Vragen Colleges Flashcards Preview

MWO 2 > Vragen Colleges > Flashcards

Flashcards in Vragen Colleges Deck (172)
Loading flashcards...
1

Wat is hemoptoë?

Bloed ophoesten

2

Wat is een goede methode om een onderzoeksvraag op te stellen?

PICOT

3

Wat leidt tot wat?
Determinant
Risicofactor
Voorspeller
Onafhankelijke variabele

Determinant ---> Uitkomstmaat

Risicofactor ---> (Ziekte)Uitkomst

Voorspeller ---> Uitkomstvariabele

Onafhankelijke variabele ---> Afhankelijke variabele

4

Wat is fundamenteel onderzoek?

Fundamentele wetenschap is het deel van de wetenschap dat zich richt op de grondbeginselen, basis mechanismen en theoretisch begrip

5

Wanneer wordt er aan proefdierenonderzoek gedaan? (3)

Bij complexe interacties
Geneesmiddelen
Vaccins

6

Wat zijn de 3 V's behorende bij proefdierenonderzoek? Wat betekenen ze? (3)

Vervanging (kan het anders?)
Vermindering (minder dieren)
Verfijning (minder ongrief)

7

Wat is een dichotome variabele?

Variabelen die 2 mogelijkheden hebben

8

Wat zijn dichotome + tijd variabelen?

Dichotome variabelen waarbij er informatie beschikbaar is over de tijd waarop de dichotome variabele plaatsvindt

9

Wat wordt er gemeten bij een cross-sectioneel cohort onderzoek?

Een groep mensen die op 1 moment geanalyseerd worden

10

Hoe schat men in statistiek?
(2)

Met effect en betrouwbaarheidsinterval

11

Hoe zie je of een verdeling normaal verdeeld is? (stap 1)

Maak histogram

12

Wat moet je gebruiken wanneer de ethische commissie vraagt hoeveel mensen je nodig hebt? (bij berekening)

De standaardfout van de uitkomstmaat

13

Wat betekent de 5-jaar overleving (uitkomstmaat)?

% overlevenden na 5 jaar

14

Wat betekent de fataliteit (uitkomstmaat)?

% patiënten bij wie dodelijk

15

Wat is de ziekte-specifieke mortaliteit (uitkomstmaat)?

% populatie overleden aan ziekte

16

Wat is de respons (uitkomstmaat)?

% patiënten die baat hebben bij interventie

17

Wat is de remissie (uitkomstmaat)?

% patiënten die genezen

18

Wat is de recurrence (uitkomstmaat)?

% patiënten bij wie ziekte terugkomt

19

Hoeveel Nederlanders krijgen per jaar kanker?

110.000

20

Wat is de gemiddelde leeftijd voor longkankerpatiënten?

70 jaar

21

Welke sekse krijgt vaker longkanker?

Mannen

22

Hoeveel jaar na roken krijgen mensen longkanker?

20 jaar

23

Wanneer daalt de RR voor het ontwikkelen van longkanker bij roken?

5 jaar

24

In hoeveel procent van de gevallen is longkanker dodelijk?

88%

25

Wat is de 1-jaars overleving van longkanker?

50%

26

Wat is de 5-jaars overleving van longkanker?

20%

27

Hoeveel procent van de rokers krijgt longkanker?

10%

28

Hoeveel procent van de longkankers komen door roken?

90%

29

Hoeveel procent van de toxische deeltjes van roken krijgen meerokers?

14%

30

Hoeveel procent van de longkankerincidenten zijn meerokers?

2-3%

31

Waar zit asbest in?

In hittebestendige mineraalvezels

32

Welke soort kanker veroorzaakt asbest?

Mesothelioom

33

Waar zit radon in?

Bouwmateriaal

34

Kan longkanker door genen komen?

Ja

35

Hoeveel procent van de kanker gerelateerde mortaliteit komt door roken?

30%

36

Hoeveel procent van de longkankers zijn kleincellig?

