Begrippenlijst Flashcards

1
Q

ABLAUT

A

Klinkerwisseling

Bv. bij sterke werkwoorden zoals in het Nederlands: vind – vond

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
2
Q

ACCENT

A

Hoofdklemtoon in een woord

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
3
Q

ADSTRAATTALEN

A

Buurtalen (niet-dominant taalcontact).

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
4
Q

AFFIX

A

Gebonden morfeem (niet los voorkomend)

  • PREFIX = ver- in verlopen
  • SUFFIX = -heid of –ig in schoonheid of ellendig
  • INFIX = een woorddeel dat op zichzelf niets betekent, maar in een ander woord wordt toegevoegd om de betekenis te veranderen, bv. pietjes-precies
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
5
Q

AFFRICAAT

A

Combinatie van een occlusief en een fricatief met vrijwel identieke plaats van articulatie.

Bv. /ts/ of /pf/

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
6
Q

AGGLUTINERENDE TALEN

A

Talen kunnen ook worden ingedeeld naar de manier waarop ze grammaticale functies markeren. In isolerende talen, zoals het Chinees, bestaan woorden meestal uit een morfeem (een taalkundige eenheid die betekenis draagt), terwijl ze in synthetische talen kunnen bestaan uit verschillende morfemen.

Synthetische talen kunnen worden onderverdeeld in flecterende en agglutinerende talen

  • In agglutinerende talen, heeft elk morfeem meestal een enkele functie en kunnen woorden bestaan uit veel morfemen.

Bv. Turks is een goed voorbeeld van een agglutinerende taal. Het woord evlerimde betekent “in mijn huis” en bestaat uit de volgende morfemen: ev (huis), -ler(meervoud), -im (mijn) en -de (in).
Bv. Fins en Hongaars

  • In flecterende talen, kunnen affixen verschillende functies combineren.

Bv. In het Spaanse woord habló (“hij sprak”), geeft -ó tegelijkertijd de verleden tijd en de derde persoon enkelvoud weer.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
7
Q

ALFABETISCH

A

Schriftsysteem waarbij elk teken (idealiter) één klank uitdrukt. Doordat klanken veranderen in de tijd is de een-op-een relatie in alfabetische schriftsystemen naar verloop van tijd vaak ver te zoeken.

Bv. Franse /eau/ wordt uitgesproken als [o]

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
8
Q

ALVEOLAIR

A

Klank die gevormd wordt met de tong tegen de bovenste tandkas (alveolum).

Bv. /d/, /t/, /n/, /l/

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
9
Q

ANALYTISCH

A

Het weergeven van functies door perifrastische structuren (omschrijvende of grammaticale structuren).

Bv. voorzetselconstructie (perifrastische) vs. casus (synthetische)

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
10
Q

APOCOPE

A

Verlies van aan korte, onbeklemtoonde eindklinker of lettergreep dat op het einde van een woord wordt weggelaten.

Bv. disco van discotheek

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
11
Q

ASPIRATIE

A

De ademstroom waarvan een klank vergezeld wordt, het met extra adem uitspreken van een klank.

Bv. aangeblazen occlusieven

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
12
Q

ASSIBILATIE

A

Klankverandering waarbij een occlusief verandert in een affricaat of sibilant.

Bv. Het verschijnsel dat de articulatie van een plosief, zoals /p/ of /t/, verandert in die van een affricaat of sibilant, zoals /s/ of /z/. , dat oorspronkelijk (in het Latijn) met een t aan het eind werd uitgesproken.
 Assibilatie

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
13
Q

ASSIMILATIE

A

Klankverandering waarbij klinkers of medeklinkers zich aanpassen aan klanken in hun omgeving.

Bv. Bakzeil wordt uitgesproken als [bakseil]
Bv. Zakdoek wordt uitgesproken als [zagdoek]

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
14
Q

BASISWOORDVOLGORDE

A

Normale (ongemarkeerde) woordvolgorde die gebruikt wordt in onafhankelijke mededelende zinnen met nominale subjecten en objecten.

Bv. SOV-volgorde of SVO

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
15
Q

BILABIAAL

A

Klank wordt gevormd door contact van beide lippen.

