Geneeskunde 1C3 HC week 2 - 13-6 Flashcards

1
Q

Wat zijn de target weefsels voor schildklierhormoon?

A
  • Hart
  • Skeletspieren
  • (Bruin) vetweefsel
  • Bot
  • Hersenen
  • Hypofyse
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
2
Q

Wat is het effect van schildklierhormoon op cardiovasculaire hemodynamiek?

A
  • Directe verhoging van slagkracht/contractiliteit (inotroop) en hartfrequentie (chronotroop)
  • Verhoging metabolisme, waardoor het lichaam verwarmd en er wat vasodilatatie plaatsvindt
  • Rechtstreeks zorgen voor vasodilatatie (verminderde weerstand) –> ondervulling –> lichaam gaat vocht vasthouden via natriumreabsorptie en het bloedvolume stijgt

–> deze effecten zorgen ervoor dat de cardiac output (HMV) verhoogd wordt

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
3
Q

Wat zijn de effecten van een hyper- en hypothyreoïdie op de volgende onderdelen van het hart- en vaatstelsel:
- Systemische vasculaire weerstand
- Hartfrequentie
- Ejectiefractie
- Cardiac output
- Isovolumetrische relaxatie duur (en vulling)
- Bloedvolume ?

A

Zie de tabel!

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
4
Q

Hoe werkt de contractie van een cardiomyocyt?

A

Zie ook de afbeelding!

  1. Depolarisatie: kalium cel uit, natrium cel in
  2. Ca2+ gaat de cel in –> [calcium]intracellulair omhoog –> stimulatie RYR-Ca2+-kanaal
  3. Massale instroom Ca2+ via RYR vanuit sarcoplasmatisch reticulum (SR) het cytoplasma in
  4. Ca2+ stimuleert actine- en myosinefilamenten (gereguleerd door MHC_alfa/bèta) en veroorzaakt een contractie
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
5
Q

Hoe werkt de relaxatie van een cardiomyocyt?

A

Zie ook de afbeelding!

  1. Ca2+ wordt door SERCA terug gepompt in het SR wat ATP kost
  2. [Ca2+]cytoplasma neemt af
  3. Actine- en myosinefilamenten ontspannen en hartspier relaxeert
  4. NCX zorgt voor uitwisseling van Ca2+ de cel uit en Na+ de cel in
  5. Na+/K+-pomp wisselt Na+ de cel uit voor K+ de cel in
  6. Ca2+ kan via een calcium-kanaal aan de omgeving worden afgegeven
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
6
Q

Welk effect heeft T3 op de cardiale gen expressie bij de contractie en relaxatie van de cardiomyocyt?

A

Stimulatie eiwitsynthese van RYR, SERCA, NCX en MHC_alfa (snelle contractie en relaxatie)
Remming van MHC_bèta (langzame variant)

In cardiomyocyt nauwelijks omzetting van T4 –> T3 dus afhankelijk van circulerende T3 (wel inactivatie naar T2)

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
7
Q

Welke invloed heeft schildklierhormoon op skeletspierweefsel?

A

Het stimuleert de obligate thermogenese waarbij skeletspieren een grote rol spelen, het stimuleert 2 futiele cycli (nutteloze cycli) die energie kosten en warmte opleveren:
- Calcium cyclus: in sarcoplasmatisch reticulum; Ca2+ gaat naar cytoplasma via RYR –> hierdoor activiteit van SERCA om het terug te winnen wat ATP kost en warmte geeft
- Na+/K+ cyclus: op celmembraan; meer natrium- en kaliumkanalen tot expressie die wat lekken –> hierdoor Na/K-ATPase op gang wat ATP kost en warmte geeft

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
8
Q

Welke invloed heeft schildklierhormoon op (bruin) vetweefsel?

A

Het stimuleert de adaptieve thermogenese
- Meer bruin vetweefsel rond sleutelbeenderen en wervelkolomregio, meer bij vrouwen en meer bij dunne mensen

Normaal: energie uit nutriënten wordt gebruikt voor een protonengradiënt –> hiermee wordt ATP gesynthetiseerd (coupling –> oxidatieve fosforylering)
–> in bruin vetweefsel ook uncoupling door UCP1 (uncoupling protein 1) waarbij protonen worden teruggepompt en alleen warmte i.p.v. ATP ontstaat

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
9
Q

Welke verschillende soorten UPC’s heb je en wat is het effect van het schildklierhormoon hierop?