20%

37

Welke cellen zijn aangedaan bij kleincellige longkanker?

Neuro-endocriene cellen

38

Hoe zien de cellen bij kleincellige longkanker eruit?

Kleine cellen met grote kern

39

Zijn kleincellige longkankers hormoonproducerend?

Ja

40

Hoe snel delen kleincellige longkankers?

Meer dan 11 mitoses/2mm2

41

Hebben kleincellige longkankers een snelle of een langzame metastasering?

Snelle

42

Is er sprake van veel of weinig necrose bij kleincellige longkankers?

Veel

43

Hoe is de ligging van kleincellige longkankers, centraal of perifeer?

Centraal

44

Welke cellen zijn aangedaan bij een adenocarcinoom?

Mucus-uitscheidende slijmbekercellen

45

Wanneer komen de klachten bij adenocarcinoom: voor of na uitzaaiing?

Na

46

Heeft adenocarcinoom een langzame of snelle metastasering?

Snelle

47

Wat is het dominante groeipatroon van adenocarcinoom? (4)

Lepidisch, acinair, solide, mucineus

48

Adenocarcioom komt vaak voor bij (wel/niet) rokers

Niet

49

Wat is de ligging van adenocarcinoom, perifeer of centraal?

Perifeer

50

Welke cellen zijn aangedaan bij squameus longkanker?

Epitheelcellen

51

Welke soort longkanker heet ook wel plaveiselcelcarcinoom?

Squameuze longkanker

52

Wat wordt er geproduceerd bij squameuze longkanker?

keratine

53

Bij squameuze longkanker is er een (kleine/grote) kans op een hypercalciëmie

Grote

54

Heeft squameuze longkanker vroege of late metastasering?

Late

55

Squameuze longkanker ziet er uit als een cavitatie met (centrale/perifere) necrose

centrale

56

Squameuze longkanker ligt (perifeer/centraal)

Centraal

57

Hoeveel procent van de longkankers is squameuze longkanker?

35%

58

Hoeveel procent van de longkanker is Large Cell Carcinoma?

15%

59

Waarom heet Large Cell Carcinoma ook wel NOS?

NOS staat voor not otherwise specified, het is omdat het carcinoom niet goed ingedeeld kan worden

60

Large cell carcinoma metastaseert (langzaam/snel)

Snel

61

Large snel carcinoma is (slecht/goed) gedifferentieerd

slecht

62

Welke cellen zijn aangedaan bij mesothelioom longkanker?

Mesotheelcellen

63

Hoe heet mesothelioom longkanker ook wel?

Longvlieskanker

64

Waarom zijn er benauwdheidsklachten bij mesothelioom longkanker?

Doordat de long zelf steeds kleiner wordt

65

Noem 3 klachten bij mesothelioom longkanker? (3)

Pijn, dyspnoe, pleuravocht

66

De diagnose van mesothelioom longkanker is goed te stellen

Fout

67

Bij mesothelioom longkanker is er (geen/wel) metastasering op afstand.

Geen

68

Hoeveel jaar na asbestexposure komt mesothelioom longkanker voor? (nummer-nummer)

35-40 jaar

69

Hoe oud zijn de mensen die mesothelioom longkanker hebben? (nummer-nummer)

50-70 jaar

70

Mesothelioom longkanker heeft een (slechte/goede) prognose.

slechte

71

Wat is cachexie?

Verminderde eetlust

72

Waarom is er clubbing van vingers bij longkanker?

Door dyspnoe

73

Moeheid, cachexie, immuunsuppressie en clubbing van vingers zijn (algemene symptomen/ symptomen direct gerelateerd aan tumor doorgroei/symptomen door metastasen/symptomen adenocarcinoom)

Algemene symptomen

74

Wat is hemoptoë?