Bv. /b/, /p/, /m/

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
16
Q

CASUS

A

Of naamval

  • NOMINATIEF: subject
  • ACCUSATIEF: lijdend voorwerp
  • DATIEF: meewerkend voorwerp
  • GENITIEF: bezitsrelatie (en andere)
  • ABLATIEF: bijwoordelijke bepalingen uitdrukken zoals waardoor, waaruit, waarmee…
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
17
Q

CASUSSYSTEEM

A

Taalsysteem waarbij de functies aangeduid worden door variabele woorduitgangen (flexie).
 Naamvallensysteem (vooral belangrijk in synthetische talen)

Bv. alle oude Indo-Europese talen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
18
Q

CAUSATIEF

A

Werkwoorden of structuren die uitdrukken dat een handeling een andere handeling als gevolg heeft.

Bv. leggen = doen liggen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
19
Q

CLUSTER

A

Opeenvolging van twee of meer medeklinkers of consonantencluster.

Bv. de groep /spl-/ aan het begin van “splijten”

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
20
Q

CLUSTERREDUCTIE

A

Reductie of simplificatie van een consonantencluster.

Bv. een kind spreekt een bepaalde medeklinker niet uit: kaar voor klaar

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
21
Q

CODE-SWITCHING
OF
CODEWISSELING

A

Veranderen van talen binnen een gesprek (een hele zin of een enkel woord in een andere taal).

Bv. Marokkaans vermengen met Nederlands
Bv. Engels vermengen met Nederlands

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
22
Q

COGNATEN

A

Verschillende woorden of vormen binnen een taal of tussen verschillende talen waartussen een etymologisch verband bestaat.

Bv. Ster in het Nederlands en Stern in het Duits

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
23
Q

COMPARATIEF

A

De vergelijkende trap of de vergrotende trap

Bv. De comparatief van ´mooi´ is ´mooier.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
24
Q

CONGRUENTIE

A

Overeenstemming van woorden binnen een zin die een syntactische relatie delen.

  • Congruentie in geslacht, getal en naamval tussen substantieven en adjectieven
  • Congruentie in getal en persoon tussen onderwerp en gezegde
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
25
Q

CONSONANT

A

Of een medeklinker

Bv. /m/

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
26
Q

CONSONANTCLUSTER

A

Of medeklinkeropstapeling is een opeenvolging van twee of meerdere medeklinkers.

Bv. de groep /spl-/ aan het begin van “splijten”

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
27
Q

CONTACTLINGUÏSTIEK

A

Studie van taalcontact in al haar vormen of de relatie tussen talen op bepaalde plaatsen.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
28
Q

CONTACTTALEN

A

Nieuwe talen die voortkomen uit een contactsituatie.

Bv. pidgins en creolen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
29
Q

CREOOLTAAL

A

Een pidgintaal die uitgegroeid is tot een moedertaal. Creoolse talen vertonen een aantal opvallende overeenkomsten in grammaticale structuur. De wetenschap die probeert deze overeenkomsten te verklaren wordt creolistiek genoemd.
Creooltalen worden onder andere gesproken in voormalige Europese koloniën. In bijna heel Afrika, Zuid-Amerika, het Caraïbische gebied, Zuidoost- Azië en in mindere mate in Noord-Amerika. De woordenschat van de meeste creooltalen vertoont een grote overlap met de taal van de Europese kolonisator.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
30
Q

DATA

A

Empirische taalgegevens waarop de taalkundige steunt voor zijn beschrijvingen en analyses

  • PRIMAIRE DATA: zelfkennis, corpora en veldwerk
  • SECONDAIRE DATA: bestaande beschrijvingen
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
31
Q

DENTAAL

A

Klank wordt gevormd door de afsluiting of vernauwing bij de tanden.

Bv. [thin] in het Engels

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
32
Q

DENTAALPRETERITUM

A

Productief model voor de Germaanse verleden tijd voor zwakke werkwoorden, met gebruik van een dentale medeklinker.

Bv. Nl. speelde
Bv. Eng. played
Bv. D. spielte

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
33
Q

DENTAALSUFFIX

A

Suffix in de vorm van een dentale medeklinker.

 Zie dentaalpreteritum

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
34
Q

DEPALATALISATIE

A

Het tegenovergestelde van palatalisatie of is het verschijnsel waardoor palatalen, nl. de i, é, è, u, ù, alle klanken die vooraan in de mond (ter hoogte van het palatum of harde verhemelte) worden uitgesproken achteraan in de mond (als velairen, bv. de oe, de o, ter hoogte van het velum of zachte verhemelte) worden gerealiseerd.

