Thema 1 Flashcards

1
Q

In het systematische proces van wetenschappelijk onderzoek zijn vijf fasen te onderscheiden, die samen de … vormen?

A

empirische onderzoekscyclus

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
2
Q

Welke 5 fases van de empirische onderzoekscyclus zijn er?

A
  1. onderzoeksvraag formuleren
  2. studie ontwerpen
  3. data verzamelen
  4. data analyseren
  5. rapporteren
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
3
Q

Wat is fase 1 van de empirische onderzoekscyclus?

A

De onderzoeksvraag

Deze bepaalt namelijk het ontwerp van een studie.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
4
Q

Side note: . In de praktijk lopen de fasen dus enigszins door elkaar heen. Het is wel onherroepelijk dat dataverzameling nooit kan starten voordat de studie ontworpen is. Op dat moment staat dus ook de onderzoeksvraag onherroepelijk vast en moet duidelijk zijn hoe de data geanalyseerd gaan worden.

A
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
5
Q

Side note: Vanaf oudsher communiceren wetenschappers in de vorm van wetenschappelijke artikelen die via wetenschappelijk journals (tijdschriften) worden verspreid. Het eerste internationale wetenschappelijke tijdschrift verscheen op 6 maart 1665 onder leiding van Henry Oldenburg

A
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
6
Q

Het doorlopen van de empirische cyclus is een … proces?

A

Het iteratieve proces; is het bouwen, verfijnen en verbeteren van een project, product of initiatief.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
7
Q

Wat zijn dubieuze onderzoekspraktijken?

A

Onderzoekers verdoezelen zwakheden, publiceren tegenvallende resultaten niet of citeren alleen auteurs die hun conclusies ondersteunen.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
8
Q

Wat is Publication bias:

A

de neiging om alleen studies te publiceren die effecten laten zien

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
9
Q

Wat moet er al voordat data verzameld en geanalyseerd word vast liggen, van het empirische cyclys?

A

de onderzoeksvraag, onderzoeksopzet en het plan voor dataverzameling en -analyse

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
10
Q

Hoe wordt het vastleggen van de onderzoeksvraag, onderzoeksopzet en methode van dataverzameling en -analyse genoemd?

A

preregistratie

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
11
Q

Side note: De bevinding dat een aanzienlijk deel van het psychologisch onderzoek niet gerepliceerd kon worden, heeft geleid tot veel meer aandacht voor hoe goed wetenschappelijk onderzoek uit te voeren, om dubieuze onderzoekspraktijken te vermijden. Zo zijn de psychologie en de onderwijswetenschappen zich onder andere door de Stapel-affaire veel bewuster geworden van de noodzaak tot preregistratie en Full disclosure

A
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
12
Q

Wat is Full disclosure?

A

houdt in dat volledige openheid wordt gegeven over het onderzoeksproces.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
13
Q

Wat is een variabele?

A

gedefinieerd als iets dat varieert, of zou kunnen variëren

een veranderlijk element, een element dat steeds kan verschillen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
14
Q

Side note: In theorie kun je elke dag vijf cacaobonen eten. Dan varieert de score op ‘aantal gegeten cacaobonen vandaag’ niet gedurende het onderzoek. Maar omdat deze score wel zou kunnen variëren (je kan namelijk besluiten om op een dag tien cacaobonen te eten), is het nog steeds een
variabele. Een ander voorbeeld: als je alleen aan mensen uit Nederland vraagt in welk land ze wonen, dan is ‘land’ een variabele, ook al
variëren de scores op deze variabele niet.

A
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
15
Q

Wat zijn psychologische constructen?

A

Dit zijn psychologische variabelen waarbij de definitie is afgeleid vanuit theorie en waarbij die definitie specificeert wat wel en wat niet tot de variabele behoort

Extraversie is bijvoorbeeld een psychologisch construct omdat de
definitie hiervan gebaseerd is op theorie, net zoals depressie, leervaardigheid etc. Psychologische constructen zijn theoretisch omdat we niet weten of ze ‘echt bestaan’, zoals bijvoorbeeld een tafel of de zwaartekracht bestaat.

