Les 5-9 Flashcards Preview

zorg en welzijn > Les 5-9 > Flashcards

Flashcards in Les 5-9 Deck (34)
Loading flashcards...
1
Q

essentialistische visie

A

veel groepen worden essentialistisch voorgesteld als gegeven, aangeboren, natuurlijk. Een kenmerk van een groep en zijn individuen blijven onveranderlijk over levenscategorieën en geschiedenis. Bv: de Vlaamse identiteit volgens het Vlaams Belang is onveranderlijk.

2
Q

constructivistische visie

A

sluit meer aan bij de werkelijkheid. Een identiteit kan heel sterk vergeleken worden met plasticine. Het is kneedbaar op een manier die je zelf wilt, en je kan deze met elkaar vermengen. Verschillende soorten kunnen samen gekneed maken tot iets wat een vrouw uniek maakt. Een identiteit is iets wat sociaal gemaakt wordt.

3
Q

2 dimensies van groepsconstructie

A

1) symbolische dimensie: “wij vs zij” Er wordt een grens tussen wij en zij. Jezelf definiëren door de anderen te definiëren.
2) gedragsmatige dimensie: Geconstrueerde groepsgrenzen worden vaak gedragsmatig ingevuld omwille van de gevolgen. Hierdoor LIJKEN ze dus aangeboren. Deze zijn dus gekoppeld aan de symbolische dimensie.

4
Q

culturele hegemonie

A

Binnen een groep zijn vaak verschillende meningen, maar niet iedereen heeft evenveel macht om zijn mening te laten gelden. Vaak is dit omdat zij de culturele productiemiddelen in handen hebben om die ideeën te gaan verspreiden. Minderheidsgroepen gaan zo soms zelf de normen interpreteren over hoe zij zouden moeten zijn

5
Q

minderheidsstress

A

doordat minderheidsgroepen constant worden geconfronteerd met discriminatie, uitsluiting, anders-voelen hebben zij veel last van minderheidsstress en dit heeft impact op het mentaal welbevinden.

6
Q

coming in

A

een netwerkje vormen waarin zij normaal zijn. Bv: homobars, veel holebi vrienden. Dit fungeert als een veilige ruimte waarin ze zich niet anders voelen. MAAR ook onder holebi’s is er homonormativiteit: ook onder holebi’s is er een norm, waardoor sommige homo’s die hiervan afwijken worden gestigmatiseerd.

7
Q

intersectionaliteit

A

de positie op 1 as geeft een invloed op je positie op de andere as. Daarom moeten de verschillende onderdrukkingsmechanismen samen worden aangepakt.

8
Q

4 basisprincipes van bio-ethiek

A

Autonomie = niet meer weg te denken.

Justice = alle mensen op dezelfde manier behandelen, op een rechtvaardige manier  

Beneficience = het nut hebben ( bepaalde medische behandeling moet nut hebben, overbehandeling zijn strijdig, met het nut van een bepaalde handeling )  

Non male ficience = het niet schade toebrengen. Kern van de medische deontologie (geen schade toebrengen aan mensen)
9
Q

holisme

A

mens bekijken in één geheel ( als je zegt pijn aan rug => niet enkel kijken naar rug op zich, maar in rekening brengen dat hij heel veel werkt, … )

10
Q

habitus

A

brengt structuur en agency samen via collectieve strategieën, een gedeelde manier waarop groepen en individuen met een gelijkaardige achtergrond zich gedragen.

11
Q

perceived seriousness

A

de mate waarin je denkt dat een ziekte een serieuze ziekte is.

12
Q

perceived suspectibility

A

de mate waarin je denkt gevoelig te zijn voor een ziekte. Sommige mensen gaan bv ontkennen/minimaliseren dat ze besmet kunnen worden door bepaalde ziektes.

13
Q

perceived threath

A

Mate waarin je zelf inschat dat wat je hebt een erge ziekte is en de mate waarin je denkt dat je eraan gevoelig bent. Indien de perceived threat hoog is => individu zal meer geneigd zijn gezonde levensstijl aan te nemen, bv. Naar de dokter gaan…

14
Q

perceived benefits

A

Gaat over het idee van het individu over de effectiviteit van de behandeling/interventie. Indien een individu denkt dat de interventie effectief zal zijn, is de kans ook groter dat hij/zij de interventie zal ondergaan.

15
Q

perceived barriers

A

Zelfs indien iemand een ziekte als levensbedreigend inschat, en indien hij/zij gelooft dat een interventie zal helpen, dan nog kan hij/zij geen hulp zoeken tgv deze barrieres.

