vocabulary lesson 2 Flashcards
(73 cards)
1
Q
to ransom
A
losgeld eisen
2
Q
to lease
A
verhuren
3
Q
to head for
A
gaan naar
4
Q
to assemble
A
samenbrengen, verzamelen
5
Q
to elaborate
A
meer informatie geven over
6
Q
to command
A
bevelen
7
Q
to roam
A
rondzwerven
8
Q
to acquit (acquitted)
A
vrijspreken
9
Q
to repulse
A
afstoten
10
Q
to convert
A
bekeren
11
Q
to recount
A
vertellen
12
Q
to canonise
A
heilig verklaren
13
Q
to (be) scourge(d)
A
iemand geselend / gegeseld worden
14
Q
to maintain
A
onderhousen
15
Q
to worship
A
aanbidden
16
Q
an anchorage
A
een ankerplaats
17
Q
a clerck
A
een secretaris (schrijver)
18
Q
a cloth
A
laken, stof
19
Q
a wharf (warves)
A
werk, loskaai
20
Q
a grammar school
A
middelbare school (klassieke humaniora)
21
Q
arithmetic
A
rekenkunde
22
Q
a courtier
A
een hoveling (iemand die aan het hof leeft)
23
Q
a squire
A
een schildknaap
24
Q
wages
A
loon
25
a lady-in-waiting
een hofdame
26
customs
douane
27
a hide
een dierenvel, huid
28
a patron
een patroon, een beschermheer
29
justice of the Peace
een vrederechter
30
a (church)spire
een (kerk)toren
31
maintenance
onderhoud
32
an estate society
een standenmaatschappij
33
a gossip
een roddelaar
34
a chatterer
een babbelaar
35
chivalry
ridderlijkheid, ridderschap
36
a narrator
een verteller
37
an inn
een herberg
38
a predecessor
een voorganger, voorloper
39
sovereignty
oppermacht, opperheerschappij
40
mastery
meesterschap
41
a maiden
een meisje (een maagd)
42
a hag
een heks
43
a crone
een oud wijf
44
a heritage
een erfgoed
45
an abbot
een abt
46
a pagan
een heiden
47
a martyrdom
een marteldood
48
prosperity
voorspoed
49
a pilgramage
een bedevaart, pelgrimstocht
50
a pilgrim
een pelgrim
51
a martyr
een martelaar
52
an archbishop
een aartsbisschop
53
a shrine
een heiligdom, altaar, heilige plaats, schrijn
54
a tomb
een graf
55
a cross-section
een doorsnee
56
a prologue
een proloog, inleiding
57
an enchantment
een betovering
58
prosperous
welvarend
59
slender
mager, karig
60
medieval
middeleeuws
61
(un)flattering
(on)aantrekkelijk
62
witty
gevat, grappig
63
pious
vroom
64
fair
eerlijk en mooi
65
humble
nederlig
66
seething
heel erg kwaad, ziedend
67
pagan
heidens
68
papal
pauselijk
69
complicant
meegaand
70
boggy
moerassig
71
courtesy
hoffelijkheid
72
to grid yourself
je voorbereiden, je schrap zetten voor
73
reputedly
naar verluidt