GESCHIEDENIS EXAMEN Flashcards

1
Q

Geef 2 voorbeelden wat de immigrerende volksstammen kwamen doen in het romeinse rijk

A

1 plunderen

2 landbouw telen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
2
Q

ten noorden van het romeinse rijk woonden ……1.. van veetelers en akkerbouwers
toen het klimaat verslechterde,….2….. zuidwaarts
Het romeinse rijk splits in het ……..3…. en …..4……
Constantijn komt aan de macht en geeft het romeinse rijk een nieuwe hoofdstad …….5…..

A
1 Germaanse
2 migreerde ze
3 west- romeinse rijk
4 oost romeinse rijk
5 Constantijn
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
3
Q

fout of juist

tijdens de bloeiperiode van het romeinse grootrijk moest iedereen zelf zijn voedsel produceren

A

fout bloeiende handel

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
4
Q

fout of juist

tijdens de bloeiperiode van het romeinse grootrijk trokken vele mensen naar de stad

A

juist

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
5
Q

fout of juist

tijdens de crisisperiode van het romeinse grootrijk voelde de overgebleven stadbewoners zich veilig

A

fout

als je binnen de muren was werd je beschermd

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
6
Q

actualisering

A

aanpassen van omstandigheden naar een meer hedendaagse situatie

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
7
Q

geef 4 belangrijke aandachtspunten waarop je moet opletten bij het studeren van een historische bron

A

1 objectief en subjectief
2 was die persoon erbij of via via gehoord
3 wie is de maker van de bron
4 hoe ziet de bron eruit

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
8
Q

noem de 7 tijdvakken op plus de datum

A
oudheid 300000 - 3500 V.C
oude nabije oosten/stroomcultuur 3500 V.C-800 V.C
klassieke oudheid 800 V.C - 500
middeleeuwen 500-1450
nieuwe tijd 1450-1750
nieuwste tijd 1750-1945
eigen tijd 1945-?
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
9
Q

welke grondstoffen gebruikten de boeren om hun gebouwen op te trekken

A

leem
riet
hout
strooi

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
10
Q

noem een gelijkenis op van de kerk en de centrale woningen

A

omheining,(heg,hek)

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
11
Q

noem 2 verschillen op van de kerk en de centrale woningen

A

de kerk is van steen gemaakt

het dak van de centrale woning is van riet,strooi gemaakt

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
12
Q

vele arme boeren hadden geen eigen grond en leefden op de gronden van de de grootgrondbezitters wat moesten ze in ruil hiervoor doen

A
  • werken op het land ploegen,zaaien,wieden
  • ze moesten ook allerlei karweien doen
  • ze moesten een deel van hun karige opbrengsten nog een deel afstaan aan de heer
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
13
Q

op welke manier maakten de arme boeren de kerk rijk?

A
  • de mensen moesten een tiende aan de kerk afstaan

* wie het zich kon permitteren deed nog extra schenkingen in de hoop zo later in de hemel te komen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
14
Q
gewone mensen =...1.....    kleine elite =*..2.... *kerk
waarvan leefden de gewone mensen?
..........3...
...4...........
..5..........
hiermee voorzagen ze in eigen .....6....
er waren weinig  ......7.... en weinig .....8...
met gevolg als een beperkte handel
A
1 boeren
2 grootgrondbezitters 
3 akkerbouw
4 veeteelt
5 huisnijverheid
6 basisbehoefte 
7 landbouwoverschotten
8 luxe producten
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
15
Q

welke hedendaagse landen liggen geheel of gedeeltelijk in het grondgebied van het frankenrijk ca 800

A

frankrijk,belgie,nederland,luxemburg,spanje

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
16
Q

waarom bleef het grote frankenrijk niet bestaan?

A

bij erfenis verdeeld in 3 deelrijken

17
Q
etnisch
beroep
taal
godsdienst
cultuur
A
germaan
krijger
germaans
natuurgodsdienst/polytheisme
mondeling
18
Q

gallo-romeinse elementen

A

lokale elite
priesters
christelijke religie
geletterde cultuur

19
Q

germaanse elementen

A
invallers
stamhoofd
krijgers
heidense religie
ongeletterde cultuur
20
Q

karel de grote veroverende nog gebieden welke?

A

zuid-duitsland, noord-italie, noord- spanje

21
Q
welke nieuwe titel kreeg karel ?
wie verleende hem die titel?
waarom?
uit welk tijdvak stamt deze titel?
sinds wanneer was er geen keizer meer in het westen?
waar was er wel nog een ?
A
keizer
de  paus
als dank voor zijn rol als beschermer van de kerk
klassieke oudheid
eind 5de eeuw

byzantium

22
Q

leg uit waarom het christendom in west-europa moeilijk standhield in de overgang van de klassieke oudheid naar de middeleeuwen

A

germanen kwamen onze regio binnen en kwamen hier wonen en hielden hun eigen riten. missionarissen probeerde de heiden te bekeren met dwang

23
Q

licht de gelijkenis tussen het antieke polytheisme en de middeleeuwse heiligencultus toe

A

De antieke polytheisme geloofden in verschillende goden en de middeleeuwse heiligencultus geloofden in verschillende heiligen

24
Q

geef 2 voorbeelden van christelijke praktijken gebaseerd op heidense riten

A

1 bidden christenen bidden naar god en heiden naar heiligen

2 dunno sah

25
Q

waar woonden de monniken?
volgens welke regel leefden ze?
wie moesten ze gehoorzamen?
welke waren hun belangrijkste taken?

A

in de abdij ergens afgelegen
bededictus
de abt
bidden, werken op het veld, testamenten aanvullen/bewerken

26
Q

besluit er onstond een religieuze

A

mengcultuur

27
Q

waarom is de byzantijnse cultuur een voorbeeld van een mengcultuur

A

romeinse inspiratie+christelijke inspiratie+griekse inspiratie+byzantijnse cultuur=mengcultuur

28
Q

op het Arabische schiereiland evolueerde men in de 6de eeuw van ……1……… naar in de 7de eeuw ………2….

A

1 politheisme

2 monotheitisch

29
Q

leg dit uit op economisch vlak

A

ze gingen van weinig handel voeren naar veel handel voeren

30
Q

leg dit uit op cultureel vlak

A

er kwamen minder godsdiensten

31
Q

geef de 5 basisrituelen van de moslims

A
1 bidden
2 getuigen
3 aarmoezel geven
4 ramadam
5 mekka bezoeken
32
Q

zo noemden christenen mensen die niet geloofden in hun god

A

heiden

33
Q

mensen die predikten om niet gelovigen te overtuigen van hun godsdienst

A

missonarissen