1.6 en 1.7 Flashcards

1
Q

Noem 2 manieren om aan werkkapitaal te komen

A
  • Kortlopende leningen omzetten naar langlopende leningen met een langere looptijd. Hierdoor zijn de aflossingsverplichtingen langer en daarom komt er dus meer werkkapitaal vrij op de kortere termijn.
  • Afspraken met leveranciers om facturen later te betalen dan de afgesproken betalings- en leveringsvoorwaarden.
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
2
Q

Wat zijn limitations?

A

Voor grote inkopen en investeringen moet er eerst worden overlegd met de directie.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
3
Q

Als je als manager verantwoordelijk bent voor de verkopen en kosten in een (startend) bedrijf, dan moet je letten op de 7 elementen. Noem alle 7 de elementen

A
  1. voorraadrekening
  2. debiteuren
  3. crediteuren
  4. liquide middelen
  5. verkopen op rekening
  6. inkoopwaarde van de verkopen
  7. personeelskosten
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
4
Q

Bedrijven gebruiken controlesystemen voor financiële resultaten om 4 redenen. Noem alle 4 de redenen.

A
  1. Financiële doelstellingen zijn primaire prestatiemaatstaven
  2. Het is een samenvattende prestatiemeting van de resultaten
  3. Het is (relatief) precies en objectief
  4. De implementatiekosten zijn laag (het zit in de boekhoudsystemen)
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
5
Q

Er zijn 3 componenten van financial result controls. Noem ze alle 3.

A
  1. Financial Responsibility Centers (=resultaten, denk aan de salesafdeling > verkopen)
  2. Planning & budgetting (plannen en budgetting)
  3. Incentive systems (=stimuleringssystemen)
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
6
Q

Er zijn 4 soorten Financial Responsibility Centers. Noem alle 4 de soorten.

A
  1. Investment center
  2. profit center
  3. revenue center
  4. cost center.
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
7
Q

Wat is een investment center?

A

het is verantwoordelijk voor de investeringen en dat wordt uitgedrukt in ratio’s (ROI, REV, RTV). Je wordt afgerekend op de ratio’s, dat is de prestatie-indicator. Een investment center is ook wel een DMU.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
8
Q

Wat is een profit center?

A

Een profit center is verantwoordelijk voor de opbrengsten en de winst.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
9
Q

Wat zijn financial trucks?

A

Als het heel goed ga je een deel doorsluizen naar het nieuwe jaar. Bepaalde kosten zou je bijvoorbeeld naar voren kunnen halen. Als het heel slecht gaat en het ziet er naar uit dat je targets niet gaat halen, dan ga je verkopen ook naar voren halen.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
10
Q

Wat is een revenue center?

A

= verantwoordelijk voor het genereren van inkomsten. Ze moeten rekening houden met congruentieproblemen zoals marge, kwaliteit en klanttevredenheid.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
11
Q

wat is een cost center?

A

= verantwoordelijk voor de kosten.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
12
Q

Wat is het verschil tussen een investment center en een profit center?

A

Bij een investment center ben je naast de winst ook verantwoordelijk voor investeringen.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
13
Q

Van welke 3 dingen hangt de keuze voor Financial Responsibility Centers af?

A
  1. Welke managers moeten verantwoordelijk gehouden worden voor welk item in de financiële overzichten?
  2. Er moet een relatie zitten tussen de beslissingsbevoegdheid en verantwoordelijkheid over de resultaten.
  3. Verander de structuur van verantwoordelijkheid met het business middel.
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
14
Q

Wat zijn de 4 doelen van planning en budgetting?

A
  1. planning > je maakt beslissingen en voor de toekomst dus moet je nadenken over de zakelijke vooruitzichten, risico’s en beperkingen van de toekomst.
  2. coördinatie > als je plant kan je ook coördineren. Uitwisseling van informatie is dan belangrijk. dit kan op 2 manieren. a. top-down - communiceren van doelstellingen. b. bottum-up = communiceren van vooruitzichten, benodigde middelen, risico’s en beperkingen.
  3. overzicht > evaluatiereviews door het topmamangement (onderzoeken, bespreken, goedkeuren en prestatiedoelstellingen bepalen)
  4. Motivatie > doelen, prestaites, evaluaties en beloningen.
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
15
Q

De planning cyclus bestaat uit 3 onderdelen. Welke?

A
  1. strategisch = missie, doelstellingen, SWOT, middelen, lange termijn en hoger management.
  2. Tactisch = specifieke programma’s (projecten of investeringen) en de toewijzing van productiefactoren als kapitaal, talent en tijd. Het resultaat hangt af van track record, voorbereiding, onderhandelingsvaardigheden en politieke macht.
  3. Operationeel = financieel plan voor de korte termijn en dat komt overeen met de structuur van verantwoordelijkheden.
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
16
Q

Wat betekent ‘track record’?

A

Een opsomming van prestaties en misslagen van een bedrijf in het recente verleden.

17
Q

Wat is een ‘hockeystickplanning’?

A

Optimistisch plannen en uiteindelijk blijkt het minder te zijn dan je verwacht had. Het is bedoeld om mensen te motiveren, maar op een gegeven moment trappen de mensen er ook niet meer in. Te optimistisch plannen kan leiden tot budget slack. De top zal vaak inzetten en telkens iets hoger. Dit zie je op strategisch niveau.

18
Q

Er zijn 3 soorten financiële prestatiedoelstellingen. Noem ze alle 3.

