negels 2 Flashcards Preview

Engels > negels 2 > Flashcards

Flashcards in negels 2 Deck (129):
1

Oma

Gran

2

avontuur

adventure

3

ongeveer

about

4

zich herinneren

to remember

5

gisteren

yesterday

6

liften

to hitchhike

7

luxe

luxury

8

sportwagen

sports car

9

geweldig

wonderfull

10

balkon

balkony

11

zwembad

swimming pool

12

de hele nacht

all night

13

motor

motorbike

14

schitterend

glorious

15

landschap

scenery

16

ongeloofelijk

incredible

17

verhaal

story

18

romantisch

romantic

19

overdrijven

to exaggerate

20

zich voorstellen

to imagine

21

waarschijnlijk

probably

22

gast

guest

23

zich houden aan

to keep to

24

verleden

`past

25

cursus

course

26

menselijk

human

27

skelet

skeleton

28

opgraven

to dig up

29

christelijk

Christian

30

begraafplaats

graveyard

31

Pasen

Easter

32

mogen

to be allowed to

33

geslacht

sex

34

ziekte

illness

35

lijden aan

to suffer from

36

man

male

37

gebot

teeth

38

meten

to measure

39

heup

hip

40

bot

bone

41

gat

hole

42

rug

back

43

schedel

skull

44

zwaard

sword

45

slag

blow

46

oog in oog

face to face

47

voorouder

ancestor

48

overblijfselen

remains

49

bouw

bild

50

doodsoorzaak

cause of death

51

eeuw

century

52

uitleg

explanation

53

oorspronkelijk

originally

54

krijger

warrior

55

visser

fischerman

56

iemand gek maken

to drive someone mad

57

overschrijven

to copy

58

ontwikkelen

to develop

59

taal

language

60

wapen

weapon

61

binnenvallen

to invade

62

lan

country

63

misschien

perhaps

64

dagdromen

to daydream

65

Scandinavië

Scandinavia

66

in plaats daarvan

instead

67

feit

fact

68

aan komen rijden

to wheel up

69

soms

sometimes

70

lonen

to pay

71

geleden

ago

72

oorlog

war

73

bevel geven tot

to order

74

wegsturen

to pack off

75

uitzenden

to broadcast

76

naar school gaan

to attend school

77

onder ogen zien

to face

78

discipline

discipline

79

gesscheiden

separated

80

verward

confused

81

heimwee hebben

to be homesick

82

bezitting

possession

83

herinnering

memory

84

masker

mask

85

reserve-

spare

86

speelgoedauto

toy car

87

reep

bar

88

zenuwachtig

nervous

89

snoepwinkel

sweet shop

90

vliegtuig

air plane

91

dapper

brave

92

evacuatie

evacuation

93

worden ontdaan van

to be stripped of

94

wachttoren

watch tower

95

zijn

to be
was/were

96

worden

to become
became

97

kopen

to buy
bought

98

vangen

to catch
caught

99

komen

to come
came

100

doen

to do
did

101

drinken

to drink
drank

102

rijden

to drive
drove

103

eten

to eat
ate

104

vallen

to fall
fell

105

(zich) voelen

to feel
felt

106

vinden

to find
found

107

vergeten

to forget
forgot

108

krijgen/worden

to get
got

109

geven

to give
gave

110

gaan

to go
went

111

hebben

to have
had

112

houden

to keep
kept

113

weten

to know
knew

114

verlaten/weggaan

to leave
left

115

maken

to make
made

116

ontmoeten

to meet
met

117

lezen

to read
read

118

rennen

to run
ran

119

zeggen

to say
said

120

zien

to see
saw

121

zitten

to sit
sat

122

slapen

to sleep
slept

123

nemen

to take
took

124

leren/onderwijzen

to teach
taught

125

vertellen

to tell
told

126

denken

to think
thought

127

begrijpen

to understand
undersood

128

dragen

to wear
wore

129

shrijven

to write
wrote