Bloed ophoesten

75

Hoesten, dyspnoe, hemoptoë, thoracale pijn en (postobstructie)pneumonie zijn (algemene symptomen/ symptomen direct gerelateerd aan tumor doorgroei/symptomen door metastasen/symptomen adenocarcinoom)

Symptomen direct gerelateerd aan tumor doorgroei

76

Waardoor is er heesheid bij longkanker?

Door uitzaaiing naar linker n. laryngeus recurrens (stembandparese)

77

Waardoor is er diafragmahoogstand bij longkanker?

Door uitzaaiing en aantasting n. phrenicus

78

Wat zijn de symptomen van Pancoast syndrome? (6)

Schouder/arm pijn, paresthesieën, parese, atrofie van thenar spieren, Horner syndroom

79

Wat zijn de symptomen bij horner syndrome? (3)

Ptosis, miosis, anhidrosis

80

De symptomen: heesheid, diafragmahoogstand, dysfagie, stridor, pleuravocht, pericardvocht, vena cava superior syndroom en zenuwcompressie zijn (algemene symptomen/ symptomen direct gerelateerd aan tumor doorgroei/symptomen door metastasen/symptomen adenocarcinoom)

Symptomen door lokale doorgroei tumor

81

Wat zijn symptomen passende bij pericardvocht? (2)

Orthopneu, tamponade

82

Wat is dysfagie?

Problemen met slikken

83

Hoe kan de diagnose van hersenmetastasen gesteld worden? (2)

MRI, CT

84

Wat is de behandeling voor longkanker met hersenmetastasen? (4)

Corticosteroïden, antiepileptica, radiotherapie, resectie

85

Bij welke soort metastase horen de volgende symptomen: hoofdpijn, misselijkheid, verwardheid, diverse bewegingsstoornissen

Hersen

86

Wat is de spreiding van hersenmetastasen bij diagnose?

20%

87

Wat is de spreiding van hersenmetastasen na 2 jaar?

50%

88

Wat is de spreiding van hersenmetastasen bij dood?

80%

89

Welke 3 soorten lymfogene longkanker zijn er? (3)

Hilair, mediastinaal, extrathoracaal

90

Wat gebeurt er bij het Lambert-Eaton myastheen syndroom (anti-VGLC)?

Het lichaam maakt antistoffen tegen bepaalde eiwitten, op de zenuwuiteinden

91

Waarvan is het Lambert-Eaton myastheen syndroom (anti-VGLC) een teken?

Paraneoplastisch neurologische tumor

92

Paraneoplatische tumoren kunnen de hormonen SIADH en ACTH (cushing syndroom) maken

Ja

93

Wat is een kernsymptoom bij Hypertrofische pulmonale osteoarthropathie (Pierre Marie-Bamberger)?

Gewichtsafval

94

Waarvan is Hypertrofische pulmonale osteoarthropathie (Pierre Marie-Bamberger) een teken?

Paraneoplastisch musculoskeletale tumor

95

Bij een adenocarcinoom is er een verhoogde d-dimeer, en een verhoogde kans op DVT/longembolie

Ja

96

Welke 3 methoden worden er gebruikt om een tumor te stageren?

Pet-scan, EUS/EBUS en mediastinoscopie

97

Wanneer wordt Mutatie-analyse gedaan bij een patiënt?

Als patiënt niet-roker is

98

Een … mutatie kan een oorzaak zijn van longkanker

EFGR

99

Waarvoor staat iedere letter in de TNM classificatie?

T = tumor diameter en uitbreiding
N = aangedane lymfeklier stations
M = metastasen op afstand

100

EBUS is met punctie, EUS is met ultrasound.

ja

101

Wat is palliatieve zorg?

