Les 2 Flashcards

1
Q

Wat is antigeniciteit?

A

reactiviteit tussen antigen en antilichaam

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
2
Q

wat doet formalyne bij fixatie?

A

crosslinks (waterstofbruggen) maken tussen eiwitten

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
3
Q

wat zijn de stappen van fixatie tot de coupes laten drogen ?

A

fixatie → dehydieren met formalyne → clearing (van alcohol naar parrafine )→Embedden → snijden Met microtoom → strekken bij 45 °C → plakken → drogen in oven overnacht 45 °C

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
4
Q

welke stappen zijn er na het drogen in de oven tot het bekijken onder de microscoop?

A

Deparrifineren →rehydreren→ kleuren →dehydreren → insluiten met permount→ bekijken

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
5
Q

wat is in vivo?

A

in het lichaam

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
6
Q

Wat is in Vitro?

A

buiten het lichaam

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
7
Q

waneer heb je een beterere solutie?

A

bij een kleinere golflengte

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
8
Q

Welke weefsels hebben een orientatie?

A

De darmen, huid en bloedvaten

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
9
Q

wat doe je als je een weefsel zonder kleuring bekijkt?

A

condensor helemaal omlaag

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
10
Q

wanneer gebruik je een Dunne coupe?

A

Als je een hooge resolutie wilt bijv. voor localiseren van antilichamen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
11
Q

wat is APA?

A

amino peptidase-A

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
12
Q

Wat gebeurt er bij de directe methode?

A

Blocken EA APA met antilichaampjes
Hogere bloeddruk en uitwisseling podocyten

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
13
Q

Kenmerken monoklonale antilichamen?

A

Zijn gericht op een epitoop specifiek
Word gemaakt in kweekmedium

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
14
Q

Kenmerken polyklonale antilichamen?

A

Kunnen op meerdere epitopen, gemaakt in groot dier dusdanig meer van gemaakt want meer bloed is meer plasma

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
15
Q

Wat is het Nefron?

A
  • glomerulus
    -proximale tubulus
  • distale tubulus
    -henles loop
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
16
Q

Wat zie je in de lever hoe je hem ook aansnijd?

A

Een leverlobje