion faite

bij nader inzien

183

réforme, la

de hervorming

184

réformer

(een instelling) hervormen

185

refrain, le

het refrein

186

réfrigérateur, le

de koelkast

187

refroidissement, le

de afkoeling (van temperatuur)

188

refuge, le

het toevluchtsoord

189

réfugié, le

de vluchteling (politieke vluchteling)

190

refus, le

de weigering

191

refuser; refusé

weigeren, geweigerd

192

réfuter

(een theorie) weerleggen

193

regagner

(naar zijn plaats) terugkeren

194

régal, le; les régals

het lievelingsgerecht

195

regard, le

de blik (manier van kijken)

196

regarder; regardé

kijken, gekeken

197

région, la

de streek (gebied)

198

régional; régionale; régionaux

(een) regionaal (akkoord)

199

registre, le

het register (rijksregister)

200

règle, la

de regel (norm)

201

règlement, le

het reglement

202

réglementer

reglementeren

203

régler

regelen

204

règne, le

het bewind (van Lodewijk XIV)

205

régner

regeren

206

régresser

achteruitgaan (de productie gaat achteruit)

207

regret, le

het spijt, het berouw

208

regrettable; regrettable

(een) betreurenswaardig (voorval)

209

regretter

spijt hebben (van)

210

régularité, la

de regelmatigheid

211

régulier; régulière

(een) regelmatig (ritme)

212

régulièrement

regelmatig (bezoeken)

213

rein, le

de nier

214

reine, la

de koningin

215

réinscrire

opnieuw inschrijven

216

rejet, le

het verwerpen (van een voorstel)

217

rejeton, le

de spruit, de zoon, de telg

218

rejoindre

zich voegen bij (een groep)

219

relater

verhalen

220

relatif à

(een discussie) betreffende (een bepaald onderwerp)

221

relation, la

de relatie

222

relativement

betrekkelijk (klein)

223

relativiser

relativeren

224

relevé de compte, le

het rekeningoverzicht

225

relèvement, le

de wederopbouw (van de economie)

226

relever

overeind zetten, weer doen opleven,
weer tot bloei brengen

227

religieux; religieuse; religieux

godsdienstig (zijn)

228

religion, la

de godsdienst

229

relire; relu

herlezen, herlezen

230

reluire

glimmen

231

remarquable; remarquable

(een) opmerkelijk (monument)

232

remarque, la

de opmerking

233

remarquer; remarqué

opmerken, opgemerkt

234

remboursement, le

de terugbetaling

235

rembourser

(een lening) terugbetalen

236

remerciement, le

de dank (bedankje)

237

remercier; remercié

(iemand) bedanken (voor een geschenk),bedankt

238

remettre

(een match) uitstellen
(iemand een brief) overhandigen
teruggeven
weer op zijn plaats zetten

239

réminiscence, la

de herinnering (vage herinnering)

240

remise, la

de kwijtschelding (van schulden)

241

remontant

opwekkend

242

remonter

weer naar boven gaan

243

remonter

(een wekker) opwinden

244

remords, le

de wroeging

245

remorque, la

de aanhangwagen

246

remorquer

(een auto) wegslepen

247

remoudre

opnieuw malen

248

rempart, le

de wal (rond de stad)

249

remplaçant, le

de vervanger

250

remplacement, le

de vervanging

251

remplacer; remplacé

(een onderdeel) vervangen, vervangen

252

rempli

vol, gevuld

253

remplir

(een glas) vullen
(een formulier) invullen

254

remporter

(de overwinning) behalen

255

remuant

(een) woelig (kind)

256

remuer

(in een saus) roeren

257

renaître

herboren worden

258

renard, le

de vos

259

rencontre, la

de ontmoeting

260

rencontrer; rencontré

(iemand) ontmoeten, ontmoet

261

rendement, le

het rendement

262

rendez-vous, le; les rendez-vous

de afspraak

263

rendre

(een boek aan iemand) teruggeven

264

rendre service

(iemand) een dienst bewijzen

265

renfermer

opsluiten

266

renforcer

versterken

267

renommée, la

de bekendheid (vermaardheid)

268

renoncer; renoncé

afzien (van een beslissing), afstand
doen (van), opgeven, opgegeven

269

renouveler

(een contract) vernieuwen

270

renseignement, le

de inlichting

271

renseigner

(iemand) inlichten (over iets)

272

rentabiliser

rendabel maken

273

rentable; rentable

(een) winstgevend (werk)

274

rente, la

de rente

275

rentrer; rentrant, rentré

terugkeren, terugkerend, teruggekeerd

276

renversement, le

de wending, de ommekeer, de
totale verandering

277

renverser; renversé

(een voetganger) omverrijden,
omvergereden

278

renverser

omgooien, omverwerpen

279

renvoi, le

het ontslag

280

renvoyer

(een werknemer) afdanken

281

réorganisation, la

de reorganisatie, de reorganisatie

282

répandre

(water) morsen (op het tapijt)

283

répandu

(een algemeen) verbreid (vooroordeel)

