College 1 Flashcards

1
Q

Wat is de neurocognitieve benadering?

A

In experimenten meten we brein activiteit (gecorreleerd met gedrag)

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
2
Q

Cognitieve benadering

A

In experimenten meten we gedrag

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
3
Q

Gedistribueerde processen

A

Een gebied opzichzelf doet niks; een gebied is altijd betrokken bij een netwerk

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
4
Q

Extrastriate body area (EBA)

A

Deel van de visuele cortex voor visuele perceptie van het menselijk lichaam en lichaamsdelen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
5
Q

Fusiform face area (FFA)

A

Het gebied in de hersenen dat betrokken is bij alles waar je expertise in hebt

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
6
Q

Parahippocampal place area (PPA)

A

Een gebied in het brein dat actief wordt wanneer je naar spatiële/ruimtelijke lay-outs kijkt (bv. naar een huis)

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
7
Q

BOLD

A

Blood-oxygen-level dependent. We kunnen niet goed meten wanneer een proces plaatsvindt maar wel waar het plaatsvindt. Lage temporeel maar hoge spatieel

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
8
Q

Sparse coding

A

Een klein aantal neuronen codeert d.m.v. een patroon van activatie voor ieder persoon/object. Vergelijkbaar met populatie coding, maar mogelijk nog efficiënter

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
9
Q

Populatie coding

A

Een groot aantal neuronen codeert d.m.v. een patroon van activatie voor ieder persoon/object.
Niet zo kwetsbaar en efficiënter dan specifity coding

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
10
Q

Specifity coding

A

Een neuron staat voor een persoon (“grandmother cell”).
Zeer onwaarschijnlijk: kwetsbaar en inefficiënt.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
11
Q

Bij welk type metingen wordt Donders’ substractiemethode vaak gebruikt?

A

fMRI en reactietijden

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
12
Q

Wat zou op de lange termijn leiden tot superieure geheugenwerking?

  1. De tekst meerdere keren herlezen in de weken voor het examen.
  2. Verschillende oefentoetsen maken in de weken voor het examen.
A

Verschillende oefentoetsen maken in de weken voor het examen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
13
Q

Tot welk model behoort het volgende: “Informatie uit onze zintuigen gaat van onze zintuiglijke organen naar het kortetermijngeheugen en wordt daarna opgeslagen in ons langetermijngeheugen.”

  1. Verwerkings modellen
  2. Resource modellen
  3. Structurele modelle
A

Verwerkingsmodel

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
14
Q

Tot welk model behoort het volgende: “We negeren vaak meerdere stukken informatie uit onze omgeving, omdat het kortetermijngeheugen slechts vijf tot negen items kan vasthouden.”

A

Resource model

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
15
Q

Tot welk model behoort het volgende: “Taalvaardigheid wordt specifiek met de linker hemisfeer en de temporaalkwab geassocieerd.”

A

Structureel model

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
16
Q

EEG

A

Elektrische signalen op de hoofdhuid

17
Q

Elektrische signalen op de hoofdhuid

A

EEG

18
Q

Elektrische pulsen van een neuron

A

Eencellige opname

19
Q

Eencellige opname

A

Elektrische pulsen van een neuron

20
Q

Welke methode maakt gebruik van de magnetische eigenschappen van het bloed

A

fMRI

21
Q

fMRI

A

Maakt gebruik van de magnetische eigenschappen van het bloed

22
Q

Bij welke methode hoort magnetische stimulatie van de cortex?

A

Transcranial Magnetic Stimulation (TMS)

23
Q

TMS

A

Dankzij de non-invasieve methode van transcranial magnetic stimulation (TMS) kunnen we bepaalde hersengebieden stimuleren of inhiberen. Dit gebeurt door een magnetische veld stimulator (coil) bij het hoofd van een person te houden.

TMS is gebruikt om cognitieve functies in kaart te brengen en om in te grijpen in cognitieve processen.

24
Q

Vergeleken met EEG heeft fMRI een (1) … spatiele resolutie en een (2) … temporale resolutie

A

(1) hoge; (2) lage

25
Q

Waar of niet waar:
Een eigenschap van populatie codering is dat …
1. Één “cel” deel kan uitmaken van verschillende netwerken
2. Een object typisch gerepresenteerd wordt door de activatie van veel “cellen”

A

Zowel 1 als 2 is waar

26
Q

Broca’s gebied

A

Moeite met taalproductie (syntaxis)

27
Q

Wernicke’s gebied

A

Moeite met taalbegrip (semantiek)