A
  • UPC1: in bruin vetweefsel, stimulerend effect
  • UPC2: in hart, skeletspireren, bruin vetweefsel en nierweefsel, stimulerend effect
  • UPC3: in skeletspieren en bruin vetweefsel, stimulerend effect
  • UPC4/-4: in de hersenen, niet bekent of dit een rol speelt
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
10
Q

Welke invloed heeft schildklierhormoon op het bot?

A

Stimuleert de botgroei (versnelde sluiting groeiplaat) en zorgt voor een lagere botdichtheid
- Hyperthyreoïdie is geassocieerd met osteoporose (verlaagde botdichtheid door oplossen)
- Hypothyreoïdie is geassocieerd met osteosclerose (verhoogde botdichtheid) en een vertraagde botgroei
–> bij beide kans op botbreuken vergroot

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
11
Q

Wat zijn karakteristieken van schildklierhormoonresistentie door mutaties in de TRalfa receptor?

A

Belangrijkste receptor in het proces van osteoporose en osteosclerose, leidt tot:
- Afwijkende schildklierfunctie; normaal TSH, laag/laag-normaal FT4, hoog T3, laag rT3
- Milde tot ernstige psychomotorische achterstand
- Groei achterstand, verminderde botleeftijd (vastgesteld met een röntgenfoto)
- Macrocefalie, vertraagde sluiting schedelnaden
- Constipatie
- Milde anemie

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
12
Q

Welke invloed heeft schildklierhormoon op de hersenen?

A

Belangrijk voor de hersenfunctie; stimuleert de vorming van neuronen en de groei van dendrieten en bij een tekort ontstaan depressie- en concentratiestoornissen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
13
Q

Wat is de rol van MCT8 in de hersenen en wat zal er gebeuren bij een mutatie hierin?

A

T4 en T3 kan m.b.v. MCT8 over de bloed-hersenbarrière worden getransporteerd
–> T4 opgenomen door astrocyten m.b.v. Oatp1C1 transporter –> hierna omzetting in T3 en dit beschikbaar voor neuronen en oligodendrocyten
–> T3 na opname direct beschikbaar voor neuronen en oligodendrocyten

Bij een mutatie in MCT8 kan T3 en T4 niet meer over de bloed-hersenbarrière en zal er een psychomotorische retardatie ontstaan en het Allan-Herndon-Dudley syndroom (AHDS)

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
14
Q

Wat is de werking van schildklierhormoon in de hypofyse?

A

Krijgt FT4 van de bloedbaan, hierna omzetting naar T3 (m.b.v. D2 dejodase), dit gaat de kern in en bindt aan de TR-bèta-2 receptor, hierdoor wordt de transcriptie van TSH geremd (negatieve feedbackloop)
–> in afwezigheid van T3, TSH afgeven

Dus TSH-afgifte afhankelijk van FT4 (lineaire relatie), ook bij een hyper- en hypothyreoïdie.
–> TSH is zeer gevoelig voor kleine veranderingen van FT4, daarom ook goed in diagnostiek bruikbaar
–> Na een tijdje ontstaat een evenwicht tussen TSH en FT4

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
15
Q

Wat is er aan de hand bij patiënten met een bèta schildklierhormoon resistentie (RTHbèta)?

A

Verstoord effect van FT4 (en T3) op de hypothalamus en hypofyse waardoor negatieve terugkoppeling wordt verbroken –> hierdoor verhoogde TSH en meer T4 en meer T3 in de circulatie –> effect op organen afhankelijk van TRalfa, want organen met TRbèta zijn zelf ook ongevoeliger geworden
–> patiënten hebben een hoog FT4 en een normaal TSH

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
16
Q

Wat is het verschil tussen functionele en niet-functionele noduli?