Psychologische constructen zijn dus zeker de moeite van het onderzoeken waard. Het is wel belangrijk dat er een duidelijke, eenduidige en uitgebreide definitie van het construct wordt opgesteld.

Verder zijn psychologische constructen – evenals psychologische variabelen – niet direct observeerbaar.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
16
Q

wat is introspectie?

A

Uitingen die zich richten op het doelbewust observeren van wat zich in eigen innerlijk (= eigen bewustzijn) afspeelt

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
17
Q

Wat zijn psychologische variabelen?

A

variabelen die niet direct observeerbaar zijn en objectief correct beantwoord kunnen worden.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
18
Q

Wat wordt er gebruikt om psychologische constructen te meten?

A

operationalisaties

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
19
Q

Wat zijn operationalisaties?

A

Operationaliseren betekent dat je abstracte, conceptuele ideeën vertaalt naar meetbare variabelen. Als je je dataverzamelingsmethode uitwerkt, moet je de conceptuele definitie (wat je wilt onderzoeken) omzetten in de operationele definitie (wat je gaat meten)

Operationalisaties vormen de vertaling van de definitie van het theoretische construct naar een meetinstrument of manipulatie

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
19
Q

Wat zijn operationalisaties?

A

Operationaliseren betekent dat je abstracte, conceptuele ideeën vertaalt naar meetbare variabelen. Als je je dataverzamelingsmethode uitwerkt, moet je de conceptuele definitie (wat je wilt onderzoeken) omzetten in de operationele definitie (wat je gaat meten)

Operationalisaties vormen de vertaling van de definitie van het theoretische construct naar een meetinstrument of manipulatie

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
20
Q

Er zijn twee soorten operationalisaties

A

meetinstrumenten en manipulaties

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
21
Q

Wat is de bedoeling van een meetinstrument?

A

om op consistente wijze een variabele (zoals de mate van extraversie of neiging tot nadenken) te kwantificeren (in hoeveelheden uitdruken), oftewel te representeren (vertegenwoordigen) in een datareeks van getallen.

Het is hierbij uitdrukkelijk niet de bedoeling dat er iets wordt
beïnvloed

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
22
Q

Hoe worden meetinstrumenten in constructen gemeten?

A

met verschillende items (stimuli genoemd), die samen het betreffende construct omvatten

Aan reacties op die items worden op een consistente manier getallen toegekend. Elke reactie op een item krijgt een score
en die scores worden gemiddeld of opgeteld om tot een totaalscore voor die variabele te komen.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
23
Q

Side note: Items kunnen uitspraken betreffen (‘Ik hou van feestjes’) of vragen (‘In welke mate is geld belangrijk voor u?’), waarop gereageerd kan worden aan de hand van bijvoorbeeld antwoordschalen. Maar items kunnen ook taken en observaties omvatten. Bij taken kan het bijvoorbeeld gaan om computertaakjes waarbij reactietijden worden gemeten, of de meting van het consultatiebureau of een peuter met vier blokjes een toren kan
bouwen. Bij observaties kan gedacht worden aan video-opnames waarbij aan de hand van een protocol geteld wordt hoeveel snoepjes iemand eet of hoe vaak deelnemers oogcontact maken..

A
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
24
Q

De meetinstrumenten die gebruikt worden bij operationalisatie zijn?

A

Meetwaarden van de operationalisatie.

Stel je meet ‘mate waarin geld van belang wordt geacht’ op een 7-puntsantwoordschaal, dan zijn de meetwaarden 1 tot en met 7.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
25
Q

In de meetinstrumenten van operationalisatie worden de datapunten geregistreerd, dit noemen ze?