16
Q

modifying variables

A

1) Sociaal-demografische kenmerken: leeftijd, geslacht, etniciteit, opleiding,…
2) Structurele kenmerken
3) Psychosociale variabelen: persoonlijkheid, peer group pressure
- -> Het health belief model gaat ervan uit dat deze modifying variables enkel een indirect effect hebben op gezondheidsgedrag (via perceived benefits, barriers, en threat).

17
Q

self-efficiacy

A

de perceptie van het individu over zijn of haar mogelijkheid om het gedrag succesvol te vervullen

18
Q

Anderson’s model

A
  • predisposing
  • enabling
  • need
19
Q

crowding out hypothese

A

informele zorg houdt mensen weg van formele zorg.

20
Q

crowding in hypothese

A

informele zorg stimuleert het gebruik van formele zorg. Zorg is ‘leuker’ geworden omdat je niet meer ALLE zorg moet doen. Mensen gaan veel meer genieten van de zorg, omdat ze niet meer het gevoel hebben dat ze MOETEN zorgen. Mensen die in een land wonen waar de overheid een groot deel van de zorg overneemt, stimuleren mantelzorgers om méér zorg op te nemen.

21
Q

network episode model

A

De sociale context, het sociale netwerk waar je in zit gaat bepalen of je een ziekte hebt, welke zorgverlener je contacteert, …
=> Focus op sociaal netwerk (structuur, functie, inhoud) => sociale invloed/controle/dwang

22
Q

Odo Marquard

A

In de pre-moderne tijd was er veel ziekte en lijden, waar men niets aan kon doen. Men zag dit als een straf van God, een lot dat ze aanvaarden. Naarmate er meer technologie kwam, nam het lijden en de ziekten af en geloofde men veel meer in de maakbaarheid van het leven en de mens. => mensen moeten eerst zien dat iets beter kan, voordat men gaat geloven dat het ook anders kan. zo komt men in opstand tegen het eigen lot.
= de wet van de toenemende ergernis: vanaf dat mensen autonoom over hun leven kunnen beschikken, gaan ze er alles aan doen om vanuit die autonomie hun leven gestalte te geven
=> pure autonomie, in spanningsveld met heteronomie

23
Q

Jean-luc Nancy

A

In de moderne wereld komt de autonome mens steeds in aanraking met heteronomie (afhankelijkheid van anderen). Pure autonomie is onhaalbaar
=> synthese tss heteronomie en autonomie

24
Q

negatieve vrijheid

A

Je autonomie en vrijheid is het hoogste goed en niemand kan dit belemmeren. Jou vrijheid/belang staat dan altijd tegenover die van de andere
= ENG

25
Q

positieve vrijheid

A

Je kan pas vrij zijn bij bepaalde voorwaarden. Je hebt daarom andere nodig om vrij te zijn (randvoorwaarden)
= RUIM

26
Q

enge autonomie (individueel onafhankelijk)

A

Je bent een volledig onafhankelijk, rationeel beslissend wezen (leidt tot sterke tegenstelling en uitsluiting van heteronomie en autonomie)

27
Q

ruime autonomie (relationeel afhankelijk)

A

Individu kan enkel keuzes maken vanuit een sociale omgeving, die mee over die keuzes beslissen. (leidt tot een opvatting va heteronomie en autonomie gradueel zijn en elkaar niet uitsluiten)

28
Q

frailty

A

= kwetsbaarheid, broosheid. Je gaat uit van autonomie, maar binnen bepaalde grenzen.

29
Q

Gezondheid volgens illich

A

= de omstandigheden die de kwaliteit van het proces van doodgaan bepalen. Bespreekt dood als een sociale constructie en het probleem van de promotie van gezondheid in de context van dood en doodgaan.

30
Q

heroïsche dood en bewustzijn

A

Een persoon die doodgaat die hard gevochten heeft en zelf de beslissing heeft gemaakt om te sterven, wordt omschreven als heroïsche en niet als iets waar we ons over moeten schamen. Hiervoor is bewustzijn een belangrijk element!

31
Q

waardigheid en controle

A

De stervende persoon mag geen pijn hebben/niet lijden, om op die manier bewust te zijn en autonome beslissingen te kunnen maken om op een waardige manier te sterven.

32
Q

zichtbaarheidsmanagement

A

zijn of haar seksuele voorkeur in een verscheidenheid van sociale situaties al dan niet bekend maken

33
Q

discriminatiemanagement

A

het anticiperen en het omgaan met vooroordelen en discriminatie

34
Q

coping

A

Coping heeft te maken met het door het individu reguleren van psychologische en fysiologische processen in stresserende omstandigheden