A
  • Niet-functioneel (95%): geen overproductie van schildklierhormoon, bijv. adenoom, cyste, overige (inflammatoir) en/of maligne (carcinoom, lymfoom, metastase 5%) –> maligne graag uitsluiten
  • Functioneel (5%): autonome (‘hete’) nodus die zelf overmatige hoeveelheid schildklierhormoon produceert
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
17
Q

Wat is belangrijk bij de anamnese voor een schildkliernodus?

A

Anamnese: familie met schildklierkanker, bestraling hals, heesheid (n. recurrens aangedaan), thyreotoxische symptomen

LO: schildklier diffuus vergroot vs. solitaire nodus vs. MNS, fixatie, wel/niet aanwezige lymfeklieren –> laatste twee grootste voorspellende waarde

Bij een palpabele nodus pas vervolgonderzoek met een TSH-meting; pas bij een normaal TSH het maken van een echografie + Fine Needle Aspiration (FNA) (als het > 1 cm is (tenzij volstrekt cysteus))

Echografie: hier vind je bij oudere mensen veel vaker noduli, want schildklier heeft de neiging om deze te vormen, maar deze zijn niet altijd relevant, dus liever eerst palpitatie –> ook incidentalomen worden niet benoemd, behalve op een FDG-PET, want anders zijn er teveel irrelevante noduli

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
18
Q

Welke karakteristieken beschrijf je op een echografie van de schildklier?

A
  • Afgrensbaarheid (regulair, irregulair)
  • Microcalcificaties
  • Echogeniciteit
  • Compositie
  • Vascularisatie
  • Halo rond nodus
  • Vorm (taller than wide)
  • Lymfeklieren

Je beoordeeld dit met de TiRADS (thyroid imaging reporting and data system) –> punten voor kenmerken en hoe hoger aantal punten hoe hoger de verdenking op een maligniteit

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
19
Q

Wat is de Bethesda classificatie?

A

Manier om cellen die met een FNA (soort punctie) zijn gewonnen te classificeren wereldwijd, het beleid hangt hierdoor af van de kans op dat het een maligniteit is

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
20
Q

Welke type schildklier maligniteiten zijn er en hoe is de prognose?

A

Gedifferentieerd: rustig biologisch gedrag
- Papillair carcinoom (PTC) (70%); 10jaars overleving >95%, bij metastases alsnog na 10 jaar 50%
- Folliculair carcinoom (FTC) (15%); 10jaars overleving >90% en bij metastases na 10 jaar alsnog 50%

Andere vormen:
- Medullair carcinoom (5-10%) –> soms ook gedifferentieerd, 10jaars overleving 65%
- Anaplastisch carcinoom (5%): bijna aller heftigste kankersoort met een verdubbelingstijd dagen/weken, overleving 0,5-1 jaar
- Lymfoom (<1%)
- Metastase (<1%)

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
21
Q

Wat is de incidentie van schildkliercarcinomen?

A

Zeldzame aandoening
- Vrouwen 4,3/100.000
- Mannen: 2/100.000

–> incidentie neemt tegenwoordig toe, want er worden veel meer echo’s, CT’s en MRI’s gemaakt en dit terwijl de mortaliteit helemaal niet toeneemt –> er is dus overdiagnostiek wat ook leidt tot overbodige behandelingen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
22
Q

Hoe wordt een PTC/FTC schildkliercarcinoom behandeld?

A

Totale thyreoidectomie en afhankelijk van of de schildklieren zijn aangedaan ook een halsklierdissectie

Dit wordt gevolgd door radioactief jodium (I131) ablatie, hiermee op plekken die niet weggesneden zijn behandelen (en plekken op afstand); je doet of recombinant TSH toedienen via een injectie of mensen van schildklierhormoon onttrekken waardoor ze hypothyreoot worden –> zorgt voor een hogere TSH behoefte waardoor schildklierkankercellen jodium gaan opnemen

Na de behandeling:
- TSH suppressie (thyroxine) door iets teveel schildklierhormoon te geven; hierdoor houdt je de TSH-stimulans zo laag mogelijk (TSH initieel < 0,1 mU/L)

23
Q

Hoe meet je het effect van de behandeling van een PTC/FTC schildkliercarcinoom?