A

Variabele.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
26
Q

Side note: Dit is een beetje verwarrend: de term ‘variabele’ wordt dus gebruikt voor zowel een theoretische variabele (zoals leervaardigheid) als voor een reeks datapunten die, als de operationalisatie goed werkt, indicatief is voor de waarde van die theoretische variabele. Nu is het onderscheid vaak niet zo relevant: omdat operationalisaties de manifestatie van de theoretische variabelen zijn, representeren de resulterende datareeksen (als de kwaliteit van de operationalisaties goed is) die theoretische variabelen. De term construct wordt overigens wel uitsluitend gebruikt om naar theoretische variabelen te verwijzen, nooit naar een datareeks. Omdat de term ‘variabele’ in het wetenschappelijk
jargon vaak gebruikt wordt om naar een theoretische variabele te verwijzen, wordt in deze cursus ook de term ‘variabele’ gebruikt waar (theoretische) variabele bedoeld wordt. Soms verwijst ‘variabele’ dus naar een theoretische variabele en soms naar een datareeks. Uit de context zal altijd duidelijk zijn welke betekenis van variabele wordt bedoeld.

A
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
27
Q

Wat hebben meetinstrumenten als doel?

A

Datapunten verzamelen zonder het betreffende construct te beïnvloeden.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
28
Q

Wat is het doel van manipulaties?

A

Juist wel om een construct te beïnvloeden.

Kijken of er een causaal verband bestaat tussen twee variabelen.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
29
Q

Wat is een causaal verband?

A

een verandering in de ene variabele een verandering

in de andere variabele veroorzaakt.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
30
Q

Wat is een stimuli

A

Een item

bijvoorbeeld in de vorm van beelden, geluiden, woorden of video’s,

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
31
Q

Wat word er bij een manipulatie gedaan?

A

Onderzocht of er een causaal verband bestaat tussen twee variabelen, door een stimuli aan de deelnemers te presenteren, om te kijken of een bepaalde toestand van of verandering in de construct teweeg brengt.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
32
Q

Side note: Net zoals meetinstrumenten ontwikkeld zijn om een specifiek construct te meten, zijn manipulaties ontwikkeld om een specifiek construct (of soms een combinatie van constructen) te beïnvloeden.

Wanneer een variabele gemanipuleerd wordt, moet de onderzoeker op een consistente wijze getallen toekennen aan de verschillende condities van de gemanipuleerde variabele, bijvoorbeeld een 0 voor deelnemers die de manipulatie niet ontvingen en een 1 voor deelnemers die de manipulatie wel ontvingen

A
33
Q

Wat is een steekproef?

A

een onderzoek

34
Q

side note: Meestal bestaan meetinstrumenten uit meerdere stimuli en de daarbij behorende registraties van de reacties van deelnemers.

Denk aan een vragenlijst met meerdere vragen of een reactietijdentaak waarbij meerdere keren de reactietijd wordt geregistreerd.

A
35
Q

Wat is een Meetmodel , meetmodellen?

A

een meetmodel is een grafische weergave van een operationalisatie waarbij de indicatoren weergegeven worden in rechthoeken en het construct in een ovaal. In deze cursus wordt uitgegaan van een reflectief meetmodel waarbij de pijltjes van het construct naar de indicatoren lopen.

Een meetmodel visualiseert hoe een variabele via stimuli of items wordt geoperationaliseerd

36
Q

Wat zijn indicatoren?

A

een variabele die rechtstreeks wordt gemeten bij onderzoekseenheden (meestal deelnemers).

Operationalisaties van constructen bestaan uit een of meer indicatoren, die dan ook wel stimuli of items worden genoemd. De antwoorden van deelnemers op vragen in een vragenlijst zijn bijvoorbeeld indicatoren. In een meetmodel worden indicatoren weergegeven in rechthoeken.

36
Q

Wat zijn indicatoren?

A

een variabele die rechtstreeks wordt gemeten bij onderzoekseenheden (meestal deelnemers).

37
Q

Wat is een reflectief meetmodel?

