SPL Marketing Basis Flashcards Preview

SPL Marketing Basis > SPL Marketing Basis > Flashcards

Flashcards in SPL Marketing Basis Deck (115)
Loading flashcards...
1

Een product bestaat uit 3 lagen / schillen. Welke 3 lagen als je het fysieke product als uitgangspunt pakt.

Fysiek product: technische eigenschappen Uitgebreid product : fysieke product + eigenschappen de de aanbieder er aan toevoegt bijv. merk, garantie en service Totaal product: uitgebreide product + hoe de consument er naar toe kijkt

2

Wat is het uitgebreid product?

Fysieke product + service, garantie, verpakking en merk

3

Wat is het fysiek product?

De technische eigenschappen: gewicht, samenstelling, materiaal

4

Wat is het totaal product?

Het uitgebreide product + de afgeleide eigenschappen ofwel hoe de consument tegen het product aankijkt. Geeft het product status?

5

Wat is garantie?

Aanbieder van een product stelt zich gedurende een bepaalde periode garant voor de gebreken van dat product (of onderdelen daarvan)

6

Noem 6 functies van de verpakking.

commerciële -, technische -, beschermende - en informatiefunctie. Ook herkenning en beroep op emotie (emotional appeal) zijn functies.

7

Welke soorten goederen onderscheidt Copeland en wat is zijn criterium?

Convenience goods: merk gamaksfunctie

Shopping: merk minder belangrijk

Specialty: merk zekerheidsfunctie

Unsought goods

Copeland kijkt naar de moeite die een consument wil doen bij de aanschaf.

8

Welke twee soorten unsought goods zijn er?

Regular unsought goods zoals verzekeringen en new unsought goods, goederen die de consument niet kent.

9

Is er verband tussen de goederenindeling van Copeland en de distributie-intensiteit?

Ja, convenience goods worden vaak intensief gedistribueerd, shopping goods selectief en specialty goods exclusief.

10

Wat is een substituut?

Een goed dat in de zelfde behoefte voorziet als een ander goed. De Ek is positief. Vakantie naar Spanje of naar Italië. Spanje wordt duurder (+) en de hoeveelheid reizen naar Italië neemt toe (+). +/+ = +

11

Wat is een complementair goed?

Een goederen die (noodzakelijkerwijs) in aanvulling op elkaar gebruikt worden. De Ek is negatief. Reizen en koffers. Reizen worden duurder(+) dus worden er minder koffers verkocht (-). +/- = - (-/+ = ook -)

12

Noem de dimensies van het assortiment.

Breedte, diepte, hoogte, lengte en consistentie.

13

Wanneer is een assortiment breed?

Als het veel artikelgroepen bevat bijv. kleding, schoenen, huishoudelijke artikelen, parfumerie etc.

14

Wanneer is een assortiment diep?

Als er per artikelgroep veel keuze is. In de artikelgroep soep zijn er 120 varianten te koop.

15

Wanneer is een assortiment hoog?

Als het gemiddeld prijsniveau hoog is.

16

Wanneer is een assortiment consistent?

Als er samenhang tussen de artikelgroepen bestaat.

17

Welke soorten consistentie of samenhang zijn er?

Koopverwantschap, productieverwantschap, consumptie- of gebruiksverwantschap.

18

Wat is line-extension? (lijnextensie)

Vorm van merkontwikkeling met bestaande productcategorie met een bestaande merknaam. Lays Pringles als uitbreiding op Lays Chips.

19

Wat is brand-extensie (merken extensie)

Vorm van merkontwikkeling met nieuwe productcategorie met een bestaande merknaam. Durex disco-light als aanvulling op het reguliere assortiment. .

20

Wat is multibranding?

Een bestaande productcategorie uitbreiden met een nieuw merk. Philips verkoopt naast Philips audio ook Marantz audio.

21

Wat is een merk?

Merk teken, naam etc. dat een producten onderscheidt

22

Wat is merkenvoorkeur?

Men kiest vaak voor hetzelfde merk.

23

Wat is merkentrouw?

Men koopt gedurende langere tijd hetzelfde merk.

24

Wat is actieve merkenbekendheid?

Bij het noemen van een productgroep wordt een product gekocht. Noem een merk auto's. Antwoord: Mercedes.

25

Andere term voor actieve merkenbekendheid?

Spontane merkenbekendheid.

26

Wat is passieve of geholpen merkenbekendheid?

Bij het noemen van een merknaam weet de ondervraagde om welke productgroep het gaat.

27

Wat is top-of-mind bekendheid?

Het merk met de hoogste spontane/actieve merkenbekendheid.

28

Noem 4 soorten merken

1. distribuantenmerk (huismerk), 2. fancy merk, 3. fabrikantenmerk, 4. global merk

29

Noem 2 soorten merkstrategie?

Individueel merk en paraplu merk.

30

Geef 3 soorten merken kijkend naar de positie op de markt.

A-merk, B-merk en C-merk.