A
  • Afbeeldend onderzoek: Echo-hals
  • Biochemisch: Thyroglobuline (Tg) (komt alleen in schildklier/schildklierkankercellen voor) tijdens thyroxine behandeling meten (zou niet aanwezig moeten zijn)
  • Dynamische risico stratificatie (DRS): na 1 jaar recombinant TSH injecteren en wordt gekeken of thyroglobuline aanwezig is, bij geen opname van thyroglobuline ben je genezen van het schildkliercarcinoom, anders;
  • Tg < 0,9 ng/mL laag-risico
  • Tg > 0,9 ng/mL niet laag-risico
24
Q

Wat gebeurt er als een schildkliercarcinoom metastaseerd in de volgende gevallen:
- Lymfogeen vorming
- Metastase op afstand
- Tumor wordt jodium-refractair ?

A
  • Lymfogeen: resectie en radioactief jodium
  • Afstand: radioactief jodium
  • Jodium-refractair: radiotherapie, resectie/lokale therapie, tyrosinekinaseremmers geven (systemisch niveau)
25
Q

Wat zijn de kenmerken van een medullair schildkliercarcinoom (MTC)?

A
  • Ontstaat uit parafolliculaire C-cellen
  • Sporadische tumoren of onderdeel van een genetisch tumorsyndroom (2 autosomaal dominante tumorsyndromen); twee verschillende soorten (MEN 2a/-b)
  • Hematogene en lymfogene metastasering
  • Maken calcitonine (differentiatie) en carcinoembryonaal antigen (CEA) (de-differentiatie)
26
Q

Wat zijn klinische verschijnselen van een medullair schildkliercarcinoom (MTC) en hoe is de diagnose ervan?

A

Knobbel in de schildklier (mechanisch) of diarree (door torenhoge calcitonine)

Diagnose d.m.v. een echo, FNA, biochemie (calcitonine en CEA) en genetisch MEN2 diagnostiek

27
Q

Hoe is de behandeling van een medullair schildkliercarcinoom (MTC)?

A
  • Lokale ziekte: totale thyreoidectomie + centrale halsklierdissectie (+ lat HKD)
  • Uitgebreide ziekte: chirurgie voor debulking (bij symptomen), lokale therapie, TKI (tyrosine kinase inhibitors (ZETA, EXAM, selpercatinib)) of PRRT

–> geen radioactief jodium, want het ontstaat niet uit de folliculaire cellen en alleen zij hebben een jodium-transporter

28
Q

Wat zijn de operatie-indicaties voor het opereren aan een benigne en maligne schildkliertumor?

A

Benigne:
- Symptomatisch benigne nodus
- Nodus van onduidelijke aard
- Multinodulaire struma met mechanische klachten
- M. Graves (therapieresistent of zwangerschapswens)
- Thyreotoxicose

Maligne:
- Goed gedifferentieerde schildkliertumor (papillair of folliculair) (80-100% 10jaars overleving)
- Medullaire schildkliercarcinoom
- Slecht gedifferentieerde schildkliercarcinoom
- Anaplastisch schildklierhormoon (heel zelden) (0% 10jaars overleving)

29
Q

Wat zijn operatie-indicaties voor het opereren bij een bijschildklier probleem?

A

Primaire hyperparathyreoïdie: oorzaak in bijschildklier zelf, teveel PTH productie –> hypercalciëmie
- 80-90% opereren bij 1 adenoom (minimaal invasieve doelgerichte operatie)
- 10-15% bij meerdere adenomen (ook conventionele halsexploratie en identificatie bijschildklieren)
- 5-10% bij hyperplasie
–> schildkliercarcinoom is zeer zeldzaam

Secundaire hyperparathyreoïdie: overmatige PTH-productie als reactie op nierfalen/stoornissen in calcium- en fosfaathuishouding –> hierdoor beide bijschildklieren verwijderen

30
Q

Hoe is de anatomie rondom de schildklier?