Alle zorg voor terminale patiënten die gericht is op verlichting van het lijden in de laatste levensfase

102

Wat voor soort longkankers vallen onder non-small cel longcarcinomen? (6)

Adenocarcinoom, squameus, large-cell, adenosquameus, neuro-endocellulaire longkanker, sarcomatoiïd longkanker

103

Wat voor soort tumoren komen voor in de pleura van de longen? (3)

Mesothelioom, mesenchymaal, lymfoproliferatief

104

Wat voor soort mesenchymale tumoren zijn er? (2)

Sarcoma en SFT (solitaire fibreuze tumor)

105

Wat voor soort tumoren van het mediastinum zijn er? (4)

Thymoma, thymisch, germ cell, lymfoma

106

Is het positivisme (kwantitatief onderzoek) of interpretivisme (kwalitatief onderzoek):Er bestaat een objectieve werkelijkheid buiten ons, die wetmatigheden kent

kwantitatief

107

Is het positivisme (kwantitatief onderzoek) of interpretivisme (kwalitatief onderzoek): Je kunt de werkelijkheid weergeven als onafhankelijk persoon; scheiding tussen kenner (subject) en het gekende (object)

kwantitatief

108

Is het positivisme (kwantitatief onderzoek) of interpretivisme (kwalitatief onderzoek):de werkelijkheid bestaat niet los van de waarnemer: interpretatie en betekenisgeving overlappen

kwalitatief

109

Is het positivisme (kwantitatief onderzoek) of interpretivisme (kwalitatief onderzoek): Je maakt deel uit van de werkelijkheid: subject en object overlappen

Kwalitatief

110

Is het positivisme (kwantitatief onderzoek) of interpretivisme (kwalitatief onderzoek): wetenschappelijk onderzoek staat niet los van 'belangen' en 'doelen': waardenvrije wetenschap niet mogelijk.

Kwalitatief

111

Is het positivisme (kwantitatief onderzoek) of interpretivisme (kwalitatief onderzoek): Gebruik van verschillende methoden om werkelijkheid weer te geven

Kwalitatief

112

Is het positivisme (kwantitatief onderzoek) of interpretivisme (kwalitatief onderzoek): Streven naar weergeven van betekenissen

Kwalitatief

113

Is het positivisme (kwantitatief onderzoek) of interpretivisme (kwalitatief onderzoek): In wetenschappelijk onderzoek streven naar objectiviteit en neutraliteit (waardenvrij)

kwantitatief

114

Is het positivisme (kwantitatief onderzoek) of interpretivisme (kwalitatief onderzoek): Streven naar dezelfde methoden om de werkelijkheid in beeld te krijgen (unity of methods)

kwantitatief

115

Is het positivisme (kwantitatief onderzoek) of interpretivisme (kwalitatief onderzoek): Streven naar weergeven van feiten

kwantitatief

116

Selectie van respondenten: is het kwalitatief of kwantitatief onderzoek: purposive sampling en theoretical sampling

Kwalitatief

117

Selectie van respondenten: is het kwalitatief of kwantitatief onderzoek: statistical sampling

Kwantitatief

118

Selectie van respondenten: is het kwalitatief of kwantitatief onderzoek: Geen afspiegeling van de gehele populatie

Kwalitatief onderzoek

119

Selectie van respondenten: is het kwalitatief of kwantitatief onderzoek: respondenten vormen afspiegeling van een bepaalde populatie

Kwantitatief onderzoek

120

Selectie van respondenten: is het kwalitatief of kwantitatief onderzoek: gevarieerde groep respondenten is belangrijk

kwalitatief onderzoek

121

Selectie van respondenten: is het kwalitatief of kwantitatief onderzoek: Aantal, omvang en karakteristieken van de respondenten worden van tevoren bepaald

Kwantitatief onderzoek

122

Selectie van respondenten: is het kwalitatief of kwantitatief onderzoek: exacte aantal respondenten van tevoren niet bekend

Kwalitatief onderzoek

123

Selectie van respondenten: is het kwalitatief of kwantitatief onderzoek: Includeren van respondenten stopt als het aantal is bereikt

Kwantitatief onderzoek

124

Selectie van respondenten: is het kwalitatief of kwantitatief onderzoek: selectie stopt als data saturatie is bereikt

Kwalitatief onderzoek

125

Wat is data saturatie?

