Animal Behaviour Flashcards

1
Q

Wat is gedrag?

A

Ieder uitwendig waarneembare (of te maken) activiteit van het organisme bv immigratie

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
2
Q

Motivatie

A

Toestand in de hersenen die de kans en de intensiteit van het gedragspatroon bepaalt

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
3
Q

Supranormale prikkel

A

Overdreven sleutelprikkel

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
4
Q

Basis principes van natuurlijke selectie

A
  1. Variatie
  2. Erfelijkheid
  3. Selectie
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
5
Q

Fitness

A

Hoe succesvol een individu is om zijn erfelijke informatie door te geven

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
6
Q

Proximate verklaringen van gedrag

A
  • Focust op onderliggende mechanismen en onwikkelings kenmerken die het gedrag verklaren
  • Binnen levensduur
  • Directe, mechanische oorzaken
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
7
Q

Ultimatum verklaringen van gedrag

A
  • Focust op evolutionaire historie en adaptieve waarde die het gedrag verklaren
  • Over generaties en tijden heen
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
8
Q

De 4 vragen van tinbergen

A
  1. Mechanisme – oorzaak/ regulatie/ stimuli
    Welke oorzaken, mechanismen, externe stimuli liggen te grondslag aan het gedrag
  2. Ontogenie – ontwikkeling
    Hoe ontwikkelt het gedrag zich gedurende het leven van het dier?
  3. Functie – adaptieve waarde
    Wat is de functie van het gedrag aangaande de overlevingswaarde en reproductie (fitness) van een dier?
  4. Evolutie – fylogenie
    Wat is de fylogenetische/ evolutionaire geschiedenis van het gedrag?
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
9
Q

Gedragsysteem

A

Is een verzameling van gedragshandelingen die met elkaar dezelfde doel hebben bv voortplantings gedrag

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
10
Q

Gedragsketen

A

-> gedragshandelingen worden in vaste volgorde uitgevoerd

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
11
Q

Gedragselementen

A

de afzonderlijke gedragshandelingen binnen een gedragsketen en een gedragsysteem

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
12
Q

Sleutelprikkel

A

Veroorzaken een instinctieve gedragsrespons

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
13
Q

Twee hypothesen waarom de prioriteiten van een dier over de tijd veranderen

A
  1. Endogenous clock hypothesis
    (Prioriteiten worden gemanaged aan de hand van een biologische klok, onafhankelijk van omgevingscondities)
  2. Environmental stimilus hypothesis
    (Dieren gebruik informatie uit de omgeving om hun prioriteiten over de tijd te managen)
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
14
Q

Free running cycle

A

Een cirkel van activiteit dat niet vast staat aan omgevingssignalen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
15
Q

Mate choice copying

A

Partnerkeuze gebasseeerd op keuze van andere individuen populatie

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
16
Q

Sexy Sons theorie

A

Vrouwtjes die paren met aantrekkelijke mannetjes hebben grotere kans om aantrekkelijke nakomelingen te krijgen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
17
Q

Female mimicry

A

Man met kenmerken van vrouw

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
18
Q

Monomorphism

A

Monogame soorten hebben vaak dezelfde uiterlijke kenmerken

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
19
Q

Waarom monogaam

A
  • Potentiële partners leven niet vlakbij (mate limitation hypothetis)
  • Individuen kunnen voortplantingsgedrag partner beperken (bewaken van partner om te voorkomen dat andere met haar paren) (mate guarding hypothesis)
  • Beide ouders zijn nodig om jongen succesvol groot te brengen (mate assistance hypothesis)
  • Risico van infanticide is hoog, voortplantingspartner beschermt jongen (infanticide hypothesis)
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
20
Q

Mate limitation hypothesis

A

Potentiële partners leven niet vlakbij

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
21
Q

Mate guarding hypothesis

A

Individuen kunnen voorplantingsucces partner beperken door bewaken (monogamy)

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
22
Q

Mate assistance hypothesis

A

Beide ouders zijn nodig om jongen groot te brengen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
23
Q

Infanticide hypothesis

A

Risico van infanticide is hoog, partner beschermt jongen (monogamy)

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
24
Q

Polyandry

A

Vrouwtjes paren met meerdere mannetjes

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
25
Q

Promiscuity

A

Vrouwtjes met meerdere mannetjes maar er ontstaat geen sociale band

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
26
Q

Polygyny

A

Man met meerdere vrouwtjes

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
27
Q

Waarom polyandrie

A
  • Verschillende voorplantingspartners verhoogt kans op goede genen bij jongen (good genes hypothesis)
  • Verschillende voortplantingspartners verhoogt de kans op genetische complementair sperma (genetic complatibility hypothesis)
  • Verschillende voorplantingspartners verhoogt de kans op genetische diversiteit van jongen (genetic diversity hypothesis)
  • Verschillende voortplantingspartners verkleint kans op inbreeding (inbreeding avoidance hypothesis)
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
28
Q

Good genes hypothesis

A

Verschillende voortplantingspartners verhoogt de kans op goede genen bij jongen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
29
Q

Genetic complatibility hypothesis

A

Verschillende voorplantingspartners verhoogt de kans op genetisch complementair sperma

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
30
Q

Genetic diversity hypothesis

A

Verschillende voorplantingspartners verhoogt de kans op genetische diversiteit van jongen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
31
Q

Inbreeding avoidsnce hypothesis

A

Verschillende voorplantingspartners verkleint kans op inbreeding

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
32
Q

Directe voordelen polygenie vrouwtjes

A
  • Wanneer vrouwtjes via mannetjes toegang krijgen tot noodzakelijke resources (voedsel, bescherming, nestplaatsen) (additional resources hypothesis)
  • Wanneer mannetjes na paring bijdragen in de ouderzorg biedt extra partners voordelen in jonge zorg (additional care hypothesis)
  • In soorten waar risico op infanticide hoog is, biedt extra partners onzekerheid over vaderschap bij de mannetjes, en daarmee verkleint het risico op infanicide (infanticide reduction hypothesis)
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
33
Q

Anisogemie

A

een verschil in grootte tussen de gameten van mannen en vrouwen, kan leiden tot verschillen in uiterlijk en gedrag

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
34
Q

Signaal of Need hypothesis

A

Ouders investeren meer jongen met kenmerken die duiden op zorgbehoefte, kan geluid zijn maar ook kleur

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
35
Q

Signaal of Quality hypothesis

A

Ouders investeren meer in jongen met kenmerken die duiden op kwaliteit

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
36
Q

Game theory

A

Succes van (genetisch bepaald) alternatief strategieën hangt af van succes andere individuen hun strategie

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
37
Q

Inclusive fitness

A

Directe fitness + indirecte fitness

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
38
Q

Altruïsme

A

Gedrag dat individueel fitness (overleving of voortplantingsucces) verkleint maar fitness individuen vergroot

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
39
Q

Kin selection

A

Vorm van natuurlijke selectie dat altruïstisch gedrag bevoordeeld doordat voorplantingsuccesvan verwante individuen vergroot

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
40
Q

Hamiltons rulle

A

Altruïsme is voordelig indien de voordelen voor de verwanten groter is dan de nadelen

41
Q

Reciprocal altruïsm

A

Altruïstisch gedrag vanuit de verwachting dat de helper in een vergelijkbare situatie ook wordt geholpen

42
Q

Easocialiteit

A

Altruïsme in insecten
1. Samenwerkenin zorg voor nakomelingen
2. Veel sterile werkers, enkele individuen planten zich voort
3. Generatie overlap: ouderen zorgen voor jongsten (vaak grote kolonies)

43
Q

Cooperative breeding

A

Adulten blijven bij geboorte gebied om ouders te helpen

44
Q

Habitat saturation

A

Gebieden hebben vaak weinig territorium of broed plekken over want de beste plekken zal al in gebruik (komt vaak voor bij lang levende soorten)

45
Q

Pay-to-stay hypothesis

A

Ouders vragen van individuen soms om te helpen

46
Q

Group augmentation hypothesis

A

Individuen overleven of reproduceren zich makkelijk in een groep (voordeel breeding cooperatively)

47
Q

Waarom cooperative breeding?

A
  1. Ecological constrains hypothesis, als er te weinig middelen in het gebied zijn om voort te planten, dan zal het individu voorplanting op zich laten wachten en helpen andere soortgenoten voor opgroeien jongen.
  2. Benefits of philopatry hypothesis, de voordelen om te wachten met verspreiden outweight de kosten om te gaan verspreiden.
    3.Life history hypothesis, Specifieke levensgeschiedeniskenmerken, zoals een hoge overleving van juvenielen en volwassenen, spelen een rol in de evolutie van coöperatief fokken door een overschot aan individuen in een bepaalde habitat te creëren
  3. Temporal variability hypothesis, klimaat onzekerheid zorgt voor cooperative breeding
  4. Bet-hedging hypothesis, het idee dat helpers zorgen voor de afname van complete nest failure en dus ook tot de vermindering van de reproductieve variatie
48
Q

Waarom zijn mannetjes polygaam?

