1 Flashcards
(31 cards)
1
Q
Interdum
A
Soms
2
Q
Quod
A
Omdat
3
Q
Deinde
A
Daarna
4
Q
Scelus
A
Misdaad
5
Q
Statim
A
Dadelijk
6
Q
Ceteri
A
De overige
7
Q
Non iam
A
Niet meer
8
Q
Domi
A
Thuis
9
Q
Etiam
A
Ook zelfs
10
Q
Tum tunc
A
Op dat moment
11
Q
Cum
A
Toen wanneer
12
Q
Tacâre
A
Zwijgen
13
Q
Superbus
A
Trots prachtig
14
Q
Nonne?
A
Toch wel?
15
Q
Tandem
A
Uiteindelijk
16
Q
Si
A
Als
17
Q
Primus
A
De eerste
18
Q
Primum
A
Eerst voor het eerst
19
Q
Regia
A
Paleis
20
Q
Ridere
A
Uitlachen
21
Q
Iterum
A
Opnieuw
22
Q
Ideo
A
Daarom (bijwoord)
23
Q
Itaque
A
Daarom enzo (voegwoord)
24
Q
Num
A
Toch niet ? (Vraagparti)
25
Nonne?
Toch wel (vraagpart)
26
Reperire
Vinden, te weten komen
27
Superesse
Overblijven
28
Iucundus
Aangenaam
29
Dum
Terwijl (voegwoord)
30
Properare
Zich haasten
31
Iter
De reis