Nieuwe respondenten vertellen niets nieuws aan de onderzoeker

126

Wat zijn 3 voordelen van interviews bij dataverzameling bij kwalitatief onderzoek? (3)

Efficiënt, mogelijkheid om ow goed uit te diepen en toegang tot gevoelige informatie

127

Wat zijn 2 nadelen van interviews bij dataverzameling bij kwalitatief onderzoek? (2)

Vinden van respondenten passend bij ow, bepalen van de variatie van de respondenten

128

Wat zijn 3 voordelen van observeren als data verzamelingstechniek bij kwalitatief onderzoek? (3)

Zicht op cultuur en gedrag in/van een bepaalde groep, zicht op context waarin gedrag zich afspeelt, aanvullende informatie op interviews

129

Wat zijn 3 nadelen van observeren als data verzamelingstechniek bij kwalitatief onderzoek? (3)

Kost veel tijd, verkrijgen van toegang is lastig, toegang tot en het begrijpen van de context kan een probleem zijn

130

Wat zijn 4 nadelen van een focusgroep als data verzamelingstechniek bij kwalitatief onderzoek? (4)

Vraagt tijd om groep bij elkaar te brengen, heeft niet de diepgang zoals in individueel interview, persoon kan de discussie domineren, lijkt minder geschikt voor gevoelige onderwerpen

131

Wat zijn 2 voordelen van een focusgroep als data verzamelingstechniek bij kwalitatief onderzoek? (2)

Efficiënt: veel informatie in korte tijd vanuit verschillende gezichtspunten, groep 'effect': participeren in een groep kan leiden tot het geven van meer informatie.

132

Wat is ptosis?

Hangend bovenooglid

133

Wat is miosis?

De vernauwing van de pupil in het oog door samentrekking van de musculus sphincter pupillae.

134

Wat is anhidrosis?

geen zweet productie

135

Wat is orthopneu?

Orthopneu of orthopnoe is een vorm van benauwdheid.

136

Wat is tamponade?

Harttamponade betekent vochtophoping in het hartzakje.

137

Wat is de inductieve methode? (4 stappen)

Start met observatie, verzamel data, stel hypothese, maak theorie

138

Wat is de deductieve methode? (4 stappen)

Start met theorie, dan hypothese, dan observatie, dan kijken of hypothese waar of niet

139

OR of RR rapporteren: Case control onderzoek

OR

140

OR of RR rapporteren: Cohort onderzoek

RR

141

Wat is een predictiemodel?

Het zo goed mogelijk voorspellen van een bepaalde uitkomstvariabele aan de hand van een set van mogelijke determinanten

142

Wat is de proportional hazards en hoe wordt het getest?

proportional hazard zegt dat de HR's constant zijn in de tijd. Dit test je door een tijdsinteractie te maken.

143

Wat zijn de 5 fases van de emperische cyclus?

observatie, inductie, deductie, toetsing, evaluatie

144

Wie of wat bepaalt de groepsgrootte van de proefdieren in een experiment?

Door de onderzoekers, met behulp van een poweranalyse

145

Waardoor kunnen paraneoplastische verschijnselen ontstaan bij longkanker?

Door humorale factoren (auto-antistoffen)

146

Zijn paraneoplastische verschijnselen metastasen?

Nee

147

Wat is EGFR?

Epidermal growth factor receptor

148

Wat is de pathofysiologische betekenis van een activerende EGFR-mutatie?

De EGFR is een receptor voor een groeisignaal. In normale omstandigheden geeft EGFR een groeisignaal door aan de cel nadat het bindt met een EGF ligand. Bij activerende mutaties geeft de gemuteerde EGFR zonder aanwezigheid van het EGF ligand een continu groeisignaal aan de tumorcel en veroorzaakt op deze manier tumorgroei.

149

Welke behandeling kan bij een EGFR-mutatie ingezet worden?

Een EGFR tyrosine kinase inhibitor (TKI)

150

Wat is zero-time?

