Farmacognosie Morfologie Practicum Flashcards Preview

Farmacognsie > Farmacognosie Morfologie Practicum > Flashcards

Flashcards in Farmacognosie Morfologie Practicum Deck (58):
1

Wortelstok/rhizoom

is een ondergrondse stengel en draagt bijgevolg knoppen, bladorganen en stengels of hun beginsels.

2

Soorten vaatbundels:

- Collateraal: Floëem-xyleem
- Biocollateraal: floëem-xyleem-floëem = centraal xyleem, aan beide zijden omgeven door floëemweefsel
- Concentrisch: centraal xyleem/(floëem) volledig omgeven door floeëmweefsels/(xyleemweefsel)

3

Cambium/secundair meristeem/interfasciculair cambium

een laag die zich ontwikkelt tussen de vaatbundels zodat een gesloten cambiumring ontstaat. Deze ring bevat naar buiten toe floëem en naar binnen toe xyleem, behalve op de plaats waar de mergstralen zich bevinden.

4

Floëem/Zeefvat

zorgt in de stengel/wortel voor transport van voedingsstoffen

5

Bast

Alle cellen buiten het cambium.

6

Xyleem/Houtvat

zorgt in de stengel/wortel voor transport van water

7

Centrale merg

los parenchym weefsel midden in het hout

8

Collenchym

Tijdelijke cellen/weefsels die in stengels zorgen voor stevigheid

9

Parenchym

weefsel dat dient als vulweefsel en als weefsel voor opslag van reservestoffen

10

Sclerenchym

Cellen/weefels die zorgen voor stevigheid

11

Wortel/Radix

groeien verticaal in de grond, zijn cilinidervormig en dragen geen bladorganen maar wel wortelhaartjes; uitgegroeide epidermiscellen in een bepaalde zone tegen de worteltop aan.

12

Fellogeen/kurkcambium

tijdens de secundaire diktegroei getransformeerd pericikel/pericambium. Tijdens deze transformatie sterven de buitenste weefsels af en neemt de kurklaag de beschermende functie van de primaire bast over.

13

Felleem/Kurk

geproduceerd door fellogeen

14

Knol

zijn locale verdikkingen van wortelstokken of wortels waarin reservematerialen en parenchymweefsel opgestapeld zitten.

15

Bol

is een gemetamorfoseerde onderaardse knop bestaande uit een as of ook wel schijf genoemd van waaruit enerzijds de loot en anderzijds de bijwortels ontstaan. De reservestoffen voor dit groeiproces zijn opgestapeld in de rokken, bestaande uit tot vlezige, dike schubachtige ontwikkelde onderaardse bladeren.

16

Hout

compacte weefselstructuur die door een homogene groeiactiviteit van het cambium naar binnen toe ontstaat.

17

Jaarring

hout bij dicotylen: doordat cellen die in de lente zijn gebouwd een veel groter lumen bezitten dan deze afkomstig van het herfsthout.

18

Valse jaarringen

zijn geen gesloten ringen en zijn een gevolg van één of andere afzetting in een bepaald deel van het hout.

19

Houtvat

bij secundaire diktegroei gegroepeerd in houtstralen en hebben een transportfunctie. Op longitudinale snede zijn ze te herkennen door de typische wandverikkingen: ring-, spiraal-, net- en stippelvaten.

20

Houtvezels

: vezels waaruit het steunweefses is opgebouwd, volgens de lengte-as gestrekt

21

Mergstralen

bundels van dunwandig parenchymatisch weefsel die zorgen voor opslag en transport van voedingsstoffen en gassen. Primaire mergstralen (radial gestrekt) verlopen van het merg tot aan het cambium. Secundaire mergstralen zijn minder lang en splitsen de vaatbundels waardoor de primaire structuur verloren gaat.

22

Kernhout

(donkerder): geen transportfunctie meer omdat de houtvaten verstopt zijn als gevolg van het uitgroeien van de houtvaatwand en het uistorten van gom, hars en looistoffen in de cellen.

23

Splinthout

(lichter): transportfunctie in de levende plant en is dus saprijk

24

Bast

Periderm (felleem + fellogeen + felloderm), primaire bast (grondweefsel dat oorspronkelijk buiten de vaatbundelring lag) en secundaire bast (floëemgedeelte van deze vaatbundels)

25

Periderm

ontstaat uit subepidermale primaire bastparenchymcellen en vangt het diktegroei-proces op door achtereenvolgende delingen loodrecht op de radiale richting.

26

 Kurkcambium/fellogeen

is het nieuw gevormde meristeem en ontwikkelt zich in een concentrische ring en vormt naar buiten toe kurk en naar binnen felloderm/kurkschors.

27

Kurkcellen

tangential gestrekte en rechtradiaal gestapelde cellen gevuld met donkerrode plantenkleurstoffen. Dit maakt cellen ondoordringbaar voor voedingstoffen zodat de weefsels buiten de eerste peridermring afsterven.