A

In een reflectief meetmodel lopen er lijnen van het construct, ook wel de latente variabele genoemd, naar de indicatoren. De richting van de pijl is hier belangrijk. Een reflectief meetmodel waarin de pijl van het construct naar de indicatoren loopt veronderstelt dat het construct (bijvoorbeeld mate van neiging tot nadenken) bepaalt hoe op de indicatoren wordt gescoord (antwoorden op de Need for Cognition Scale).

38
Q

Side note: De meeste studies bevatten één operationalisatie voor elk construct. Een voorbeeld is de Beck Depression Inventory (BDI), een vragenlijst om de mate van depressie te meten. Het construct, mate van depressie, wordt weergegeven in een ovaal. De verschillende items van de BDI worden weergegeven in rechthoeken. Maar depressie kan ook met twee verschillende meetinstrumenten gemeten worden, bijvoorbeeld een zelfrapportagevragenlijst en een diagnostisch interview afgenomen door een therapeut. Dan bestaat het meetmodel uit twee ovalen (een voor de subjectieve inschatting van de mate van depressie en een andere voor een objectieve inschatting van de mate van depressie), waarbij pijlen vanuit deze ovalen naar de desbetreffende indicatoren lopen (vanuit subjectieve inschatting van de mate van depressie naar de items van de vragenlijst; vanuit objectieve inschatting van de mate van depressie naar de vragen van het diagnostisch interview).

A
39
Q

Wat is betrouwbaarheid?

A

De mate waarin een meting bij herhaling telkens hetzelfde resultaat oplevert heet de betrouwbaarheid van die meting.

Betrouwbaarheid is gedefinieerd als de stabiliteit van een meetinstrument over herhaalde metingen.

Om een zuivere schatting te
krijgen van de betrouwbaarheid zouden de herhaalde metingen onder gelijkblijvende omstandigheden moeten plaatsvinden

40
Q

Wat zijn x?

A

is een vorm van toevallige verstoring van het meetresultaat. Hoe kleiner de niet-systematische meetfout bij het meten van een bepaalde variabele, hoe meer betrouwbaar de betreffende operationalisatie van die variabele is.

ook wel ruis of random measurement error

(denk aan regen op de ene dag, of ruzie voor de meeting)

41
Q

Wat zijn systematische meetfout?

A

de systematische meetfout, ook wel bias genoemd, is een systematische vertekening van het meetresultaat.

(Wanneer iemand lijdt aan insomnia en stelselmatig slecht slaapt)

42
Q

Wat is Validiteit

A

Wanneer iets meet wat het moet meten.

Maar dit meetinstrument meet niet wat het moet meten: de uitkomst geeft geen informatie over iemands intelligentie. Intelligentie verschilt namelijk tussen individuen, wat bij dit meetinstrument niet tot uiting komt.

43
Q

Er zijn grofweg twee benaderingen om de vraag te beantwoorden of een meetinstrument valide is voor een bepaalde toepassing, welke 2?

A
  1. de causale opvatting van validiteit

2. constructvaliditeit

44
Q

Wat is de causale opvatting van validiteit? (2 dingen)

A

is een test valide om een bepaald construct te meten als
(1) het construct bestaat

(2) de verschillen tussen (of binnen) mensen op het construct
tot verschillende uitkomsten op het meetinstrument leiden

Bij deze opvatting van validiteit wordt er vanuit gegaan dat je
pas goed kunt nagaan of een meetinstrument valide is, als je weet hoe een meetinstrument werkt, dus als je weet welke processen worden aangesproken die uiteindelijk in een bepaalde testscore resulteren

45
Q

Wat is Constructvaliditeit?

A

opvatting om de validiteit van een test te bepalen waarbij gekeken wordt in hoeverre de interpretaties van de testscores ondersteund worden door theorie en empirisch bewijs voor het gebruik van deze test bij een bepaalde doelgroep.

Bij bijvoorbeeld uit het bepalen van de samenhang van items en schalen onderling (bijvoorbeeld of items van de sensation-seekingschaal voldoende met elkaar samenhangen) en samenhang met andere variabelen en uitkomsten (zijn deze relaties zoals verwacht wordt op basis van theorie en eerder onderzoek).