A
  1. model based/historical/negotiated
  2. fixed/flexible
  3. Internal/external
19
Q

Wat betekend model based?

A

voorspellingen van prestaties o.b.v. de laatste jaren

20
Q

Wat betekend historical?

A

doelen afgeleid van het verleden. Je kijkt naar targets uit het verleden.

21
Q

Wat betekend negiotated?

A

Je gaat onderhandelen (maar dat kost veel tijd&raquo_space; budget slack)

22
Q

Wat betekend fixed?

A

Ongewijzigd tijdens de periode en gaat over verantwoordelijkheid en bestuurbaarheid

23
Q

Wat betekend flexibel?

A

Doelen veranderen afhankelijk van de omstandigheden. Het gaat om relatieve prestaties in een groep.

24
Q

Wat betekend internal?

A

Mogelijkheden en beperkingen van de eigen organisatie. Je gaat precies berekenen hoe het in de eigen organisatie zit.

25
Q

Wat betekend external?

A

Benchmarking en ‘de beste van de klas’. Je houdt rekening met de concurrentie.

26
Q

Noem 5 argumenten voor hoog haalbare financiële doelstellingen

A
  1. Het zorgt voor verhoogde betrokkenheid/commitment van de manager
  2. Het zorgt voor bescherming tegen optimistische projecten.
  3. Het zorgt voor betere prestaties. Mensen gaan beter werken bij een ‘feel good factor’.
  4. Het zorgt voor lagere interventiekosten. bij haalbare doelen hoeft er minder vaak te worden ingegrepen (= management by expention). De mensen worden wat vrijer gelaten en er wordt alleen ingegrepen als er iets gebeurd wat echt uitzonderlijk is.
  5. Het zorgt voor minder gameplaying.
27
Q

Als je mensen meeneemt in de beslissing worden ze? …. & ….

A

Eerlijker en gemotiveerder

28
Q

Noem 4 argumenten voor bottum up benadering

A
  1. verhogen commitment.
  2. verbetert het delen van informatie.
  3. maakt de verwachtingen duidelijker.
  4. moedigt aan om mee te denken over de doelen van het bedrijf.
29
Q

Noem 4 argumenten voor top down benadering.

A
  1. het topmanagement heeft voldoende kennis van zaken
  2. het topmanagement kan vergelijken tussen business units.
  3. het lager management is bevooroordeeld.
  4. het lager management is minder goed in budgetteren.
30
Q

Noem 5 opmerkingen over planning en budgetting

A
  1. het is kostbaar en tijdrovend
  2. het beperkt innovatie
  3. Je gaat buiten de budgettering te werk of je gaat niet budgetteren (= beyond budgetting)
  4. gecentraliseerde macht&raquo_space; de macht ligt bij de top
  5. politiek en gameplaying&raquo_space; iedereen speelt een spelletje.
31
Q

Noem 9 soorten beloningen

A
  1. salarisverhoging
  2. bonussen.
  3. promotie
  4. aandelenopties
  5. meer autonomie/macht
  6. toewijzingen aan interessante projecten
  7. lof/erkenning/waardering
  8. ontwikkelingsprogramma’s
  9. opleiding
32
Q

Noem 4 soorten straffen

A
  1. geen salarisverhoging of minder salaris
  2. geen bonus
  3. geen promotie
  4. vernedering (‘slechtste werknemer van de maand’)
33
Q

noem 4 doelen van incentives/beloningen

A
  1. afstemmen van de doelen van de medewerkers met de doelstellingen van de organisatie
  2. het vertrekken van informatie (wat zorgt voor richting over wat er gedaan/bereikt moet worden)
  3. incentives/beloningen zorgen ervoor dat medewerkers gemotiveerd raken om goed te presteren, waardoor de organisatiedoelstellingen worden bereikt.
  4. Incentives/beloningen zorgen voor het aantrekken en behouden van de juiste medewerkers.
34
Q

Wat betekent ‘lower cutoff’?

A

Je moet eerst wat bereiken voordat je een incentive/beloning krijgt. Onder de lower cutoff krijg je helemaal niks.

35
Q

Wat betekent ‘upper cutoff’?

A

Er zit een max. aan de incentive/beloning, het is niet onbeperkt. Boven de upper cutoff krijg je geen bonus meer. Je krijgt dus een bonus tussen de lower- en de upper cutoff.

36
Q

Noem 7 zaken waar incentives/beloningen aan moeten voldoen.

A
  1. ze moeten waarde hebben (individueel en cultureel bepaald)
  2. ze moeten invloed hebben (het is een goed bedrag en andere mensen zien het)
  3. ze moeten begrijpelijk zijn ( je krijgt een bedrag en begrijpt waarom)
  4. ze moeten op tijd zijn (als ik nu iets presteer, krijg ik de beloning nu en niet over 1 jaar).
  5. ze moeten duurzaam zijn. (het is een blijvend iets)
  6. Ze moeten omkeerbaar zijn (mistakes/windfall) (mistakes = er is een fout gemaakt, windfall is het is je aan komen waaien)
  7. ze moeten kostenefficiënt zijn. (het moet niet meer kosten dan het oplevert)
37
Q

Noem 2 voordelen van groepsbeloningen

A
  • iedereen profiteert ervan
  • het creëert gezamenlijkheid/cohesie
38
Q

Noem een nadeel van groepsbeloningen

A

De 1 doet meer dan de ander en dat zorgt voor frustratie, omdat beide hetzelfde krijgen.