28

Schors

Het dode buitenste deel van de bast (afgestorven secundair bastweefsel) dat bestaat uit kurk.

29

Lenticellen

openingen doorheen de epidermis waardoor nog een zekere gastuitwisseing mogelijk wordt.

30

Breukvlak

typisch kenmerk voor bast. Lange vezels bemoeilijken de breuk en het breukvlak is dus niet homogeen. Het kan vezelig/splintering/korrelig zijn. (het kan dus niet mooi in 2 gesneden worden door de lange vezels)

31

Bladrand

gaaf, gelobt, gespleten, vingervormig ingesneden, getand of gezaagd

32

Bladtop

spits of stomp

33

Bladvorm

rond, lineair, wig-, lancet- of spatelvormig, langwerpig, ei of omgekeerd eirond

34

Nervatuur

veer- of handvormig

35

Anastomoseren

secundaire nerven hun laatste vertakkingen kunnen in mekaar overlopen (gesloten nervatuur) of vrij uitmonden in het parenchym (open nervatuur)

36

Epidermis

boven en onderaan het blad, opgebouw uit talrijke poygonale cellen met meer of minder gegolfde wanden. Het ganse oppervlakte is bedekt met een structuurloos cuticulamembraan dat glad, gewrat of gestreept voorkomt.

37

Huidmondjes

aan te treffen aan de bladonderzijde uit 2 of meer halfmaanvormige sluitcellen, belangrijk voor de ademfunctie.

38

Papillen

epidermis uitstulpingen die frequent worden aangetroffen op de kroonbladeren van bloemen.

39

Emergenties

uitgroeiingen uit dieper gelegen weefsels zoals doornen bij rozen
Hydathoden en openingen (geen sluitcellen dus kunnen niet sluiten): komen voor aan de punt van de bladeren in de epidermis en dienen voor de waterafgifte.

40

Bifaciaal/Dorsi-ventraal

bladmoes is hoofdzakelijk opgebouwd uit palissadeweefsel (één of meerdere cellagen dik en bestaat uit cilindrische cellen die zeer dicht tegen elkaar aansluiten en welke bladgroen bevatten) tegen de bovenepidermis met daaronder een los sponsparenchym (ronde, langwerpige of stervormige cellen met veel intercellulaire ruimten en minder bladgroen)

41

Isolateraal/Centrisch

Zowel tegen boven- als onderepidermis een palissadeweefsel met tussenbeide sponsparenchym

42

Hypodermis

een één of twee cellen brede weefsellaag onder de epidermis die geen bladgroen bevat.

43

Bloembodem

de drager en bestaat uit een vergrootte stengelas welke schijf-(bovenstandig), beker- (middenstandig) of kruikvormig (onderstandig) kan zijn.

44

1/2 Slachtig

1-slachtige bloemen ontbreken ofwel meeldraden of wel een stamper ofwel is één van beiden rudimentair aanwezig.

45

1/2 Huizig

éénhuizig planten: mannelijke en vrouwelijk bloemen komen samen voor op 1 plantenindividu. Tweehuizige planten: beide op verschillende individuen van dezelfde plant.

46

Racemeus (middelpuntzoekend, centripetaal

bloeiwijze waarbij de hoofdas domineert en de randbloemen eerst bloemen.

47

Cymeus (middelpuntvliegend of centrifugaal

bloeiwijze waarbij de nevenas domineert, langer is en later tot bloei komt.

48

Zaden

vorming ervan treedt uitsluitend op bij de spermatofyten na bevruchting van de ontwikkelde zaadknop.

49

Angiospermen/bedektzadigen

zaden ingesloten in een omhulsel, het vruchtbeginsel

50

Gymnospermen/naaktzadigen

zaadknop aangelegd in de oksels van schubben (vrouwelijke kegels en vormen da nook geen echte vruchten)

51

Monocotyl

bezitten 1 zaadlob per zaad, parallelnervige bladeren en doorgaans drietakkuge bloemen zonder differentiatie tussen kelk en kroon

52

Dicotyl

tweezaadlobbigen en hebben veer- of handnervige bladeren en meestal een vijftallige bloem met differentiatie tussen kelk en kroon.

53

Vruchtbeginsel

waar de zaadaanleg gebeurt, meestal op de samengegroeide naden van de vruchtbladeren welke een zaadlijst vormen, ook wel placenta genoemd.

54

Vruchtwand

bevat exocarpium (onderepidermis van een blad), mesocarpium (sterk verschillend) en endocarpium (minder van de oorspronkelijke bouw herkenbaar; gedegeneerd of gescleroseerd)

55

Schijnvrucht

Als andere bloemdelen participeren aan de vruchtvorming

56

Echte Vrucht

Wanneer enkel vruchtbladeren en zaden deelnemen aan de vruchtvorming

57

Sappige Vrucht

sappige vruchten waarvan het pericarp in zijn geheel of gedeeltelijk saprijk is

58

Droge Vrucht

Vrucht met droog pericarp