Bv. muts > moeitsj

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
35
Q

DIACHRONIE

A

Studie van taalstructuren door de tijd heen.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
36
Q

DIACHROON

A

Taalverandering doorheen de tijd, een tijdsgebonden taalvariatie.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
37
Q

DIALECT

A

Regionale taalvariëteiten die zijn voortgekomen uit anderhalf millennium spontane ontwikkeling in het mondelinge gebruik, zonder van boven- of buitenaf opgelegde normen en regels.
Taalvariëteit die door isoglossen van andere taalvariëteiten onderscheiden wordt, wordt zowel voor een geheel van taalvariëteiten als voor de verschillende subvariëteiten gebruikt.

Bv. Gents is een Oost-Vlaams dialect

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
38
Q

SOCIOLECT

A

Taalvariëteiten die door sociologische isoglossen onderscheiden worden.

Bv. mannentaal of jongerentaal

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
39
Q

IDEOLECT

A

Individuele taalvariëteiten, het taalgebruik van één individu, iemands persoonlijke en persoonlijk-getinte taalgebruik, dat deze onderscheidt van andere gebruikers van dezelfde taal.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
40
Q

DIALECTCONTINUÜM

A

Aangrenzende dialecten die min of meer vloeiend in elkaar overlopen.

Bv. West-Romaans of Continentaal West-Germaans dialectcontinuüm

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
41
Q

DIASTRATIE

A

Taalvariatie op basis van demografische of sociale redenen.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
42
Q

DIATOPIE

A

Taalvariatie op basis van geografie.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
43
Q

DIATHESE

A

Vorm: grammaticale categorie waarin werkwoordsvormen onderscheiden worden in actief en passief (en soms ook mediaal).

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
44
Q

DIGLOSSIE

A

De situatie waarbij een gemeenschap twee talen of taalvariëteiten gebruikt afhankelijk van de communicatieve functie (= functionele specialisatie van de gebruikte talen).

Bv. ST gebruiken voor formele situaties en DIA voor informele.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
45
Q

DIFTONG

A

Of tweeklank is een combinatie van twee klinkers in een lettergreep.

Bv. /au/

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
46
Q

DIFTONGERING

A

De verandering van een monoftong naar een diftong.

Bv. huus/hoes → huis

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
47
Q

DISSIMILATIE

A

Klankverandering waarbij identieke of nauwverwante klinkers of medeklinkers minder op elkaar lijken.

Bv. ST: lepel  DIA: leper

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
48
Q

DOCHTERTAAL

A

Verwante taal die uit een oudere taal is ontstaan (uit de moedertaal).

Bv. Het Afrikaans is een dochtertaal van het Nederlands (ze zijn onderling te verstaan).

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
49
Q

DUALIS

A

Of tweevoud is een vorm van naamwoorden of voornaamwoorden die naar zaken verwijzen die in tweetallen of paarsgewijs voorkomen, of van daarmee congruerende woorden en woordgroepen.

Het Nederlands kent geen dualis, tweevoud wordt in die taal niet van meervoud onderscheiden. In veel oude Indo-Europese talen, zoals het Oudgrieks (tot in de Klassieke periode) en in de Keltische talen, komt de dualisvorm voor, maar ook in Semitische talen, zoals het Hebreeuws en het Arabisch, is de dualis een systematisch verschijnsel.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
50
Q

ELISIE

A

Het wegvallen of weglaten van klanken.

Bv. ’t is me wa’

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
51
Q

ENCLISE

A

Postpositie (vaak met aanhechting) van onbeklemtoonde woorden

Bv. voornaamwoorden of lidwoorden:
“Kunde mij helpen?” (“Kunde?” = enclise van “Kunt ge?”)

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
52
Q

EPENTHESE

A

Inlassing van een of meerdere klanken in een woord of samenstelling zonder dat daarvoor een etymologische reden is.

Bv. duur+ -er  duurder

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
53
Q

ERFWOORD

A

Woord dat al in het oudste taalstadium aanwezig was
↔ leenwoord
Bv. roest of ei

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
54
Q

ERFWOORDENSCHAT

A

Basiswoordenschat die aanwezig was in het oudste taalstadium.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
55
Q

ETYMOLOGIE

A

Studie van het historisch taalkundig verband tussen woorden en vormen waaruit ze zijn ontstaan. (Cognaten)

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
56
Q

FLECTERENDE TALEN

A

Of fusionerende talen.

Morfologisch taaltype waarbij de grammaticale functies worden uitgedrukt door toevoeging van morfemen aan de stam (verbuiging en vervoeging). Vaak bevat een enkel morfeem diverse informatie.

Bv. In het Spaanse woord habló (“hij sprak”), geeft -ó tegelijkertijd de verleden tijd en de derde persoon enkelvoud weer.