46
Q

Wat is indruksvaliditeit of face validity?

A

de mate waarin het meetinstrument de indruk geeft te meten wat het zou moeten meten na bestudering van het meetinstrument door een leek of iemand uit het vakgebied. Deze benadering is erg praktisch; de onderzoeker hoeft het meetinstrument alleen nauwkeurig te bekijken.

47
Q

Wat is criteriumvaliditeit of criterion validity?

A

de mate waarin de uitkomsten van een meetinstrument als verwacht samenhangen met die op een ander meetinstrument of uitkomstmaat. Van een intelligentietest wordt bijvoorbeeld verwacht dat deze samenhangt met schoolcijfers.

48
Q

Wat is externe validiteit?

A

de mate waarin de uitkomsten van een studie gegeneraliseerd kunnen worden naar de doelpopulatie. Wetenschappelijk onderzoek wordt vaak uitgevoerd in kunstmatige omstandigheden, zoals een laboratorium. Externe validiteit gaat in op de vraag in hoeverre de gevonden patronen ook buiten de onderzochte context gelden.

49
Q

Wat is inhoudsvaliditeit of content validity?

A

de mate waarin de items van het meetinstrument het gehele construct omvatten. Impulsiviteit wordt bijvoorbeeld gezien als een multifactorieel construct. Een meetinstrument met goede inhoudsvaliditeit moet al die verschillende aspecten van impulsiviteit omvatten. Een meetinstrument dat impulsiviteit beoogt te meten, maar enkel items bevat over een deelaspect daarvan, bijvoorbeeld alleen over ‘sensation seeking’, heeft geen goede inhoudsvaliditeit.

50
Q

Side note: Er zijn nog heel wat meer termen die gebruikt worden in relatie tot validiteit. De definities van de verschillende soorten validiteit zijn vaak relatief vaag en lopen soms door elkaar. Verschillende tekstboeken hanteren vaak net iets andere definities, wat erg verwarrend kan zijn. Tegenwoordig is de opvatting dat het niet zinvol is om allerlei soorten validiteit te onderscheiden en dat validiteit beter gezien kan worden als een unitair construct (APA Task Force on Psychological Assessment and Evaluation Guidelines, 2020).

Hiermee wordt bedoeld dat om de validiteit te bepalen naar verschillende informatie kan en moet worden gekeken, zoals de inhoud van de test (dekken de items de lading van het construct), de reacties op de stimuli (worden vragen en antwoordcategorieën geïnterpreteerd zoals bedoeld), de interne structuur van het meetinstrument (hangen items binnen en tussen schalen van een meetinstrument samen zoals verwacht) en relaties met andere variabelen en uitkomsten (zijn deze relaties zoals verwacht) (APA Task Force on Psychological Assessment and Evaluation Guidelines, 2020). Uiteindelijk moet op basis van deze informatie echter één vraag worden beantwoord: in hoeverre meet de test – voor deze toepassing, in deze steekproef – wat deze moet meten.

A
51
Q

side note” Daarmee wordt bedoeld dat een meetinstrument met een lage betrouwbaarheid nooit valide kan zijn. Een meetinstrument met hoge
betrouwbaarheid kan wel, maar hoeft niet valide te zijn.

A
52
Q

Wat is kwantitatief onderzoek?

A

Dit is onderzoek waarmee aan de hand van meetinstrumenten en manipulaties getallen worden toegekend aan variabelen. Deze getallen vormen datareeksen die worden geanalyseerd met statistische software. Kwantitatief onderzoek heeft een groot nadeel: het vereist operationalisaties van hoge kwaliteit (dat is, operationalisaties die betrouwbaar en valide zijn). Deze zijn lang niet altijd voorhanden.

kwantitatief onderzoek meestal als doel heeft relaties tussen variabelen te onderzoeken

53
Q

Wat is kwalitatief onderzoek?

