Biologie dier Flashcards

1
Q

Vijf vrijheden

A
  1. vrijheid van dorst en honger
  2. vrijheid van fysiek ongemak
  3. vrijheid van pijn, verwondingen en ziekten
  4. vrijheid om natuurlijk gedrag uit te voeren
  5. vrijheid van stress en angst
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
2
Q

Stress

A

Word veroorzaakt door situatie die onbekend is of waar ze zelf geen controle over hebben

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
3
Q

Acute stress

A

Snel effect
Snel voorbij
Geen schade

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
4
Q

Chronische stress

A

Langdurig effect
meer schade
hoge bloeddruk, depressie, uitputting etc.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
5
Q

Coping styles

A

Fight
Flight
Freeze
Faint

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
6
Q

Diffusie

A

Beweging van moleculen van hoge concentratie naar lage concentratie. Traag proces.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
7
Q

Wanneer verloopt diffusie het beste?

A

Grote diffusieoppervlakte met een kleine diffusieafstand

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
8
Q

Basiscomponenten cirulatiesysteem

A

Hart
Netwerk van verbonden vaten
Circulerende vloeistof

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
9
Q

Open circulatie

A

Circulerende vloeistof is hetzelfde als de interstitiële vloeistof

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
10
Q

Gesloten circulatie

A

Circulerende vloeistof is niet hetzelfde als de interstitiële vloeistof

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
11
Q

Enkele bloedsomloop

A

Bloed word verrijkt met zuurstof, stroomt naar weefsels waar het zuurstof afgegeven word.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
12
Q

Kleine bloedsomloop

A

Bloed van hart naar longen, neemt zuurstof op en geeft CO2 af

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
13
Q

Grote bloedsomloop

A

Hart pompt het bloed naar de organen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
14
Q

Hartspier

  • Endocardium
  • Myocardium
  • Pericardium
A
  • Binnenzijde hart, epitheellaag + hartkleppen
  • Het spierweefsel
  • Buitenzijde hart, omvattend vlies.
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
15
Q

Diastole

A

Bloed stroomt hart in
Relexatie van het hartspier
AV kleppen zijn open
Atria en ventrikels vullen zich met bloed

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
16
Q

Systole

A

Bloed stroomt het hart uit
Contractie hartspier
AV kleppen gesloten
Atria en ventrikels worden geledigd

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
17
Q

Capillaire bed

A

Semipermeabel
Uitwisseling vocht
Wanden zijn 1 cellaag dik

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
18
Q

Communicatie/regulatie

  • Neurogeen
  • Endocrien
A

Neurogeen: Via zenuwen.
Snel, gevoel, bewegingen, geheugen.
Zorgt ook voor afgifte hormonen

Endocrien: Via hormonen.
Langzaam, langdurig effect, homeostase, groei, gedrag

19
Q

Centrale zenuwstelsel

A

Hersenen + ruggenmerg

20
Q

Perifere zenuwstelsel

A

Alle zenuwen buiten het centrale zenuwstelsel

21
Q

Myelineschede

A

Isolerende laag om een axon

22
Q

Schwanncellen

A

Liggen opgerold om een axon heen, zorgt voor een snellere impulsgeleiding

23
Q

Knopen van ranvier

A

Onderbrekingen in het myelineomhulsel wat het axonale membraan bloot legt aan extracellulair vocht

24
Q

Grote hersenen (cerebrum)

A

Verantwoordelijk voor emoties, geheugen, waarnemingen

25
Q

Kleine hersenen (cerebellum)

A

Verantwoordelijk voor coördineren beweging en balans, ondersteunen het leren en onthouden van motorische vaardigheden

26
Q

Grote hersenen

  • Sensorische centra
  • Motorische centra
A

Sensorische centra: impulsen verwerken van zintuigen en bewustwording ervan.
Motorisch centra: onstaan impulsen voor bewuste bewegingen

27
Q

Hersenstam

A

Voortzetting ruggenmerg.

Bevat o.a centra voor regeling lichaamstemperatuur, ademhaling en pupilreflex

28
Q

Hippocampus

A
  • Speciale type neuronen
  • Opslaan nieuwe gebeurtenissen
  • Korte termijn geheugen
29
Q

Cortex

A

Lange termijn geheugen

30
Q

Receptoren in de huid

A
  • Koude receptoren
  • Hitte receptoren
  • Druk receptoren
  • Beweging haren
  • Nociceptoren (pijn)
31
Q

Uitwendig oor

A

Vangt geluid op

32
Q

Middenoor

A

Versterkt het geluid (gehoorbeentjes, trommelvliezen)

33
Q

Inwendig oor

A

Zet geluid om in impulsen.
Impulsen gaan naar gehoorcentrum in hersenen.
Evenwichtsorgaan

34
Q

Oog

A

Veranderd lichtstralen in elektrische signalen, de hersenen maken hiervan een beeld. Lichtstralen moeten precies op het netvlies achter het oog vallen om een goed beeld te kunnen vormen. De lichtstralen worden afgebogen door de lens

35
Q

Typen spierweefsel

  • Skeletspier
  • Hartspier
  • Glad spierweefsel
A
  • Skeletspier: dwarsgestreept, kernen aan buitenkant, mooi gestreept.
  • Hartspier: kernen middenin, mooi gestreept, vezels vertakt.
    Glad spierweefsel: kernen centraal, niet gestreept, hechtingsstructuren
36
Q

Melkziekte

A

Koeien produceren te veel melk waardoor al het calcium uit het lichaam daar naartoe gaat. Hierdoor hebben ze te weinig calcium om nog goed te kunnen bewegen

37
Q

Dysbacteriose

A

Verstoring in natuurlijke balans van bacteriën wat ziekten kan veroorzaken

38
Q

Protozoa

A
  • Eencellige eukaryoten
  • Maken cyclus door met aseksuele en seksuele vermeerdering
  • Maken bij cyclus ook gebruik van eindgastheer en vaak ook tussengastheer
39
Q

Kiembladen

  • Ectoderm
  • Mesoderm
  • Endoderm
A

Ectoderm: huid, zenuwstelsel, tanden
Mesoderm: skelet, spierweefsel en bloedvaten
Endoderm: ademhalingsstelsel

40
Q

Neutrofiele granulocyten

A

Verzwelgen en vernietigen microben (bloed)

41
Q

Macrofagen

A

Fagocytose en stimuleren de ontwikkeling van de verkregen afweer

42
Q

Dendritische cellen

A

Stimuleren de ontwikkeling van verworven immuniteit, antigen presterende cel

43
Q

Eosinofiele granulocyten

A

Geven vernietigende enzymen af