57
Q

FLEXIE

A

Of inflectie is een morfologisch proces waarbij de vorm van een woord wordt aangepast aan zijn grammaticale functie in de zin of, in het geval van bijvoeglijke bepalingen aan het woord waarbij het hoort (→ congruentie).

Men onderscheidt:

  • verbuiging of declinatie, bij (voor)naamwoorden
  • vervoeging of conjugatie, bij werkwoorden

De mate waarin en de manier waarop flexie voorkomt verschilt van taal tot taal en nog meer in verschillende taalfamilies. Talen waarin flexie een belangrijke rol speelt worden flecterend of synthetisch genoemd. Het tegenovergestelde hiervan is een analytische taal.

58
Q

FONEEM

A

Het verschil tussen b en p in het Nederlands is dan ook betekenisonderscheidend of fonemisch.

Bv. /b/ en /p/

59
Q

FONETIEK

A

Fonetiek is een onderdeel van de exacte wetenschappen. Fonetici richten zich vooral op de fysiologische en fysische eigenschappen van het spraakgeluid.

60
Q

FONOLOGIE

A

De fonologie is een onderdeel van de geesteswetenschappen (meer specifiek de grammaticawetenschap) dat zich richt op de studie van het klanksysteem van een taal. Fonologen concentreren zich op de vragen

  • (1) hoe spraakklanken functioneren in een taalsysteem,
  • (2) hoe onze kennis over klanken georganiseerd is.

Bv. Een fonoloog vraagt zich bijvoorbeeld af hoe het komt dat moedertaalsprekers van het Nederlands woorden als tlekl, die fysisch en fysiologisch perfect mogelijk zijn, toch niet als ‘mogelijk’ ervaren.

61
Q

FRICATIEF
OF
WRIJFKLANK

A

Waarbij een schuurgeluid geproduceerd wordt door de articulatoren dicht bij elkaar te plaatsen en de lucht aldus door een vernauwd kanaal te dwingen.

Bv. /f/ en /v/

62
Q

GOLFTHEORIE OF GOLFMODEL

A

Theorie die taalveranderingen ziet als golven die zich over een gebied verspreiden: niet alle golven gaan dezelfde kant uit of komen even ver (alternatief voor stamboommodel).

63
Q

FUTHARK

A

Het futhark (Scandinavisch runenalfabet) is verdeeld in drie groepen van elk acht runen; Freya’s acht, Hagals acht en Tyrs acht. De eerste letter van elk van de namen van deze groepen correspondeert met de eerste letter van de desbetreffende reeks.

Bv. Het woord futhark zelf wordt gevormd door de 6 eerste letters van het runenalfabet: f, u, þ (th), a, r en k.

64
Q

GENUS

A

Grammaticaal voor geslacht.

65
Q

GLOSSE

A

Verklaring van een woord.

66
Q

GRAMMATICALISATIE

OF GRAMMATICALISERING

A

Proces waarbij een lexicale constructie in de loop der tijd als zelfstandig grammaticaal of syntactisch element gaat fungeren en daarbij haar oorspronkelijke betekenis grotendeels verliest.

Bv. De Nederlandse werkwoorden kunnen en zullen betekenden specifiek ‘verschuldigd zijn’, zoals de verwante Gotische vorm skulan.

67
Q

IDEOGRAFISCH

A

Schriftsysteem waarbij elk teken een concept uitdrukt. Schrift met tekeningen, maar tekeningen hebben meerdere betekenissen

Bv. Een zon kan voor licht, warmte of dag staan.

68
Q

INCORPOREREND
OF
POLYSYNTHETISCH

A

Morfologisch taaltype met lange en complexe woorden die meestal een mengeling zijn van agglutinatie en flexie.

Bv. Eskimo, Apache

69
Q

AGGLUTINATIE

A

Een morfologisch verschijnsel waarbij affixen zoals achtervoegsels aan een woord worden toegevoegd teneinde de betekenis ervan verder te specifiëren.

Bv. Japans: “tabe-sase-rare-ru”, ontleed in morfemen: eten-veroorzaken-kunnen-(tegenwoordige tijd), levert op: “kunnen laten eten”.

70
Q

INFLECTIE

A

Of flexie is een morfologisch proces waarbij de vorm van een woord wordt aangepast aan zijn grammaticale functie in de zin of, in het geval van bijvoeglijke bepalingen aan het woord waarbij het hoort (→ congruentie).

