Behavior modification: Hoofdstuk 10 Flashcards Preview

Behandeling: Interventies binnen de orthopedagogiek > Behavior modification: Hoofdstuk 10 > Flashcards

Flashcards in Behavior modification: Hoofdstuk 10 Deck (12)
Loading flashcards...
1
Q

Fading

A

Als een langere periode met intense begeleiding gewerkt wordt aan controle over een stimulus. Door middel van opeenvolgende stapjes zal er een geleidelijke verandering plaats vinden in de antecedent stimulus die een reactie stuurt, zodat de respons uiteindelijk ontstaat aan een gedeeltelijk gewijzigd of geheel nieuwe prikkel.

Bijvoorbeeld:

  • Kind wilt geen broccoli eten. Daarom geef je allereerst broccoli met appelmoes (10%/90%). Elke keer stop je er iets meer broccoli bij.
  • In de klas: 5 + 2 = … Kind weet het niet direct, daarom ondersteund de leerkracht dit met een hint (op vingers laten zien). Deze hints zijn allemaal prompts.
2
Q

Errorless discriminatie training (errorless learning)

A

Het gebruik van een fading procedure om discriminatie stimulans te ontwikkelen zodat er geen fouten optreden.

3
Q

Scaffolding

A

Met behulp van hulpmiddelen ervoor zorgen dat het kind het uiteindelijk zelfstandig kan (net zoiets als prompts).

4
Q

Prompt

A

Dit is een extra stimulus voor het creëren van het gewenste gedrag. Bijvoorbeeld: een leraar die zegt ga nu allemaal op je stoel zitten en zelf het voorbeeld geeft door op zijn stoel te gaan zitten. Dat is dan een extra stimulus voor kinderen om te weten wat ervan ze wordt verwacht. Prompts zijn onder te verdelen in instruerend gedrag als prompt en omgevingsveranderingen als prompts.

5
Q

Instruerende prompts

A

Geven een instructie.

6
Q

Fysieke prompts

A

consequent aanraken en begeleiden bij de taak. Bijvoorbeeld: leerlingen helpen om een cirkel over te trekken.

7
Q

Signaal prompts

A

Het maken van signalen bij een opdracht. Bijvoorbeeld: een leraar voor de klas wil dat de leerlingen zachter praten en zal naast dat hij dit zegt, armbewegingen naar beneden kunnen maken. Kinderen weten dan dat ze rustiger moeten zijn.

8
Q

Modeling prompts

A

Het voordoen van het gewenste gedrag. Bijvoorbeeld: een golfinstructeur doet voor hoe je de golfclub vast moet houden.

9
Q

Verbale prompts

A

Het geven van de opdracht door middel van praten. Bijvoorbeeld: een leraar die zegt: ‘leg allemaal je handen op je hoofd’. Bij het geven van opdrachten kan je gebruik maken van verschillende prompts tegelijkertijd.

10
Q

Omgevingsverandering als prompts

A

Veranderingen in de omgeving zodat het en gewenst gedrag zal stimuleren.

11
Q

Extra stimulus als prompts

A

is iets dat is toegevoegd aan de omgeving om het gewenste gedrag te stimuleren.

12
Q

Within stimulus prompt

A

is een verandering van SD of S∆ zodat ze beter op te merken zijn en daardoor gemakkelijker te discrimineren van elkaar.