284

réparable; réparable

herstelbaar

285

réparation, la

de herstelling

286

réparer; réparé

(een apparaat) herstellen

287

repartir

weer vertrekken

288

répartir

(een som) verdelen

289

répartition, la

de verdeling

290

repas, le; les repas

de maaltijd

291

repasser

(de was) strijken

292

repeindre

herschilderen

293

repentir, le

het berouw

294

répercuter

afschuiven, afwentelen

295

repérer

vinden, opsporen, lokaliseren

296

répertoire, le

het register (adressen)

297

répéter; répété

herhalen, herhaald

298

répétition, la

de herhaling

299

replet; replète

dik, gezet

300

repli, le

het in zichzelf teruggetrokken zijn

301

replier; replié

opvouwen, opgevouwen

302

répondre; répondu

antwoorden, geantwoord

303

réponse, la

het antwoord

304

reportage, le

de reportage

305

repos, le

de rust

306

reposant

(een) rustgevend (verblijf)

307

repousser

(de vijand) terugdrijven

308

reprendre

hernemen, terugnemen

309

représentant, le

de vertegenwoordiger

310

représentatif

representatief (zijn)

311

représenter; représenté

voorstellen, uitbeelden, uitgebeeld

312

représenter; représenté

vertegenwoordigen, vertegenwoordigd

313

répression, la

de onderdrukking (van de criminaliteit)

314

reprise, la

de herneming (van het toneelstuk)

315

réprobation, la

de afkeuring (veroordeling)

316

reproche, le

het verwijt

317

reprocher

(iemand iets) verwijten

318

reproduction, la

de reproductie

319

reproduire

reproduceren

320

république, la

de republiek

321

répugner

een afkeer hebben (om iets te doen)

322

réputation, la

de reputatie

323

requérir

vorderen

324

requin, le

de haai

325

rescapé, le

de overlevende

326

réseau, le; les réseaux

het netwerk (van wegen)

327

réseau ferroviaire, le

het spoorwegnet

328

réservation, la

de reservering

329

réserve, la

de reserve

330

réservé

(deze stoel is) voorbehouden
(voor invaliden)
terughoudend, ingetogen

331

réserver

(een plaats) reserveren

332

réservoir, le

de tank (van de auto)

333

résidence, la

de verblijfplaats

334

résider

verblijf houden (in België)

335

résignation, la

de berusting

336

résistance, la

de weerstand (tegen erosie)

337

résistant

bestand (zijn tegen water)

338

résister

(aan een bekoring) weerstaan

339

résolu

vastbesloten (zijn)

340

résolution, la

de resolutie

341

résonance, la

de weerklank

342

résonner

weergalmen

343

résoudre

(een probleem) oplossen

344

respect, le

de eerbied

345

respecter; respecté

in acht nemen, naleven, nageleefd

346

respecter

(iemand) eerbiedigen

347

respectueux; respectueuse; respectueux

eerbiedig (zijn)

348

respiratoire, respiratoire

ademhalings-

349

respirer

ademen, inademen

350

responsabilité, la

de verantwoordelijkheid

351

responsable; responsable

verantwoordelijk (zijn)

352

responsable, le

de verantwoordelijke

353

ressemblance, la

de gelijkenis

354

ressembler

(op iemand) gelijken

355

ressenti, le

het voelen

356

ressentir

(een gevoel) ervaren, sterk beleven

357

ressort, le

de veer (spiraalveer)

358

ressources f, les

de bronnen van inkomsten

359

restaurant, le

het restaurant

360

restaurer; restauré

(een monument) restaureren,
gerestaureerd

361

reste, le

de rest

362

rester

overblijven (er blijft nog een half brood over)

363

rester; restant, resté

blijven, blijvend, gebleven

364

rester debout

rechtop blijven staan

365

restituer

(iets) teruggeven (dat onrechtmatig
ontnomen was)

366

resto, le

het restaurant

367

résultat, le

het resultaat

368

résumé, le

de samenvatting

369

résumer

samenvatten

370

rétablir; rétabli

herstellen, genezen, hersteld

371

retard, le

de vertraging (oponthoud)

372

retarder

(iemand een tijd) ophouden

373

retenir

onthouden (niet vergeten)

374

retentir

weerklinken

375

retirer

(zijn kandidatuur) intrekken

376

retirer

weghalen, afhalen

377

retour, le

de terugkeer

378

retourner; retourné

teruggaan, teruggegaan

379

retraité, le

de gepensioneerde

380

retraité

gepensioneerd

381

retrancher

(enkele passages) schrappen (in een tekst)

382

retransmission, la

de heruitzending (televisie)

383

rétrécir

krimpen (in de was)

384

rétribuer

(iemand) bezoldigen

385

retrousser

(de mouwen) opstropen

386

retrouver; retrouvé

terugvinden, teruggevonden

387

rétroviseur, le

de achteruitkijkspiegel

388

réunion, la

de vergadering

389

réunir

verenigen, bijeenbrengen, verzamelen

390

réussir; réussi

slagen (in zijn opzet), geslaagd

391

réussite, la

het slagen (in zijn opzet)