Men onderscheidt:

  • verbuiging of declinatie, bij (voor)naamwoorden
  • vervoeging of conjugatie, bij werkwoorden

De mate waarin en de manier waarop flexie voorkomt verschilt van taal tot taal en nog meer in verschillende taalfamilies. Talen waarin flexie een belangrijke rol speelt worden flecterend of synthetisch genoemd. Het tegenovergestelde hiervan is een analytische taal.

71
Q

INGVAEONISME

A

De kustdialecten hebben zogenaamde Ingveoonse (= Noordzeegermaanse) kenmerken, die teruggaan tot de tijd van de volksverhuizingen van de derde tot de zesde eeuw.

Met Ingveoons – een term die op de Romeinse schrijver Tacitus teruggaat – wordt een aantal taalverschijnselen samengevat die gemeenschappelijk zijn aan het Engels, het Fries en de Nederlandse kustdialecten.

Typisch Ingveoons zijn klankverschijnselen als West-Vlaams en Zeeuws pit voor put (Engels pit), dinne voor dun (Engels thin), tunne voor ton (Engels tun) of de meervouden op -s (bv. Frans-Vlaams stiers, honds, kats…).

Ingveonismen nemen in frequentie toe naar het westen. Die westelijke verschijnselen zijn geen invloed van het Engels; het Engels én de Nederlandse kustdialecten gaan allebei terug op de taal van de invallende Germaanse ‘zeevolkeren’, die beide kusten van de Noordzee bezet hebben

72
Q

ISOGLOSSE

A

Grenslijnen tussen twee taalverschijnselen. Klein systematisch taalverschil (klank of woord) dat als grens door een taalgebied loopt.

Bv. appel en apfel

73
Q

ISOGLOSSENBUNDEL

A

Elke dialectgroep heeft een kerngebied en overgangsgebieden, die gekarakteriseerd worden door isoglossenbundels = een paar isoglossen die op dezelfde plaats of zeer dicht bij elkaar lopen.

74
Q

ISOLERENDE TALEN

A

Morfologisch taaltype waarbij de woorden bestaan uit een enkel morfeem (zonder uitgangen): de grammaticale functies worden uitgedrukt door de woordvolgorde of het lexicon.

Bv. Chinees

75
Q

KLANKWET

A

Systematische klankovereenkomsten tussen talen.

Een klankwet zegt dat
- IN EEN BEPAALDE TAAL
Bv. het Nederlands

  • IN EEN BEPAALDE PERIODE
    Bv. bij de overgang van het Middel- naar het Nieuwnederlands
  • ONDER BEPAALDE CONDITIES
    Bv. aan het woordeinde; maar dat hoeft niet, want ook ongeconditioneerde klankwetten komen voor.
  • EEN KLANK (OF EEN GROEP VAN KLANKEN) ALTIJD OP DEZELFDE MANIER VERANDERT
    Bv. de doffe e verdwijnt
76
Q

KOINÉ

A

Letterlijk ‘gemeenschappelijke taal’.

Het is ruim verspreid en meestal gegroeid uit een dialect.

77
Q

KWANTITEIT

A

De lengte of de duur van de klanken.

 Lang vs. kort

78
Q

L1

A

Eerste of moedertaal (bij taalcontact of taalverwerving).

79
Q

L2

A

Tweede taal bij taalcontact of taalverwerving.

80
Q

LABIAAL

A

Lipklank

81
Q

LABIODENTAAL

A

De vernauwing wordt gevormd door de twee lippen.

Bv. /b/, /p/, /m/

82
Q

LARYNGAAL

A

Klanken die in het strottenhoofd gerealiseerd worden: klanken worden gevormd doordat geademd wordt tegen de stembanden in de larynx of strottenhoofd.

Bv. /h/

83
Q

LEENVERTALING

A

Ontlening waarvan de delen vervangen zijn door alternatieven in de eigen taal.

Bv. hot dog vs. chien chaud (Québec)

84
Q

LEENWOORD

A

Een woord dat door een andere taal is ontleend aan een andere taal. (Later stadium van de taalontwikkeling.)

Bv. überhaupt (Duits)
Bv. computer (Engels)

85
Q

LENITIE

A

Of medeklinkerverzachting of mouillering.
Proces waarbij harde medeklinkers of plosieven (/b/, /p/, /t/…) op een minder krachtige manier worden gerealiseerd. Ze worden zachter gearticuleerd en dit komt vaak omdat er minder of helemaal geen contact tussen (een deel van) de tong en het harde of zachte verhemelte is.