A
  • Huid van de hals eraf: m. platysma en v. jugularis anterior zichtbaar
  • Onder m. platysma: larynx met hyoïd en thyroïd zichtbaar + m. sternocleidomastoïdeus, m. sternohyoïdeus en m. sternothyroïdeus
  • Schildklier zelf: om de trachea heen gekruld met linker- en rechter lob en is in het midden smal (isthmus) (soms uitloper vanuit isthmus naar boven = lobus piramidales), bevat 3 venen en 2 arteria
  • Bijschildklieren: achterkant schildklier, craniaal, caudaal, links en rechts
  • N. laryngeus recurrens: links onder aortaboog door en omhoog naar de larynx, rechts onder a. subclavia en omhoog tussen trachea en slokdarm achter de schilklier
31
Q

Wat moet je doen voordat je gaat opereren aan de bijschildklieren?

A

Bepalen welke verwijderd moeten worden
–> m.b.v. echo of nuclaire beeldvorming

Bij 1 afwijkende bijschildklier een minimaal invasieve operatie en bij twijfel mogelijk een PTH-meting (meten en vergelijken met start van de operatie) uitvoeren en bij meerdere aangedane bijschildklieren evt. een conventionele halsexploratie en identificatie van alle bijschildklieren

32
Q

Waarmee kan een primaire hyperparathyreoïdie worden weergegeven?

A
  • MIBI-scintigrafie (opname van de stof bekijken)
  • 18F-choline-PET-CT (veel resolutie en detail)
  • Echo hals (altijd doen)
  • CT-bijschildklieren
  • Preoperatieve PTH-meting
33
Q

Hoe verloopt een operatie aan de schildklier?

A
  1. Incisie in de hals, 2 cm boven jugulum
  2. Door de subcutis en de m. platysma, wond hierna openhouden
  3. Korte halsspieren openen in de middenlijn
  4. Bloedvaten bovenpool schildklier doornemen
  5. Schildklierkwab uit de wond klappen

–> bescherm de n. laryngeus recurrens en laat de gezonde bijschildklieren (doorbloeding ervan ook)

34
Q

Wat zijn de risico’s en complicaties van een schildklier verwijdering operatie?

A
  • Laesie n. laryngeus recurrens; 1-10% tijdelijk, 1-2% permanent
  • Hypoparathyreoïdie bij bilaterale resectie; tot 25% tijdelijk, tot 10% permanent

Zeldzaam, maar ernstig:
- Bloeding en nabloeding; kans op stikken
- Beschadiging trachea en/of slokdarm

Zeldzaam:
- Wondinfectie

35
Q

Wat kan er in een verder gevorderd stadium van een hypocalciëmie ontstaan?

A

Ontstaat door een beschadiging van de bijschildklieren, want calcium speelt een rol in de actiepotentiaal van impulsen en kan krampen veroorzaken;
- Chvostek: spasmes in de masseter spier door prikkeling
- Trousseau: verkramping van de hand door het afknijpen van de bovenarm
- Hartritmestoornissen

36
Q

Wat zijn operatie-indicaties voor de bijnier?

A
  • Hypercortisolisme
  • Feochromocytoom
  • Ziekte van Conn
  • Massa-effect/klachten van benigne bijnierlaesie (worden meestal niet zo groot voor een goedaardige tumor)
  • Vergrote bijnier >4cm (incidentaloom)
  • Verdenking bijnierschorscarcinoom
  • Solitaire bijniermetastase
37
Q

Wanneer opereer je mensen met hyperaldosteronisme (ziekte van Conn) en hoe reageren ze postoperatief?

A

Eerst medicamenteuze behandeling, maar bijna altijd toch ook chirurgisch
- Meestal zeer kleine benigne tumoren
- M.b.v. bijniervenesampling bepalen welke bijnier is aangedaan

Postoperatief: vaak snelle correctie van kalium en trage correctie van de bloeddruk

38
Q

Wanneer opereer je mensen met hypercortisolisme en wat is een risico postoperatief?

A

Meestal sprake van 1 bijnier die autonoom functioneert en teveel cortisol produceert
- Adenoom van de bijnierschors of hyperplasie
- Voor adrenalectomie altijd hypercortisolisme uitsluiten!

