Hoofdstuk 5: Kringlopen en Bbp Flashcards
(41 cards)
BBP/GDP omschrijving
bruto binnenlands product/gross domestic product
= de waarde van de totale stroom afgewerkte goederen en diensten die de economie van een land/gebied produceert over een periode van een jaar
(meten van bpp stelt ons in staat om te achterhalen of onze economie groeit of krimpt en de oorzaken daarvan achterhalen)
factoren die de grootte van de economische activiteit bepalen
- aanbodfactoren (supply-side)
- vraagfactoren (demand-side)
aanbodfactoren
heeft een effect op productiecapaciteit
= factoren die de hoogte van de productiecapaciteit bepalen zijn structurele- of langetermijnfactoren vb. bevolkingsgroei, kapitaal, technologische ontwikkelingen, onderwijs,…
(deze factoren veranderen niet in 1 dag)
vraagfactoren
zijn van conjuncturele aard, de hoogte van de vraag komt van gezinnen, bedrijven, overheid, buitenland,…
(is wel sneller te wijzigen op korte termijn)
indicatoren vanuit verschillende invalshoeken
= verschillende invalshoeken waarop het bbp bekeken wordt:
- nominale bbp/bbp in lopende prijzen
- reële bbp/bbp naar volume
- bbp per capita
- groene bbp
- HDI
nominale bbp/ bbp in lopende prijzen
= goederen en diensten die geproduceerd zijn in periode x worden gewaardeerd a.d.h.v lopende prijzen in periode x (wanneer de hoeveelheid goederen en diensten OF de prijzen veranderen, zal het nominale bbp ook veranderen)
> > de totale geproduceerde goederen diensten van een periode vergelijken met de prijzen die op dat moment in die periode (jaar) tellen»
reële bbp/ bbp naar volume
= geproduceerde goederen en diensten in periode x worden gewaardeerd a.d.h.v prijzen in een bepaalde basisperiode (kettingeuro’s)
> > de prijzen van een bepaalde basisjaar (constante prijzen) vergelijken met de geproduceerde goedere en diensten van een periode
(bij basisperiode is nominale bbp gelijk aan reële bbp)
bbp per capita
= per inwoner wordt bbp vergeleken over de landen heen
een land met veel inwoners heeft automatisch een veel hoger bbp, daarom wordt het bbp per capita (per hoofd) berekent om te zien hoe welvarend de inwoners zijn
groene bbp en HDI
bbp heeft beperkingen, houdt geen rekening met vervuiling (groene bbp), grootte van de bevolking (bbp per capita), welzijn (HDI) en activiteiten zoals thuisarbeid en vrijwilligerswerk
groene bbp= verandering in de kwaliteit van het leefmilieu
HDI= human development index
verwerkt indicatoren over welzijn (gezondheid, onderwijs, levenskwaliteit,…)
economische kringloop
= zijn schematische weergave van de goederen- en geldstromen in een land of regio (macro-economisch niveau)
geld en goederenstroom tussen economische actoren worden in kaart gebracht
helpt ons bij
- economische groei en recessie verklaren
- het bbp te meten
basis economische kringloop
Y: inkomen
C: consumptie
twee stromen: geldstroom en goederenstroom
hier geldt dus Y=C, nationale inkomen wordt volledig geconsumeerd/besteed
injecties en lekken
lekken: geld dat ‘verdwijnt’
S= sparen
T= belastingen
M= import
injecties: extra geld komt in onze economie
I= investeringen
G= government spending
X= export
(X - M) = netto export
bestedingsvergelijking
G>T begrotingstekort
Y= C+S
Y= C+I
S=I
evenwicht: (S - I) + (T - G) = (X - M)
(S - I) = particulier spaarsaldo
(T - G) = overheidssaldo
(X - M) = saldo op de lopende rekening
open kringloop met de overheid, de banken en het buitenland: economische agenten
- de huishoudens
- de ondernemingen
- de banken
- de overheid
- het buitenland
macro-economisch evenwicht
injecties > lekken = economische activiteit stijgt
injecties < lekken = economische activiteit daalt
injecties = lekken = economische activiteit is in evenwicht
het bbp meten: op drie manieren
via de
1) consumptiebenadering
2) inkomensbenadering
3) productiebenadering
— zelfde resultaat, maar niet op het zelfde moment, na verloop van tijd (ex post) zijn ze aan elkaar gelijk
= ex post zijn alle waarden gelijk
de consumptiebenadering
= som van de waarde van alle finale goederen
= bij consumptiebenadering is bbp gelijk aan de som van alle uitgaven
» Y= C + I + G + X - M
de inkomensbenadering
= som van lonen, winst en indirecte belastingen
(om Y te berekenen)
hoeveel er wordt verdient
de productiebenadering
= som toegevoegde waarden van alle bedrijven en de overheid
= Bruto Toegevoegde Waarden (BTW) van een bedrijf in de bedrijfskolom
= de marktprijs - aankoopprijs
vb. voor de bakker is het 800, voor de maalderij van graan is het 750
BTW en NTW
bruto toegevoegde waarde is de marktprijs min de aankoopprijs
netto toegevoegde waarde is de bruto toegevoegde waarde min de afschrijvingen (boekhouden: economische levensduur van bepaalde middelen)
Keynesiaans kruis
dit model werkt in een dynamische omgeving waarin verschillende periodes elkaar opvolgen
ex post: na de periode
ex ante: de verwachtingen/wensen van de economische actoren voor de periode
de effectieve vraag (EV)
EV= totale vraag van alle actoren
EV= C + I + G + (X - M)
C= consumptiefunctie
I= investeringsvergelijking
G= overheidsuitgaven
(X - M)= netto export - saldo op de lopende rekening
effectieve vraag: de consumptiefunctie (C)
= totale consumptie wordt bepaald door inkomen (Y), want consumenten kunnen enkel uitgeven wat ze verdienen
wiskundig: c = f(y) de hoogte van de totale consumptie is een functie van het inkomen»positieve relatie tussen de hoogte van het inkomen en de consumptie
marginale consumptiequote: bepaalt hellingsgraad
autonome consumptie: bepaalt snijpunt met de Y-as
! zie formules in cursus
effectieve vraag: de investeringsvergelijking
soorten investeringen
- vervangingsinvesteringen: het aanschaffen van kapitaal goederen door slijtage, lopen via financieringen en worden in kosten genomen via de afschrijvingen
- uitbreidingsinvesteringen: twee types, doel om productiecapaciteit uit te breiden
a) breedte-investeringen: ondernemings investeert in bijkomende kapitaalgoederen waarbij verhouding kapitaal en arbeid zelfde blijven
b) diepte-investeringen: er worden ook hier nieuwe kapitaalgoederen aangeschaft, maar ook kapitaalintensiteit wordt verhoogd - voorraadinvesteringen: investeren in de voorraad