module 1,2 & 3 Flashcards

(79 cards)

1
Q

grootheid

A

is een eigenschap dat bepaald wordt uit meting van iest dat je kunt meten

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
2
Q

basisgrootheden

A

massa,lengte, tijd,…

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
3
Q

afgelegde grootheid

A

zijn grootheden die afgeleid zijn van de basisgrootheden

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
4
Q

afgelegde eenheid

A

zijn eenheden die afgelegde zijn van de Si- een heden

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
5
Q

lengte (symbool)

A

l

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
6
Q

massa (symbool)

A

m

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
7
Q

tijd (symbool)

A

t

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
8
Q

stroomsterkte (symbool)

A

l (kliene L)

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
9
Q

absolute temperatuur (symbool)

A

T

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
10
Q

lichtsterkte (symbool)

A

l (kliene L)

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
11
Q

hoeveelheid stof (symbool)

A

n

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
12
Q

meter (symbool)

A

m

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
13
Q

seconde (symbool)

A

s

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
14
Q

Kelvin(symbool)

A

K

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
15
Q

kilogram (symbool)

A

kg

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
16
Q

ampère (symbool)

A

A

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
17
Q

candela (symbool)

A

cd

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
18
Q

mol (symbool)

A

mol

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
19
Q

snelheid (symbool)

A

v

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
20
Q

oppervlakte (symbool)

A

A

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
21
Q

volume (symbool)

A

V

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
22
Q

kracht (symbool)

A

F

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
23
Q

meter/seconde (symbool)

A

m/s

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
24
Q

vierkante meter (symbool)

A

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
25
kubieke meter (symbool)
26
newton (symbool)
N
27
mega (symbool)
M
28
tera (symbool)
T
29
giga (symbool)
G
30
hecto (symbool)
h
31
deca (symbool)
da
32
micro (symbool)
µ
33
pico (symbool)
p
34
nano (symbool)
n
35
kilo (symbool)
k => 10³
36
milli (symbool)
m
37
centi (symbool)
c
38
deci (symbool)
d
39
massa def
de hoeveelheid materie waaruit de stof uit bestaat
40
volume def
is hoeveel ruimte dat de voorwerp inneemt
41
massadichtheid van de stof
is de verhouding m/v
42
massadichtheid (symbool)
ρ = m/v
43
Kracht
Is een vetoriële grootheid en heeft een grootte, richting, zin en aangrijpingspunt
44
Door wat wordt de kracht voorgesteld
F ( force )
45
de krachtvector wordt voorgesteld
F met een pijltje er boven (->)
46
contactkracht
is een rechtstreekse kracht contact met een voorwerp
47
veldkracht
is geen rechtstreeks contact met het voorwerp, deze kracht werkt op afstand
48
statische effect
vervorming van een voorwerp
49
dynamische effect
bewegingstoestand van een voorwerp verandert
50
zwaartekracht
is de kracht waarmee de aarde voorwerpen aantrekt
51
formule zwaarte kracht
g = m . Fz
52
normaalkracht
is de ondersteunde vlaken staat hier loodrecht
53
formule normaalkracht
Fn = Fz
54
wrijvingskracht
is de kracht die onstaat door wrijving
55
formule statische wrijvingskracht
Fw, max = µ . Fn (=Fz)
56
statische wrijvingkracht
als Fw < F (statische wrijvingskracht) -> beweging Fw is de recht even redig verband met de Fn ( normaal kracht )
57
dynamische effect
als 2 voorwerpen over elkaar schuiven Fw is rechtevenredig met de normaal kracht (Fw ~ Fn)
58
formule dynamische wrijving
Fw = μ . Fn (=Fz)
59
resulteerende kracht
is alle krachten samen opgeteld
60
een voorwerp in rust
a) Fr = 0N <=> in rust b) Fr ≠ 0N <=> bewegingsverandering (snelheidsverandering)= versnellen
61
een voorwerp in beweging
a) Fr = 0N <=> ERB (eenparige rechtlijnig) = een beweging op rechte baan aan een constante snelheid b) Fr ≠ 0N bewegings verandering (snelheids verandering) -> versnellen, vertragen, bochtnemen
62
positie (symbool)
x
63
positie (eenheid)
meter (m)
64
tijdstip (symbool)
t
65
tijdstip ( eenheid)
seconde (s)
66
verplaatsing (symbool)
Δx
67
verplaatsing ( eenheid)
meter (m)
68
verplaatsing van een tijdsinterinval
is de verandering van de positie in dat tijdsinterval , kan positief als negatief.
69
formule (symbool)
Δx = v eind – v begin
70
afgelegde weg
is de afstand langs de gevolgde baan , is altijd positief.
71
het tijdverloop
is de tijd die nodig om de afgelegde weg te doorlopen
72
snelheid
is een vectoriële kracht
73
snelheid (symbool)
v
74
snelheidsvector
v met een pijl boven
75
de gemiddelde snelheid formule
vgem = Δx/Δt
76
ERB
eenparige rechtlijnige beweging = op een rechte baan met een constante snelheid
77
Voor een ERB is de verplaatsing Δx recht evenredig met het overeenkomstig tijdsinterval Δt
Δx ~ Δt
78
gemiddelde snelheid
Vg ten opzichte van de x-as in het interval Δt
79
ogenblikkelikke snelheid
is v de grootte van snelheid op een bepaalde ogenblik => is een oneidige kleine tijds interval