Postoperatief: Addisonse crisis voorkomen! hiervoor peri-operatief glucocorticosteroïden suppleren (anders cortisol keldering en geen kans om de stressreactie op te vangen)

39
Q

Wanneer opereer je mensen met feochromocytoom en wat is een risico postoperatief?

A

Tumor van de bijniermerg die adrenaline, noradrenaline of dopamine produceert
- Kan benigne of maligne
- Geen invasieve diagnostiek of behandeling voordat dit is uitgesloten
- Preoperatief behandelen met alfablokkade (niet te hoge bloeddruk en heel soms bètablokkade)

Postoperatief: hypertensieve crisis voorkomen, daarom preoperatief behandelen

40
Q

Hoe is de anatomie van de bijnier?

A

Rechts: 1 vene komt uit in v. cava inferior en 3 arterietakjes (vanuit aorta, diafragma en nier)
Links: 1 vene komt uit in v. renalis en 3 arterietakjes (vanuit aorta, diafragma en nier)

41
Q

Wat is belangrijk bij chirurgie van de bijnieren en wat is het verschil tussen een open en een laparoscopische operatie?

A
  • Als eerste bijniervene afknellen zodat geen adrenaline/noradrenaline in de circulatie terecht komt

Open operatie: grote tumor, maligniteit, op anaesthesiologisch advies, subcostae incisie, operatie in rugligging, postoperatief pijnpomp, katheter, gemiddeld 1 week opname, grotere kans op pulmonale complicaties of littekenbreuk

Laparoscopische operatie: diameter =<6 cm, adenoom, indien mogelijk, 3/4 kleine incisies, operatie in zijligging/buikligging, minder postoperatieve pijn, geen katheter, gemiddelde opname 2-4 dagen, snellere mobilisatie en kleinere kans op littekenbreuk/wondcomplicaties

42
Q

Uit welke cellen bestaat de schildklier?

A

Bestaat uit folliculaire epitheelcellen (produceren thyreoglobuline, T3 en T4) en parafolliculaire cellen/C-cellen (produceren calcitonine)

43
Q

Hoe groeit de schildklier en waar kan deze zitten?

A

Fusie van endoderm en neuroectoderm weefsel
- Meestal om het strottenhoofd heen met 2 kwabben die zijn verbonden door de isthmus
- Ontstaat aan de basis van de tong en migreert via ductus thyreoglossus
- Soms een centrale uitloper; lobus pyramidalis (overblijfsel embryogenese)
- Kan binnen de Wölfer area voorkomen (geel in afbeelding)

44
Q

Wat is de vorm- en functieafwijking bij de volgende ziektebeelden waarna een hyperthyreoïdie ontstaat:
- TSH-producerend adenoom vd hypofyse (zelfzaam)
- M. Graves
- Toxisch struma
- Toxisch adenoom ?

A
  • TSH-producerend adenoom vd hypofyse: diffuse hyperplasie en hoog TSH
  • M. Graves: diffuse hyperplasie en laag TSH
  • Toxisch struma: nodulaire hyperplasie en laag TSH (colloïd lekt weg)
  • Toxisch adenoom: adenoom en laag TSH
45
Q

Wat is de vorm- en functieafwijking bij de volgende ziektebeelden waarna een hypothyreoïdie ontstaat:
- Genetische defecten in synthese/secretie
- Endemische struma o.b.v. langdurig te laag jodium
- Ontsteking
- Bestraling/chirurgie/geneesmiddelen/hypopituitarism ?

A
  • Genetische defecten in synthese/secretie; nodulaire hyperplasie (onregelmatige orgaan zwellingen) en onvoldoende T3/T4
  • Endemische struma o.b.v. langdurig te laag jodium: hyperplasie, en onvoldoende T3/T4 en wel TSH stijging
  • Ontsteking: zwelling door mononucleair infiltraat, atrofie in latere fase (M. Hashimoto)
  • Bestraling/chirurgie/geneesmiddelen/hypopituitarism: variabel maar meestal atrofie
46
Q

In welke verschillende vormen komt een thyreoïditis voor?