A

kwalitatief onderzoek vaak als doel het perspectief van deelnemers te interpreteren en te begrijpen.

onderzoek waarbij rijke kwalitatieve data verzameld en geanalyseerd worden

54
Q

Side note: Bij kwalitatief onderzoek staat de individuele zienswijze van de deelnemer centraal en zal een interviewer bijvoorbeeld doorvragen als het interview daar aanleiding toe geeft (Ritchie et al., 2014). Dit in tegenstelling tot kwantitatief onderzoek waarbij bij iedereen hetzelfde meetinstrument op dezelfde wijze wordt afgenomen

De resultaten van kwalitatief onderzoek hebben daarmee een beperkte geldingskracht en reikwijdte. De resultaten van kwalitatief onderzoek, bijvoorbeeld de redenen die mensen naar voren brengen voor het wel of niet laten testen van xtc, kunnen wel gebruikt worden om een goed meetinstrument te ontwikkelen waarmee via kwantitatief onderzoek in kaart gebracht kan worden in welke mate deze redenen belangrijk zijn binnen een grote aselect getrokken steekproef van xtc-gebruikers.

A
55
Q

Side note; Kwalitatief onderzoek kan dus ideeën geven over hoe de wereld in elkaar zou kunnen zitten. Kwantitatief onderzoek kan die ideeën vervolgens bevestigen of ontkrachten. Kwantitatief onderzoek is beperkt tot het onderzoeken van variabelen waar al operationalisaties voor bestaan, die dan ook nog eens valide en betrouwbaar moeten zijn als ze in een steekproef worden toegepast. Je zou daarom kunnen stellen dat kwalitatief onderzoek essentieel is om iets nieuws te leren.

A
56
Q

Wat is populatie?

A

een populatie is een theoretische groep onderzoekseenheden, die gedefinieerd wordt door een aantal kenmerken.

Een populatie kan bijvoorbeeld “alle mensen” zijn, maar ook “jongeren in achterstandswijken”, “eenoudergezinnen” of “leraren op middelgrote scholen”. Naast deze korte titel hebben populaties een gedetailleerde beschrijving, waarin precies wordt aangegeven wat “jongeren” zijn (bijvoorbeeld “iedereen tussen de 16 en 20 jaar”) en wat “achterstandswijken” zijn. Populaties zijn geen momentopname, maar omvatten ook onderzoekseenheden in het verleden en de toekomst, zodat de resultaten uit de data nog steeds waarde hebben nadat de dataverzameling is afgerond. Mensen verhuizen en veranderen namelijk voortdurend. De mensen die op dit moment in de groep “jongeren” vallen zijn andere mensen dan die over een week in die groep vallen, onder andere door verjaardagen. Hierdoor worden populaties als oneindig groot gezien.

57
Q

Er zijn twee redenen waarom niet alle onderzoekseenheden in een populatie onderzocht kunnen worden.

A
  1. dat het er meestal te veel zijn.

2. de populatie zodanig is gedefinieerd dat deze ook mensen in het verleden en de toekomst bevat.

58
Q

Wat is een steekproef?

A

Een steekproef is een groep mensen, of andere onderzoekseenheden, die minder groot is dan de volledige populatie. Een steekproef is dus altijd een selectie van de totale populatie.

Door de populatie op die manier te definiëren is het ook mogelijk om dagen, weken, maanden en soms zelfs jaren nadat data verzameld zijn, uitspraken te doen over een populatie.

59
Q

Steekproeven kunnen worden onderverdeeld in, 2 dingen?

A
  1. probability samples

2. non-probability samples

60
Q

Wat is een probability sample?

A

heeft elk lid van de populatie een bepaalde, bekende kans (probability) om te worden opgenomen in de steekproef (sample)

61
Q

Wat is een non-probability sample?

A

weet je niet wat de kans is dat een bepaald lid van de populatie wordt opgenomen in de steekproef.

62
Q

Wat zijn 3 voorbeelden van probability samples?

A
  1. aselecte steekproef
  2. gestratificeerde aselecte steekproef
  3. multilevel aselecte steekproef
63
Q

Wat is een aselecte steekproef?