Bv. Typisch voor de Denderstreek is ook de zgn. mouillering, d.w.z. sommige medeklinkers worden met een j-achtige toevoeging uitgesproken, die o.a. de stadsdialecten van Aalst en Ninove zo opmerkelijk maakt, met j-achtige klanken als in kiendj (= kind), geldj (= geld), moesj (= muts), a zietj (= hij zit), klasj (= klets).

86
Q

LEXICON

A

Woordenschat.

87
Q

LINGUA FRANCA

A

Overkoepelende communicatietaal. Deze wordt dan vaak gebruikt wanneer de eigen talen wederzijds niet of moeilijk verstaanbaar zijn.

Bv. In de wetenschappelijke wereld is de lingua franca het Engels.

88
Q

LOCATIEF

A

Naamval die de plaats aanduidt. (Een van de acht oorspronkelijke naamvallen van de Proto-Indo-Europese taal, bv. Sanskriet.) Deze locatief komt nog het meest voor in de Baltische en Slavische talen.

Bv. In het Russisch worden de voorzetsels “v” en “na” (fonetisch geschreven) gecombineerd met de zesde naamval als ze een plaatsbepaling aangeven. Beide woordjes betekenen “op” of “in”. De uitgang van deze naamval is meestal een -e.

Voorbeelden: v Amsterdamje = in Amsterdam;
na stole = op tafel

89
Q

LOGOGRAFISCH

A

Dit is een hoofdgroep van het schrift.
Bij dit soort schrift wordt voor elk woord, grafeem of begrip een apart symbool gebruikt, een zogenaamd logogram. (Dit in tegenstelling tot een fonogram, waarin juist de fonemen worden weergegeven.) Hierdoor wordt het zeer gecompliceerd omdat men duizenden symbolen uit het hoofd moet kennen om zich perfect te kunnen uitdrukken.
Bv. De Chinese talen
Bv. Egyptische hiëroglyfen

90
Q

L-VOCALISATIE

A

Ontwikkeling van /l/ tot een (half)klinker.

Bv. Ned.: koud, Eng.: cold, D.: kalt

91
Q

MENGTAAL

A

Contacttaal waarbij zowel de grammatica als het lexicon overgenomen wordt uit twee verschillende brontalen.

Bv. Cappadocisch (Turks en Grieks)

92
Q

METATHESE

A

(Methathesis) Het is een fonologisch proces waarbij twee of meer syllaben (lettergrepen) of klanken (fonemen) van plaats worden verwisseld.

Bv. Ned. borst – D. Brust, E. breast

93
Q

MODUS OF WIJZE

A

Grammaticale categorie waarin de relatie tussen werkwoorden en werkelijkheid wordt uitgedrukt.

Bv. indicatief, conjunctief, imperatief…

94
Q

MONOFTONGERING

A

De verandering van een diftong naar een monoftong.

Bv. In de laatste fasen van het Ingweoons waren de Oergermaanse diftongen au en ai gemonoftongeerd tot een lange a.

95
Q

MORFEEM

A

Kleinste betekenisdragende taalkundige eenheden. Je hebt zowel gebonden morfemen als vrije morfemen. Bv. Gebonden morfeem: -en of –s voor meervoudsvorming.
Bv. Vrije morfemen kunnen zelfstandig voorkomen: boek.

96
Q

MORFOLOGIE

A

De studie van de vorming van de woorden of woordvorming.

Bv. derivatie (afleidingen)
Bv. flexie (vervoegingen en verbuigingen)

97
Q

NASAAL

A

Klank waarbij de lucht door de neus wegstroomt. Bv. /m/, /n/

98
Q

NASALISERING

A

Uitspraak van een klinker waarbij een deel van de lucht via de neus wegstroomt.

Bv. Franse: un, on, en

99
Q

NUMERUS

A

Grammaticaal getal:

  • Singularis = enkelvoud
  • Dualis = tweevoud
  • Pluralis = meervoud
100
Q

OBSTRUENT

A

Op basis van de wijze van articulatie worden de consonanten ingedeeld in sonoranten en obstruenten.
- SONORANTEN = worden gekenmerkt door een beperkte obstructie in het supraglottale systeem, waardoor de luchtstroom continu naar buiten stroomt.

  • OBSTRUENTEN = worden gekenmerkt door een hoge graad van occlusie in het spraakkanaal. Binnen de obstruenten kunnen we nog onderscheidingen maken:
    » Plosieven of occlusieven of plofklanken
    De luchtstroom wordt even gestopt en om daarna met een kleine explosie vrij te komen.

Bv. /p/, /d/, /k/

» Fricatieven
Het schuurgeluid wordt geproduceerd door de articulatoren dicht bij elkaar te plaatsen en de lucht aldus door een vernauwd kanaal door te dwingen.

