chapter 0.4 Flashcards

de baby

1
Q

0 tot 3 maanden: het kijkstadium

A

De baby leert spieren van het gezicht (zoals de ogen) en
de nek gebruiken. Zo leert hij bewegende voorwerpen of
personen volgen met zijn ogen. De nek wordt sterker, zodat
het kind vanuit buiklig zijn hoofdje rechtop kan houden. Zo kan
hij beter rondkijken

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
2
Q

4 tot 6 maanden: het grijpstadium

A

Het kind leert schouders en armen gebruiken. Het leert ook grijpen: met zijn handen reiken naar
voorwerpen en ze vastnemen. Dat is het begin van de oog-handcoördinatie. In buiklig kan het kind
steunen op de ellebogen. Rond 5 maanden kan het vanop zijn buik naar zijn rug rollen. Het kind kan
rechtop blijven zitten als het voldoende steun heeft, zoals in een kinderstoel. Aan het einde van deze fase
leert het kind ook rollen van ruglig naar buiklig.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
3
Q

7 tot 9 maanden: het zitstadium

A

Het kind leert zitten zonder dat het steun nodig heeft. Het heeft nu de handjes vrij en kan dus vlotter
beginnen te spelen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
4
Q

10 tot 12 maanden: het kruipstadium

A

Het kind leert kruipen en zich rechttrekken. Het leert staan en stappen met de steun van een meubel of
een volwassene. Beetje bij beetje leert het stappen zonder steun, al gebeurt dat vaak pas na 12 maanden.
Ook de vingers worden beter beheerst. Rond 11 maanden kan de baby de pincetgreep toepassen: kleine
spulletjes vastnemen tussen duim en wijsvinger.
De oog-handcoördinatie wordt meer en meer verfijnd: sommige baby’s kunnen nu zelf een lepel naar de
mond brengen, een blokje op een ander blokje plaatsen, potjes in elkaar zetten …

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
5
Q

Vanaf 12 maanden: het loopstadium

A

Het kind leert zelfstandig stappen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
6
Q

Accommodatie

A

aanpassing van bestaande kennis of vaardigheden aan nieuwe situaties

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
7
Q

Adaptatie

A

aanpassing aan de omgeving

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
8
Q

Adaptatie

A

aanpassing aan de omgeving

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
9
Q

Exploratiedrang

A

de behoefte van een kind om zijn omgeving te onderzoeken

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
10
Q

Intentioneel

A

doelbewust

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
11
Q

Sensomotorische fase

A

: fase van 0 tot 2 jaar in de cognitieve ontwikkeling waarin het kind leert door
zijn zintuigen te gebruiken en te bewegen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
12
Q

veilige hechting

A

de ouders geven het kind liefdevolle aandacht en kalmeren en troosten het wanner dat nodig is

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
13
Q

afwerende hechting

A

de ouders zijn vaak onvoorspelbaar in hun reacties. de ene keer geven ze hun kind aandacht , de andere keer laten ze het aan zijn lot over.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
14
Q

vermijdend hechting

A

de ouders reageren afstandelijk op noden van hun kind. het hechtingsgedrag van het kind word genegeerd

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly