college 3 H7 Flashcards Preview

Ontwikkelingspsychopathalogie > college 3 H7 > Flashcards

Flashcards in college 3 H7 Deck (21)
Loading flashcards...
1
Q

Wat is de functie van verdriet?

A
  • Aangeven aan omgeving dat je hulp nodig hebt.
  • Afstand nemen van een impactvolle gebeurtenis om deze te verwerken.
2
Q

Wat is het verschil tussen een emotie en een Mood (stemming)

A

bij emotie meestal duidelijke oorzaak. Mood niet. emotie vaak heftiger dan mood.

3
Q

Wat zijn drie belangrijke criteria voor abnormaal verdiet?

A
  • hopeloosheid
  • interfereerd met functioneren
  • moeilijk kunnen controleren
4
Q

Wat zijn de twee categorieen van mood disorders?

A
  1. depressieve stoornissen
  2. bipolaire stoornissen
5
Q

Wat is het verschil tussen een depressieve mood, depressief syndroom en depressieve stoornis?

A
  • depressieve mood: verdrietige stemming
  • depressief syndroom: cluster van symptomen. dus niet alleen verdriet, maar ook verminderde controle, verliezen van gewicht, verminderd zelfvertrouwen.
  • depressieve stoornis: dienen te voldoen aan criteria van dsm V
6
Q

welke drie type depressieve stoornissen kennen we?

A
  1. major depressive disorder
  2. persistent depressive disorder
  3. disruptive mood dysregulation disorder
7
Q

Wat zijn de 9 DSM criteria voor major depressive disorder?

A

vijf of meer van de volgende symptomen voor voor meer dan 2 weken. 1 vd 5 symptomen is symptoom 1 of 2. belangrijk dat de symptomen ervoor niet voorkwamen.
1. depressieve stemming bijna de hele/elke dag. (geobserveerd door anderen of door jezelf) (let op bij kinderen mag het ook een boze of geprikkelde stemming zijn)
2. verminderde interesse en plezier
3. significant gewichtsverlies of toename en/of verminderde of verhoogde eetlust.
4. insomnia of hypersomnia bij elke dag.
5. psychomotorische problemen (rusteloosheid)
6. vermoeidheid of verlies in energie
7. gevoel van waardeloosheid of overmatig schuld
8. verminderde concentratie
9. suicidale gedachten

8
Q

Wat zijn de vier voorwaarde van Major depressive disorder volgens de DSM V

A
  1. symptomen zorgen voor significante disfunctioneren
  2. andere medice oorzaken en middelen zijn uitgesloten
  3. niet beter verklaard door andere stoornissen
  4. geen manie
9
Q

Wat is een belangrijk kritiek op de DSM?

A

bij vier symptomen het idee dat er niks aan de hand is. Want geen depressie.

10
Q

Wat zijn de belangrijkste critiria van de persistent depressive disorder

A

voldoen aan 2 criteria van major, maar twee jaar depressieve stemming aanwezig Bij kinderen kan irritatie dus ook, maar minimaal 1 jaar.

11
Q

Wat zijn zes kenmerken van disruptive mood dysregulation disorder

A
  1. buiten proportionele emotionele uitspattingen
  2. uitspattingen zijn inconsistent met ontwikkelingslevel
  3. komen gemiddeld 3 of meer keer voor in de week.
  4. kan alleen gediagnostiseerd worden tussen 6 en 18 jaar oud.
  5. onset van criteria is voor 10e levensjaar.
  6. manie is uitgesloten.
12
Q

Wat is het verschil in uiting van manie tussen kinderen en volwassenen?

A

de wisseling van manie naar depressie gaat bij kinderen vaak veel sneller dan volwassenen. Probleem hierdoor is dat ze vaak niet binnen de DSM criteria vallen.

13
Q

Wat zijn 7 belangrijke kenmerken van een manische episode?

A
  1. verhoogd zelfvertrouwen
  2. verminderde behoefte aan slaap
  3. veel ideeen en snelle gedachten
  4. meer praten dan normaal
  5. afleidbaarheid
  6. verhoogde doelgerichte activiteit
  7. risico (pijn specifiek) zoekend gedrag
14
Q

Om welke drie redenen is het moeilijker om een kind te diagnostiseren met bipolar disorder dan een volwassene?

A
  • manie is andersKinderen zijn in sommige situaties over het algemeen overdreven blij. De context en geheel bekijken bij kinderen is heel belangrijk.
  • huidige DSM criteria: de wisseling van manie naar depressie gaat bij kinderen vaak veel sneller dan volwassenen. Probleem hierdoor is dat ze vaak niet binnen de DSM criteria vallen.
    overlap andere stoornissen denk aan ADHD.
15
Q

Wat is het verschil tussen cognitieve- producten, operations en schema’s?

A

producten: bovenliggende gedachten
operations:verwachtingen.
Schema: waarden

16
Q

Wat is de hopelessness theory?

A

cognitieve kwetsbaarheid in combinatie met stress kan leiden tot depressie. Wanneer stress op de volgende drie punten verwerkt wordt:
* internal: je betrekt het op jezelf.
* stable: ze zijn stabiel over verschillende situaties.
* global attributions: je generaliseert een specifiek geval.

17
Q

Hopelesness is een mediator/modulator. Attributional style is een mediator/modulator

A

hopelessness: mediator
attributional style: modulator

18
Q

benoem per stage een herkenningspunt voor depressie:
* infancy
* preschool
* school age
* adolescence

A

tijden infancy: minder spelen, meer verdrietige thema’s tijdens spel
preschool: somatische symptomen: ik heb pijn.
school age en adolescentie steeds meer gericht op persoonlijkheid en overtuigingen.

19
Q

Wat is een belangrijk onderscheid tussen categorische en emperische benadering van depressie?

A

Bij emperische benadering wordt er niet enkel een syndroom gediagnostiseerd met alleen depressieve symptomen. Depressie, angst en teruggetrokken zijn overlappen hier. Er is binnen de emperische benadering ook nog veel discussie of kinderen wel gediagnostiseerd kunnen worden met een depressie.

20
Q

Is er een verschil in prevalentie van depressie tussen jongens en meisjes?

A

tot 12 jaar niet daarna veel vaker bij meisjes.

21
Q

Hoe kan het Neuroendocrine systeem bijdragen aan depressie?

A

gebied waar de hypothalamus en hypofyse onder vallen. ontregeling hiervan wordt geassocieerd met bijdrage aan depressie. Bijvoorbeeld door ontregeling van cortisol en groeihormonen.