De tijd waarop mensen geincludeerd worden in de studie

151

Wat is belangrijk bij de zero time?

Dat alle mensen in dezelfde fase geincludeerd worden

152

Wanneer geldt de regel dat de variabele een kleinere SD moet hebben dan het gemiddelde van die variabele om normaal verdeeld te zijn

Wanneer een variabele alleen maar positieve waardes heeft

153

Mag je bij cox regressie een onafhankelijke niet-normale variabele hebben?

Ja

154

Je moet bij cox regressie een normaal verdeelde uitkomstvariabele hebben als de uitkomst continu is.

Ja

155

Waarmee kan je longkanker stadiëren? (2)

PET en CT

156

Welke informatie levert een CT-scan op wat een FDG-PET-scan niet oplevert?

CT scan is nauwkeuriger, je kan millimeters meten.

157

Welke informatie levert een FDG-PET-scan op die een CT-scan niet oplevert (2)

Kijken naar lymfekliermetastasen en metabole activiteit

158

Om tot een pathologische diagnose van longkanker te komen is het nodig om een biopt te nemen, door VATS of EBUS.

Ja

159

Met welke 6 dingen moet je rekening houden bij een RCT (Randomized Controlled Trial)

Selectie (interne en externe validiteit), Controlebehandeling (placebo), Randomising van patiënten, Blindering, Uitkomst (welke uitkomst je naar kijkt), Analyse (welke analyse je doet)

160

Wat is interne validiteit?

Onder interne validiteit verstaat men de kwaliteit van het onderzoek in de meest brede zin van het woord. De onderzoeker stelt zich de vraag of door middel van deze onderzoeksopzet de te trekken conclusies uit het onderzoek wel valide zijn.

161

Wat is externe validiteit?

Externe validiteit is de mate waarin de conclusies van je onderzoek te generaliseren zijn naar de hele populatie of andere situaties, groepen of personen dan je hebt onderzocht.

162

Wat is een per protocol analyse?

Wanneer gegevens worden geanalyseerd naar welke behandeling mensen daadwerkelijk hebben gekregen.

163

Wat is een intention to treat?

gegevens worden geanalyseerd naar welke behandeling mensen zijn gerandomiseerd.

164

Wat is een voordeel en een nadeel van per protocol analyse?

Voordeel: je kan echt het effect van de behandeling onderzoeken.
Nadeel: het sluit minder aan bij de kliniek, waar mensen uitvallen

165

Wat zijn de 4 fases van onderzoek (4)

Fase 1: Probleemstelling, Literatuuronderzoek en Onderzoeksontwerp
Fase 2: Data-verzameling
Fase 3: Data-analyse
Fase 4: Rapportage

166

Blijkbaar wordt er voldaan aan de proportional hazard assumptie wanneer de p-waarde van de interactie met tijd > 0.05

Ja

167

Translationeel onderzoek is de schakel tussen fundamenteel en klinisch onderzoek

Ja

168

Wat is begripsvaliditeit?

Of wat we meten een correcte afspiegeling is van de waarheid

169

Noem 4 hallmarks van cancer

resisting cell death, tumor promoting inflammation, genome instability and mutating, avoiding immune destruction

170

Wat is het verschil tussen oncogenen en tumor-suppressorgenen?

oncogenen hebben bij het onstataan van kanker gain of function en geven een proliferatief signaal, (EFGR), tumor-supprossor-genen hebben bij het ontstaan van kanker loss of function en kunnen een prliferatief signaal niet meer stoppen (p53)

171

Wat zijn de 5 waardes van de performance score?

0: asymptomatisch (volledig)
1,2: symptomatisch, kan ADL zelf aan, is >50% van wakkere tijd uit bed of stoel
3: symptomatisch, kan ADL deels aan, is >50% van wakkere tijd in stoel of bed
4: kan geen ADL, totaal bed gebonden, mordibund
5: dood

172

Wat geef je bij neutropene sepsis?

Antibiotica