A

bij het trekken van een simpele aselecte steekproef heeft elke onderzoekseenheid in de populatie evenveel kans om in de steekproef te belanden. Een aselecte steekproef wordt ook wel een ‘random’ of ‘willekeurige’ steekproef genoemd.

64
Q

Wat is een gestratificeerde aselecte steekproef?

A

bij het trekken van een gestratificeerde aselecte steekproef wordt de populatie eerst opgedeeld in een aantal subpopulaties aan de hand van bepaalde kenmerken die relevant zijn voor de onderzoeksvariabele. Daarna wordt uit elke subpopulatie een aselecte steekproef genomen, waarbij de verhouding tussen de subpopulaties in de steekproef gelijk is aan die in de populatie. Bij onderzoek naar alcoholgebruik kan het bijvoorbeeld zinvol zijn om aselecte steekproeven te trekken die zijn gestratificeerd naar geslacht, omdat mannen over het algemeen meer drinken dan vrouwen. In de Nederlandse volwassen bevolking is de man-vrouwverdeling ongeveer 50-50. Een op geslacht gestratificeerde steekproef zal daarom ongeveer evenveel mannen als vrouwen moeten bevatten. Een gestratificeerde steekproef wordt ook wel een gelaagde steekproef genoemd.

65
Q

Wat is een multilevel aselecte steekproef?

A

als de onderzoekseenheden (de mogelijke deelnemers) in de populatie georganiseerd zijn in groepen, zoals scholieren in klassen en scholen, kan een multilevel aselecte steekproef getrokken worden. Hierbij wordt bijvoorbeeld eerst een aselecte steekproef van scholen genomen, waarna per school een aselecte steekproef van klassen wordt genomen, waarna vervolgens alle scholieren uit de geselecteerde klassen worden onderzocht. Een multilevel steekproef wordt ook wel een clustersteekproef genoemd.

66
Q

Wat is generaliseerbaar?

A

het doen van uitspraken over een populatie op basis van onderzoek uitgevoerd in een steekproef. Generalisatie is toegestaan bij aselecte steekproeven, maar wordt moeilijker als een steekproef niet aselect getrokken is

67
Q

Side note: Omdat bij probability samples elk lid van de populatie een bepaalde bekende kans (probability) heeft om opgenomen te worden in de steekproef (sample), zijn uitspraken op basis van deze steekproeven generaliseerbaar naar de populatie.

Het grote voordeel van werken met aselecte steekproeven is dus dat deze steekproeven - mits de steekproeven groot genoeg zijn - representatief zijn voor de populatie.

A
68
Q

Hoe manifesteert toeval zich op, 2 manieren?

A

Ten eerste is er altijd sprake van een niet-systematische meetfout

Ten tweede is er de steekproeffout: puur door toeval kunnen een of meer uitzonderlijke mensen in een steekproef belanden.

69
Q

Vier voorbeelden van non-probability sampling zijn:

A
  1. convenience sampling
  2. snowball sampling
  3. purposive sampling
  4. quota sampling
70
Q

wat is convenience sampling?

A

bij deze vorm van steekproeftrekking worden deelnemers gekozen op basis van een aantal praktische criteria, zoals dat ze gemakkelijk toegankelijk zijn (denk aan het werven van deelnemers binnen je kennissenkring), de geografische locatie (denk aan het benaderen van scholen in de buurt zodat leerlingen niet te ver hoeven te fietsen), de bereidheid van deelnemers zichzelf aan te melden voor onderzoek (denk aan het posten van een oproep op sociale media waarin staat aangegeven hoe mensen zich kunnen aanmelden voor het onderzoek), etc. Convenience sampling is meestal weinig systematisch. Er wordt niet nagedacht over welke kenmerken de deelnemers uit de steekproef moeten hebben en er wordt niet nagedacht over hoe deze steekproef het beste bereikt kan worden. Het verkrijgen van data die representatief zijn voor de populatie staat niet centraal.

