Extra info week 1 Flashcards

1
Q

welke mensen hebben minder last van een immuun remedieerde pathogenese van een virus infectie?

A

Immuun gecompromitteerde patienten

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
2
Q

hoe noemen we het als er Ig van belang zijn bij de immunopathogenese? Wat gebeurt er?

A

Immuuncomplex vorming –> slaan neer in de huid, vaatwand, nieren –> activatie van het IS en lokale weefselschade

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
3
Q

Noem een voorbeeld van een post-infectieuze complicatie

A

CMV-infectie kan het Guilain-Barre syndroom geven

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
4
Q

Wat is moleculaire mimicry en wat is het effect?

A

Er is een structurele overeenkomst tussen een Ag van een microbe en een Ag van de host

Kruisreactiviteit geven met:
- kruisreagerende AS
- kruisreagerende T-cellen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
5
Q

Waarvoor is de cellulaire respons het meest belangrijk en waardoor de humorale respons bij een virus infectie?

A

Cellulair: klaren van de infectie

humoraal: voorkomen van re-infectie

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
6
Q

Welke virussen kunnen latente infecties geven/aanwezig zijn?

A
  • HSV
  • VZV (varicella zoster)
  • EBV
  • CMV
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
7
Q

Welke neoplasmata kunnen worden veroorzaakt door EBV? En door HHV8?

A

EBV:
- B-cel lymfoom
- burkitt lymfoom
- nasofaryngeaal carcinoom

HHV8:
kaposi sarcoom

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
8
Q

Hoe werkt de TLR-respons tegen LPS?

A

LPS = lipopolysaccharide op gram- bacterien

  • binding vrij LPS in de circulatie door LPS-bindend eiwit (LBP) en LPS wordt weggevangen uit de circulatie
  • LBP draagt het over aan CD14 op de macrofaag –> associeert met TLR4-MD2 complex
  • activatie waardoor adapter eiwitten intracellulair binden
  • activatie van de MyD88/TIRAP pathway en de TRIF/TRAM pathway

MyD88/TIRAP pathway: TAK1 activatie –> transcriptiefactor activatie
GEVOLG: pro-inflammatoire cytokine productie

TRIF/TRAM pathway
TBK1 activatie –> transcriptiefactor activatie –> GEVOLG: type 1 IFN synthese (a en b)
TBK1 activeert ook de andere transcriptiefactoren –> pro-inflammatoire cytokines

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
9
Q

Wat is het gevolg van de LPS geïnitieerde signaleringscascade?

A

productie van verschillende pro-inflammatoire ontstekingsmediatoren –> sterke systemische reactie –> daarom ook wel ENDOTOXINE genoemd

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
10
Q

Wat is het effect van de volgende cytokines:
IL-1
IL-6
IL-12
G-CSF, GM-CSF, M-CSF
TNF-a
IL-8

A

IL-1 = pro-inflammatoir en koortsverwekkend
door:
- activatie leukocyten
- inductie secundaire cytokines
- activatie endotheel waardoor migratie van leukocyten

IL-6: inductie van acute fase reactie
door:
- stimulatie hematopoiese
- activatie leukocyten
- differentiatie van B- en T-cellen

IL12: inductie van IFN-y productie door NK-cellen en Th1-cellen

G-CSF, GM-CSF, M-CSF:
- stimulatie van myelopoeiese
- activatie van granulocyten, monocyten en macrofagen

TNF-a: Pro-inflammatoir (gelijk aan IL-1)

IL-8:
- chemotaxis
- activatie van neutrofiele granulocyten

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
11
Q

Welke chemokines zijn veel voorkomend en wat doen zij?

A

MCP-1/CCL-2: chemotaxis van monocytes

IL-8: chemotaxis en activatie van neutrofiele granulocyten

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
12
Q

Wat doet NF-kappaB?

A
  • transcriptie van cellulaire activatie markers zoals adhesiemoleculen en co-stimulatie moleculen
  • transcriptie van pro-inflammatoire cytokines en chemokines
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
13
Q

Wat doet iNOS?

A
  • synthese van NO radicalen –> werken als bactericide en op endotheel
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
14
Q

Wat kan er systemisch optreden door LPS?

A

systemische effecten zoals
- koorts
- intramusculaire coagulatie
- shock

–> Activeert endotoxines

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
15
Q

Welk soort Ag kunnen heftige systemische effecten opwekken die vergelijkbaar zijn met endotoxinen?

A

MO die super Ag produceren zoals
- s aureus
- streptococcus pyogenes

Induceren de productie van superAg door de hostcel
- EBV
- HIV

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
16
Q

Wat si het pathogene mechanisme onder de superAg?

A
  • superAg binden aan MHC-2 van de APC
    EN aan de variabele gebieden van de beta-keten van de TCR = v-beta (buiten de peptide bindingsplaats)
  • omdat er verschillende v-beta families zijn die al wel of niet gebonden worden, verschillen de superAg in de fractie van alle T-cellen die ze activeren
  • Interactie T-cellen met APC door superAg
  • activatie van de T-cel
  • cytokine productie zoals IL-1, IL-2, TNF en IFN-y
  • deze kunnen een direct systemisch effect hebben EN activerend werken op andere cellen zoals macrofagen
  • gestimuleerde macrofagen gaan ook pro-inflammatoire cytokines produceren
17
Q

Wat is het het verschil tussen de cytokineproductie door endotoxines en door superAg? En overeenkomst?

A

SuperAg:
- niet enkel de receptoren van de innate afweer maar ook de Ag specifieke receptoren van lymfocyten

Symptomen zijn vergelijkbaar aangezien de systemische effecten worden veroorzaakt door met name het pro-inflammatoire TNF

18
Q

Welke cytokine is van belang bij een systemische reactie door endotoxines of door superAg?

A

TNF

19
Q

wat doet de mannose receptor?

A

herkent mannosestructuren op de membraan van bacteriën
Dergelijke mannosestructuren komen niet voor op lichaams- cellen, zodat de fagocyten op deze wijze globaal onderscheid kunnen maken tussen lichaamseigen cellen en bacteriën

20
Q

Wat zijn de belangrijkste functies van het innate IS?

A
  1. het opruimen en doden van binnengedrongen micro-organismen en tumorcellen
  2. het opwekken van een ontstekingsreactie (zowel lokaal als systemisch
  3. het opnemen en transporteren van micro-organismen (antigenen) naar perifere lymfoïde organen om daar de respons van het verworven immuunsysteem in gang te zetten en te sturen.
  4. ondersteunt het aangeboren immuunsysteem tal van effectorfuncties van het verworven immuunsysteem.
21
Q
A