Baustelle 2 Flashcards Preview

Duits Wörter Kapitel 5 > Baustelle 2 > Flashcards

Flashcards in Baustelle 2 Deck (35):
1

de (1e nv - mannelijk)

der

2

de (1e nv - vrouwelijk)

die

3

het (1e nv - onzijdig)

das

4

de (1e nv - meervoud)

die

5

de (3e nv - mannelijk)

dem

6

de (3e nv - vrouwelijk)

der

7

het (3e nv - onzijdig)

dem

8

de (3e nv - meervoud)

den + n

9

de (4e nv - mannelijk)

den

10

de (4e nv - vrouwelijk)

die

11

het (4e nv - onzijdig)

das

12

de (4e nv - meervoud)

die

13

een (1e nv - mannelijk)

ein

14

een (1e nv - vrouwelijk)

eine

15

een (1e nv - onzijdig)

ein

16

geen (1e nv - meervoud)

keine

17

een (3e nv - mannelijk)

einem

18

een (3e nv - vrouwelijk)

einer

19

een (3e nv - onzijdig)

einem

20

geen (3e nv - meervoud)

keinen + n

21

een (4e nv - mannelijk)

einen

22

een (4e nv - vrouwelijk)

eine

23

een (4e nv - onzijdig)

ein

24

geen (4e nv - meervoud)

keine

25

Ik geef de leraar het schrift

Ich gebe dem Lehrer das Heft

26

De ober schenkt de gasten de glazen vol

Der Kellner schenkt den Gästen die Gläser voll (3e nv + meervoud = +n bij znw)

27

Wij sturen onze partnerklas een brief

Wir senden unserer Partnerklasse einen Brief

28

De moeder geeft de baby de fles

Die Mutter gibt dem Baby die Flasche

29

Koop je voor je vriendin geen ijs?

Kaufst du deiner Freundin kein Eis?

30

Ik dank u hartelijk

Ich danke ihnen herzlich (danken = 3e nv)

31

Ik dank de taxichauffeur voor de snelle rit

Ich danke dem Taxifahrer für die schnelle Fahrt (danken = 3e nv)

32

Ze vraagt u - mee te komen

Sie bitten ihn, mitzukommen (bitten = 4e nv)

33

UNICEF vraagt de scholen voor ondersteuning

UNICEF bittet die Schulen um Unterstützung (bitten = 4e nv)

34

Hij vraagt zijn leraar iets

Er fragt den Lehrer etwas (fragen = 4e nv)

35

Hans vraagt de moeder iets

Has fragt die Mutter etwas (fragen = 4e nv)