71
Q

Wat is snowball sampling

A

bij deze vorm van steekproeftrekking wordt wel nagedacht over de kenmerken die de deelnemers uit de steekproef moeten hebben. Snowballing start met een klein aantal weloverwogen gekozen deelnemers, de zogenaamde ‘seeds’. Deze eerste deelnemers wordt vervolgens gevraagd om vrienden en kennissen uit te nodigen die voldoen aan bepaalde eisen. Snowballing vereist dus wel een plan, zoals het nadenken over de kenmerken waaraan deelnemers moeten voldoen en het weloverwogen kiezen van ‘seeds’. Snowball sampling wordt veel gebruikt bij moeilijk te bereiken groepen, zoals sekswerkers in een land waar sekswerk illegaal is, mensen met gestigmatiseerde of zeldzame seksuele voorkeuren, of gebruikers van illegale middelen.

72
Q

Wat is purposive sampling?

A

bij deze selectieve vorm van steekproeftrekking worden deelnemers weloverwogen geselecteerd op basis van specifieke kenmerken. Bijvoorbeeld jonge vrouwen die het hebben van kinderen combineren met een fulltime baan. Deze vorm van steekproeftrekking wordt vaak bij kwalitatief onderzoek gebruikt.

73
Q

Wat is quota sampling

A

het idee en de procedure van deze vorm van steekproeftrekking is vergelijkbaar met het trekken van een gestratificeerde steekproef, alleen worden nu geen aselecte steekproeven getrokken maar selecte steekproeven door bijvoorbeeld convenience sampling of snowball sampling toe te passen op de verschillende subpopulaties.

74
Q

Side note: Non-probability samples zijn dus selecte steekproeven. Deze steekproeven verschillen niet meer uitsluitend op basis van toeval van de populatie, maar ook op andere, onbekende, verstorende factoren. Conclusies op basis van een selecte steekproef kunnen daarom minder goed gegeneraliseerd worden naar de populatie. Het gebruik van selecte steekproeven resulteert dus in een lagere generaliseerbaarheid, oftewel een lagere externe validiteit.

A
75
Q

Wat is een selecte steekproef?

A

een selecte steekproef is een steekproef die niet willekeurig is gekozen uit de populatie

Een voorbeeld van een selecte steekproef is het werven van deelnemers uit de vrienden- en kennissenkring.

76
Q

Wat is een aselecte steekproef?

A

Een steekproef die willekeurig is gekozen uit de populatie

77
Q

Wat is een multilevel aselecte steekproef?

A

als de onderzoekseenheden (mogelijke deelnemers) in de populatie in groepen georganiseerd zijn, zoals scholieren in klassen en scholen, wordt vaak een multilevel aselecte steekproef getrokken.

Hierbij wordt bijvoorbeeld eerst een aselecte steekproef van scholen getrokken, waarna per school een aselecte steekproef van klassen wordt getrokken. Vervolgens worden alle scholieren uit de geselecteerde klassen onderzocht. Een multilevel steekproef wordt ook wel een clustersteekproef genoemd. Als een steekproef aselect is, is het mogelijk om te generaliseren van de steekproef naar de populatie. Een aselecte steekproef is een vorm van een probability sample

78
Q

Wat is gestratificeerde aselecte steekproef?

A

bij het trekken van een gestratificeerde aselecte steekproef wordt de populatie eerst opgedeeld in een aantal subpopulaties aan de hand van bepaalde kenmerken die relevant zijn voor de onderzoeksvariabele, waarbij wordt bepaald welk aandeel elk van deze subpopulaties hebben in de totale populatie.

Daarna wordt uit elke subpopulatie een aselecte steekproef getrokken, waarbij ervoor gezorgd wordt dat de verhouding tussen de subpopulaties in de steekproef gelijk is aan die in de populatie. Een gestratificeerde steekproef wordt ook wel een gelaagde steekproef genoemd. Als een steekproef aselect is, is het mogelijk om te generaliseren van de steekproef naar de populatie. Een aselecte steekproef is een vorm van een probability sample