Bv. /f/, /z/

101
Q

OCCLUSIEF

A

Plosief of een plofklank is wanneer een medeklinker wordt geproduceerd met volledige obstructie ergens in het spraakkanaal.

Bv. /p/, /t/, /k/

102
Q

ONTLENING

A

Uit een andere taal overgenomen woord of vaste verbinding.

103
Q

PALATAAL

A

Klank waarbij de tong tegen het harde gehemelte of palatum wordt geplaatst.

Bv. /j/ of /nj/ in franje

104
Q

PALATALISERING
OF
PALATALISATIE

A

Het palataal worden of de verschuiving van de articulatie naar het hard gehemelte.

Bv. /k/  /c/  /tS/

105
Q

PERIFRASTISCH

A

Uitdrukking van een grammaticale categorie door verschillende woorden. (Flexie speelt een minder grote rol voor deze talen, een bepaalde grammaticale categorie of een syntactische houding die eerder wordt uitgedrukt door middel van vrije morfemen dan door middel van gebonden morfemen.

Bv. Frans: j’ai aimé — Lat.: amavi
In het Frans dus eerder een gebruik van hulpwerkwoorden.

106
Q

PIDGIN

A

Een vereenvoudigde contacttaal die ontstaat wanneer mensen met zeer verschillende moedertalen met elkaar willen communiceren.
Een doorgaans vereenvoudigde taal die ontstaat wanneer mensen met verschillende moedertalen, die elkaars taal niet kennen, elkaar toch proberen te begrijpen. Dit laatste doen ze bijvoorbeeld door een paar basale woorden uit te wisselen en er gebaren bij maken om hun bedoeling te verduidelijken. Wanneer het contact lang genoeg duurt, kan zich op deze manier tussen hen een nieuw taalsysteem vormen dat zich vervolgens verder ontwikkelt, waardoor er feitelijk een nieuwe taal ontstaat (creool).

Bv. In de koloniën ontstonden er tussen handelaren uit de kolonie en handelaren vanuit de koloniserende macht een pidgin.

107
Q

POSTPOSITIE

A

Of een achterzetsel. (Zie ook enclise)

Bv. de trap af
Bv. twee weken geleden

108
Q

PREFIX

A

Of een voorvoegsel (een van de onderverdelingen bij de affixen.)

Bv. zich vergissen

109
Q

PROSODIE

A

Studie van het ritme, de klemtoon en de intonatie van de stem bij het uitspreken van een zin of zinsdeel.

110
Q

RECONSTRUCTIE

A

Het beredeneerd reconstrueren van een oorspronkelijke taalvorm, meestal door systematische vergelijking van cognaten.

111
Q

REFERENT

A

De entiteit waarnaar door een vorm/ woord verwezen wordt. Een entiteit, gebeurtenis of eigenschap in de - doorgaans buitentalige - werkelijkheid bedoeld waar met talige elementen (woorden, zinsdelen of hele zinnen) naar verwezen wordt.

112
Q

REGISTER

A

Taalgebruik dat specifiek is voor bepaalde situaties.

Bv. Dialect, standaardtaal of tussentaal

113
Q

RELATIEVE CHRONOLOGIE

A

Relatieve volgorde waarin klankveranderingen zich voordoen.

Bv. De tweede Germaanse klankverschuiving volgt op de eerste.

114
Q

RONDING

A

Articulatie van klinkers met meer geronde lippen. (Labialisatie)

Bv. /o/

115
Q

ROTACISME

A

Verandering van bepaalde medeklinkers in /r/.

Bv. intervocalische /s/  /r/ in West-Germaanse talen
Was  waren

116
Q

SIBILANT

A

Of een sisklank of een fricatief of affricaat waarbij de klank gevormd wordt door een vernauwing van het spraakkanaal, waardoor de lucht tegen de tanden geblazen wordt.

Bv. /s/, /ts/

117
Q

SLUITING

A

Articulatie met meer gesloten spraakkanaal door de tong richting gehemelte te bewegen. Het is dus een meer gesloten uitspreken van een open of halfopen klinker.

 Zie klinkerdriehoek

118
Q

SPIRANTISATIE

A

Klankverandering waarbij een occlusief verandert in een fricatief of sibilant. Spirantisatie is een vorm van lenitie en moet worden onderscheiden van assibilatie.

Bv. Bretons : penn “hoofd” > ma fenn

119
Q

PLURALIS

A

Meervoud

120
Q

PRETERITUM

A

Onvoltooid verleden tijd.