A
  • Female defense polygony hypothesis, wanneer recourses in grote handen zijn van een groep vrouwtjes of helpen het verlagen van predatie, dan zal een mannetje de groep vrouwtjes bewaken waardoor hij makkelijk toegang krijgt tot vrouwtjes
  • Resources defence polygony hypothesis, recourses worden bewaakt door mannetjes, dit trekt vrouwtjes aan die ze vervolgens bewaken mbv territory
  • Lek polygony hypothesis, wanneer recourses zijn verspreid, kan het mannetjes alleen maar wachten op het vrouwtje
  • Scramble competition polygony hypothesis, zelfde als lek polygony maar nu gaan ze op zoek naar vrouwtjes
49
Q

Seksuele dimorfisme

A

Het verschil uiterlijke kenmerken tussen mannetjes en vrouwtjes

50
Q

Conditional meting tactics

A

Bij soort waar seksuele selectie hoog is, gebruiken mannetjes met lage dominantie andere strategieën om te paren bv vriendschap

51
Q

Sperm competition

A

Als sperma van sommige mannetjes een voordeeel hebben tegenover anderen, dan kan je de fitness niet beoordelen door de aantal paringen of hoeveel vrouwtjes

52
Q

Hoe vergroot je zekerheid ouderschap

A

Dominantie & agonistisch gedrag
2. Partner bewaken (guarding)
3. Sperma competitie (kwaliteit/kwantiteit/extra pair copulation)
4. Copulatie frequentie
5. Sperma verwijderen
6. Infanticid

53
Q

Hamilton and stuk hypothesis

A

Wanneer dieren parasieten hebben zal de kleur minder aantrekkelijk worden

54
Q

Indirect benefits female male choice

A

Als een vrouwtje een hoge kwaliteit mannetje uitkiest, dan is de kans groter dat ze hoge kwaliteit kinderen krijgt en is haar fitness dus groter

55
Q

Direct benefits female mate choice

A
  • Parental care
  • Resources, soms zo verd at het mannetje zich op offert aan het vrouwtje -> sexual suicide hypothesis
56
Q

Haplodiploidy hypothesis (waarom eusociality)(altruïsme)

A

Omdat ze heel erg aan elkaar verwant zijn is de altruïsme heel hoog

57
Q

Haplodiploidy

A

Males are haploid en females diploid, dus elke nakomeling is heel erg aan elkaar verwant

58
Q

Hoe kan de sex ratio anders zijn?

A
  • local competition hypothesis (wanneer verwantschappen vechten om resources of partner schaars zijn, dan wordt 1 geslacht moeilijker te maken)
  • local enhancement hypothesis ( 1 geslacht is makkelijk te maken, door bv resources of door incest)
59
Q

Trivers-willard hypothesis

A

Moeders kunnen hun nageslacht bepalen aan de hand van hun conditionele gezondheid

60
Q

Waarom vormen zangvogels dialecten?

A
  • Genetic difference hypothesis
  • acoustic stimulus hypothesis
  • social interaction hypothesis
61
Q

Genetic difference hypothesis

A

Dialecten in zangvogels zijn het resultaat van genetische verschillen

62
Q

Acoustic stimilus hypothesis

A

Dialecten ontstaan doordat jonge vogels geluiden van volwassenen naspelen

63
Q

Social interaction hypothesis

A

Dialecten zijn het resultaat van sociale interacties met een jonge vogel en zijn leermeester

64
Q

Paternity assurance hypothesis

A

Mannetjes zullen snel voor jongen zorgen als ze zeker weten dat het hun kind is

65
Q

Evolutionarily stable strategy

A

Balans tussen verschillende strategieën in een populatie (stabiel)

66
Q

Endogenous clock hypothesis

A

Individuen beheren hun gedrag aan een biologische klok, niet aan hun surroundings

67
Q

Environmental stimilus hypothesis

A

Dieren gebruik hun surroundings om hun prioriteiten te beheren

68
Q

Female defense polygony hypothesis,

A

wanneer recourses in grote handen zijn van een groep vrouwtjes of helpen het verlagen van predatie, dan zal een mannetje de groep vrouwtjes bewaken waardoor hij makkelijk toegang krijgt tot vrouwtjes

69
Q

Voordelen monogaam?