392

revaloir

vergelden

393

rêve, le

de droom

394

réveil, le

de wekker

395

réveille-matin, le; les réveille-matin

de wekker

396

révélateur; révélatrice

onthullend

397

révélation, la

de onthulling (van een geheim)

398

révéler; révélé

(een geheim) bekendmaken,
bekendgemaakt

399

revenant, le

de geest (een verhaal over geesten en spoken)

400

revendications salariales f, les

de looneisen

401

revendiquer

(een loonsverhoging) opeisen

402

revenir; revenu

terugkomen, teruggekomen

403

revenus m, les

de inkomsten (publieke inkomsten)

404

rêver; rêvé

dromen, gedroomd

405

réverbère, le

de lantaarn

406

rêverie, la

de mijmering

407

réviser

(een tekst) herzien

408

revivre

herleven

409

revoir

weerzien

410

révoltant

(een) wraakroepend (gedrag)

411

révolte, la

de opstand

412

révolution, la

de revolutie

413

révolutionnaire; révolutionnaire

revolutionair (zijn)

414

revue, la

het tijdschrift

415

rez-de-chaussée, le

het gelijkvloers

416

rhum, le

de rum

417

ricaner

grinniken

418

riche; riche

rijk (zijn)

419

riche, le

de rijke

420

richesse, la

de rijkdom

421

ridé

(een) gerimpeld (gezicht)

422

rideau, le; les rideaux

het gordijn

423

ridicule; ridicule

belachelijk (zijn)

424

rien (ne)

niets

425

rien à déclarer

niets aan te geven (bij de douane)

426

rigide; rigide

stijf (karton)

427

rigoler

pret hebben

428

rigoureux; rigoureuse; rigoureux

streng (een strenge winter)

429

rinceau, le

de rankenversiering

430

rire

lachen

431

rire aux éclats

schateren (hard lachen)

432

risque, le

het risico

433

risquer

(zijn leven) wagen

434

rite, le

de ritus

435

rivaliser

wedijveren

436

rive, la

de oever (van een aanzienlijke stroom)

437

rivière, la

de rivier

438

rixe, la

de knokpartij

439

riz, le

de rijst

440

robe, la

de jurk

441

robe de chambre, la

de kamerjas

442

robe nuptiale, la

het bruiloftskleed

443

robinet, le

de kraan (waterkraan)

444

robuste; robuste

(een) robuust (man)

445

rocher, le

de rots

446

rocheux; rocheuse; rocheux

(een) rotsachtig (landschap)

447

rôder

(verdacht ergens) rondhangen

448

rognure, la

de snipper (papier)

449

roi, le

de koning

450

rôle, le

de rol (in een toneelstuk)

451

roman, le

de roman

452

roman

(de) Romaanse (taal)

453

romancier, le

de romanschrijver

454

romantique; romantique

(een) romantisch (restaurant)

455

rompre

(elk contact) verbreken

456

rompre

breken

457

rond

(een) rond (voorwerp)

458

rond-point, le; les ronds-points

de rotonde

459

ronger

knagen (op een been)

460

ronger; rongé

aantasten, wegvreten, aangetast

461

rose, la

de roos (bloem)

462

roseau, le

het riet

463

rosée, la

de dauw

464

rossignol, le

de nachtegaal

465

rôti, le

het gebraad

466

rotin, le

de rotan

467

rôtir

braden

468

rottweiler, le

de rottweiler

469

roue, la

het wiel

470

roue de secours, la

het reservewiel

471

rouge; rouge

rood

472

rouge à lèvres, le

de lippenstift

473

rougir; rougi

rood worden, rood geworden

474

rouiller

roesten

475

rouleau, le

de rol (behangpapier)

476

rouler; roulé

rijden (deze wagen rijdt goed), gereden

477

rousseur, la

de rossigheid

478

route, la

de weg

479

routier; routière

(de) wegen(kaart)

480

routier, le

de vrachtwagenchauffeur

481

roux; rousse

ros (een rosse schijn)

482

royal; royale; royaux

(het) koninklijk (paleis)

483

royaume, le

het koninkrijk

484

ruban, le

het lint

485

ruban adhésif, le

het kleefband

486

rubikscube, le

de Rubik's Cube

487

rubis, le

de robijn

488

rude; rude

ruw (een ruwe kerel)

489

rue, la

de straat

490

ruelle, la

het steegje

491

rugir

brullen (de leeuw brult)

492

ruine, la

de ruïne

493

ruiné

geruïneerd (zijn)

494

ruiner

ruïneren

495

ruisseau, le; les ruisseaux

de beek

496

ruisseler

stromen (de regen stroomde neer)

497

rumeur, la

het gerucht (praatjes)

498

rupture, la

de breuk (in de vriendschap)

499

rural; rurale; ruraux

landelijk (een landelijke omgeving)

500

ruse, la

de list

501

rusé

listig (zijn)

502

russe; russe

Russisch

503

rythme, le

het ritme