121
Q

SINGULARIS

A

Enkelvoud.

122
Q

SPRACHBUND
OF
LINGUISTIC AREA

A

Geografisch gebied van drie of meer talen die gemeenschappelijke structurele kenmerken vertonen die het resultaat zijn van intens taalcontact en niet veroorzaakt zijn door genetische verwantschap.

Bv. Balkantalen (Grieks, Albanees, Romani, Bulgaars, Macedonisch, Roemeens en Turks)

123
Q

STAMBOOMTHEORIE
OF
STAMBOOMMODEL Overzichtelijke weergave van hoe dochtertalen zich aftakken en verder ontwikkelen.

A

Overzichtelijke weergave van hoe dochtertalen zich aftakken en verder ontwikkelen.

124
Q

STEMLOOS

A

Eigenschap van medeklinkers die zonder trilling van de stembanden geproduceerd worden.

Bv. /p/, /t/, /k/

125
Q

STEMHEBBEND

A

Eigenschap van medeklinkers die met trilling van de stembanden geproduceerd worden.

Bv. /b/, /d/, /g/

126
Q

SUBSTRAATTAAL

A

Niet dominante taal, die eerder werd gesproken en waarvan elementen als sporen zijn achtergebleven in de nieuwe taal (die door de sprekers van de oude taal werd overgenomen).
 Een taal die oorspronkelijk werd gesproken in een gemeenschap waarbinnen nu een andere omgangstaal wordt gebruikt.

127
Q

SUFFIX

A

Achtervoegsel en een subtype van affix. Het is steeds een gebonden morfeem.

Bv. rijd — rijdt (werkwoord vervoeging)

128
Q

SUPERSTRAAT

A

Taal die de al aanwezige taal domineert en beïnvloedt.

Bv. Latijn in West-Europa
Bv. Grieks in oostelijk Middellandse Zeegebied

129
Q

SVO-VOLGORDE

A

De zinsvolgorde Subject- Verbum- Object
(onderwerp- werkwoord- lijdend voorwerp).

Je hebt ook SOV-talen of VSO-talen…

130
Q

SYLLABISCH

A

Schriftsysteem waarbij elk teken een lettergreep uitdrukt, hetzij een klinker, hetzij een combinatie van een medeklinker + klinker.

Bv. Minoïsch lineair A
Bv. Myceens lineair B
Bv. Spijkerschrift (Sumerisch, Hittitisch, Oudperzisch)

131
Q

SYNCHROON

A

Beschouwing van de taalstructuur op een bepaald moment in de tijd.
↔ diachroon

132
Q

SYNCOPE

A

Verlies van een onbeklemtoonde klinker in het midden van een woord waardoor een consonantcluster ontstaat.
 Veel voorkomende vorm van deletie waarbij onbeklemtoonde klanken en soms hele lettergrepen aan het begin of in het midden van het woord wegvallen.

Bv. Ned.: de schwa en de voorafgaande medeklinker weggelaten; leder  leer, broeder  broer

133
Q

SYNTHETISCH

A

Manier waarop bepaalde taalfuncties door flexie worden weergegeven.
↔ analystisch

Bv. Lat.: amavi – Fr.: j’ai aimé

134
Q

TAALFAMILIE

A

Talen die regelmatige overeenkomsten vertonen en waarvoor een gemeenschappelijke oorsprong gepostuleerd wordt.

135
Q

TAALTYPOLOGIE

A

Studie van formele en structurele overeenkomsten en verschillen tussen talen op synchroon vlak.

136
Q

TEMPUS OF TIJD

A

Grammaticale categorie waarin de werkwoordstijd wordt uitgedrukt.

Bv. praesens, futurum, preteritum, (im)perfectum

137
Q

UMLAUT

A

Verandering van een klinker onder invloed van een andere klinker (en soms een medeklinker). Het is een vorm van klinkerharmonie.

Bv. Nederlands temmen hoort bij tam (en het Duitse zähmen bij zahm). Hier is een a-klank veranderd in een e-klank onder invloed van een j in de volgende lettergreep, aangezien de oorspronkelijke vorm van het woord het Gotische woord tamjan is.

138
Q

VELAIR

A

Klank waarbij de tong het velum of het zachte gehemelte raakt.

Bv. /k/

Uitzonderlijke klank is /w/: de klank beweegt tegelijkertijd:

  • De achterkant van de tong in de richting van het velum.
  • De lippen worden gerond.
139
Q

VOCAAL

A

Klinker.