A
  • kosten om vaker te paren misschien hoog
  • veiliger
  • misschien meer rewarding
  • ziekte door sex
70
Q

Genetic monogamy

A

Een vorm van monogamy waar het mannetje en vrouwtje een pair- bond vormen en alleen met elkaar paren

71
Q

Social monogamy

A

Mannetje en vrouwtje vormen een pair bond maar paren ook nog met anderen

72
Q

Polygyny

A

Mannetje met meerdere vrouwtjes

73
Q

Mate assistance hypothesis

A

Partner is nodig voor groot brengen jong (monogamy)

74
Q

Inbreeding avoidance hypothesis

A

Vrouwtjes paren polygaam om inteelt te voorkomen

75
Q

Direct benefits being polyandrous (female)

A
  • additional resources hypothesis
  • additional care hypothesis
  • infanticide reduction hypothesis
76
Q

Additional recourses hypothesis

A

Vrouwtjes paren met meerdere mannetjes, want zo krijgen ze toegang tot aanvullende recourses.

77
Q

Additional care hypothesis

A

Mannetjes kunnen helpen bij groot brengen jongen

78
Q

Resources defense polygyny

A

Wanneer resources geklonterd zijn en waar mannetjes over beschikken trekken vrouwtjes aan, het mannetje bewaakt de recourses en dus ook de vrouwtjes (territorium)

79
Q

Lek polygyny hypothesis

A

Wanneer resources verpreidt zijn wachten mannetjes tot er een vrouwtje bij langs komt

80
Q

Scramble competition polygyny hypothesis

A

Mannetjes zoeken naar vrouwtjes

81
Q

Infanticide reduction hypothesis

A

Vrouwtjes paren met meerdere mannetjes om grotere onduidelijkheid te krijgen over of het hun jong is of niet om infanticide te verminderen

82
Q

Ecological contrains hypothesis

A

Als er te weinig middelen in het gebied zijn om voort te planten, dan zal het individu voorplanting op zich laten wachten en helpen andere soortgenoten voor opgroeien jongen

83
Q

Temporal variability hypothesis

A

Klimaatonzekerheid zorgt voor cooperative breeding

84
Q

Life history hypothesis

A

Specifieke levensgeschiedeniskenmerken, zoals een hoge overleving van juvenielen en volwassen, spelen een rol in de evolutie van cooperative breeding, door een overschot aan individuen in een habitat te creeeren

85
Q

Benefits of philopatry hypothesis

A

De voordelen van afwachten met dispersal outweight de voordelen van dispersal

86
Q

Bet-hedging hypothesis,

A

het idee dat helpers zorgen voor de afname van complete nest failure en dus ook tot de vermindering van de reproductieve variatie

87
Q

Fixed action pattern

A

Is een reeks om aangeleerd gedrag dat tot stand komt door een prikkel

88
Q

Cryptic female choice

A

Door het controleren van wanneer en met welke mannetjes ze paart, manipuleert ze de hoeveelheid sperma van verschillende mannetjes

89
Q

Reproductive skew

A

De oneerlijke deelneming aan reproductie binnen een populatie

90
Q

Fundamental symmatry of sex

A

Eicellen zijn meer waard dan spermacellen

91
Q

Levels of analyse

A

Proximate en ultimate oorzaken van gefrag

92
Q

Ultradian

A

Korter dan een dag (sleep stage)

93
Q

Circadiaan ritme

A

Ongeveer 24 uur (slapen e; activiteit)

94
Q

Infradian

A

Maandelijks

95
Q

Circannuel

A

Jaarlijks (hibernation)

96
Q

Diurnal rythm

A

Gedrag gerelateerd aan licht en donker bv lichaams temperatuur of urineprodcutie

97
Q

Group selection

A

Groepen van soorten die instaat zijn om zich op te offeren (altruïsme) zijn more likely om te overleven dan soorten groepen die dat niet doen

98
Q

Immunocompetence handicap hypothesis

A

Omdat testosteron de ontwikkeling van sexuele selectie bevordert en ook Immunocompetence signalen misschien vrouwtjes laten weten over de gezondheid van het individu