A
  • Acute vormen; infectieus, pijn, vaak bacteriëel
  • Hashimoto thyreoïditis; granulomateuze thyreoïditis en subacute lymfocytaire thyreoïditis (auto-immuunziekte)
  • Ziekte van Graves; auto-immuunziekte door LATS-antilichamen, leidt tot diffuse hyperplasie en toename in resorptie vacuoles, epitheel groter maar influx van lymfocyten beperkt
47
Q

Welke vormafwijkingen kunnen er aan de schildklier zijn?

A
  • Diffuse en multinodulaire (struma) hyperplasiëen
  • Neoplasiëen; adenomen (goedaardig)
  • Neoplasiëen; carcinomen (kwaadaardig)
  • Metastasen
48
Q

Wat zijn diffuse en multinodulaire hyperplasiëen?

A

Onregelmatige groei van de schildklier en de precieze oorzaak is vaak niet goed duidelijk
- Langere tijd te weinig schildklierhormoonproductie en toename TSH + gebrek aan jodium en hierdoor onvoldoende T3/T4 respons, genetisch of onbekende oorzaken
- Cycli van hyperplasie, focaal afgewisseld met atrofie (plat epitheel, weggedrukt door hoeveelheid colloïd)
- Nodulair kan het cysteus worden of botweefsel vormen
- Meestal goedaardig en reversibel
- 2 vormen: sporadisch en endemisch (ernstige groeistoornis en zeer grote struma’s)

49
Q

Wat zijn adenomen en welke soorten heb je?

A

Over het algemeen solitair, hebben vaak een bindweefsel kapsel en zijn moeilijk te onderscheiden van dominante nodules
- Klein deel is toxisch (hyperactief); hierbij bij >50% een mutatie in de TSH-receptor of G-proteïne, vaak wat kleiner, leveren sneller klachten op
- Stille, niet-toxische adenomen; hierbij in <20% sprake van een RAS mutatie

50
Q

Wat zijn de kenmerken van een papillair schildklier carcinoom?

A
  • Opheldering in kern en kerngroeven, grond-glass/Orphan Annie’s eye nuclei
  • Psammoom lichaampjes
  • Bouwplan zijn papillen (dunne epitheliale streng met vaatbundeltje)
  • Lymfogene metastasering
  • In 75-85% van de gevallen bij schildklierkanker
  • Komt door o.a. bestraling
  • Kan ook genetisch ontstaan zijn; RET-mutaties (met partner PTC) of BRAF-mutaties (V600E, activerende mutatie)
51
Q

Wat zijn de kenmerken van een folliculair schildklier carcinoom?

A
  • In 10% van de gevallen bij schildklierkanker
  • Kernen zijn rond en niet helder
  • Hematogene metastasering
  • Moeilijk te onderscheiden met papillair carcinoom; verschil door kapseldoorbraak en vasoinvasie
  • Komt vaker voor bij jodium deficiënties, maar oorzaak niet goed duidelijk
  • Kan ook genetisch: mutaties in RAS, PI3K/AKT-pathway of pax8-ppar-gamma translocatie (HR receptor)
52
Q

Wat zijn de kenmerken van een medullair schildklier carcinoom?

A
  • In 5% van de gevallen bij schildklierkanker
  • Ontstaat uit C-cellen en produceert calcitonine
  • Amyloïd deposities in de tumor en C-hyperplasie in schildklierweefsel
  • Hematogene en lymfogene metastaseringen
  • Geen behandeling met radioactief jodium
  • In 25% erfelijk door MEN-2-syndroom
53
Q

Wat zijn de kenmerken van een anaplastisch schildklier carcinoom?

A

Zeer snel groeiende tumor met necrose en veel atypie (grote cellen)
- In 5% van de gevallen bij schildklierkanker
- Hoge mitose index
- Geen duidelijk herkenbaar celtype (bijv. follikel epitheel)
- Vaak mutaties in P53 (stopt ongecontroleerde celdeling)
- Ontstaat waarschijnlijk uit goed gedifferentieerde carcinomen die zijn kenmerken verliest
- Sterfte vooral door locale doorgroei
- Bij vrouwen van 60-80 jaar het vaakst