Hoofdstuk 2 - De dierlijke cel Flashcards Preview

Biologie - Dierkunde > Hoofdstuk 2 - De dierlijke cel > Flashcards

Flashcards in Hoofdstuk 2 - De dierlijke cel Deck (19):
1

Inwendige structuur van de cel

- Protoplasma
- Plasmamembraan
- Nucleus
- Kernmembraan
- Cytoplasma
- Mitochondria
- Lysosomen
- Endoplasmatisch reticulum
- Golgi-Apparaat
- Centriolen
- Cilia en flagella
- Ribosomen

2

Protoplasma

= een waterige moleculaire en colloïdale oplossing.
- Hierin vinden levensprocessen plaats
- Is afgescheiden van de omgeving door een membraan

3

Plasmamembraan

Beheerst en reguleert welke moleculen en ionen in en uit het protoplasma gaan. Is semi-permeabel.
- Passief transport: diffusie water en kleine moleculen/ionen
> wordt bepaald door de concentratiegradiënt
- Actief transport: ionenpomp, verplaatsing Na+ tegen concentratie en elektrische gradiënt in; kost energie.
Endocytosis: vervoer van zeer grote moleculen doordat plasmamembraan naar binnen plooit (vorming vacuole)

4

Membraanreceptoren

= macromoleculen actief op raakvlak celopp. en milieu
- functie: chemisch signaal herkennen (hormonen, neurotransmitters)
- functie: reactie van protoplasma op gang brengen

5

Endoplasmatisch reticulum

= gebied opgevuld met holten, afgescheiden door membranen van de cytoplasmatische matrix. Fungeert als intracellulair transportsysteem en speelt rol in detoxificatie.
- Agranulair gedeelte: rasterwerk kanaaltjes, membranen van de kanaaltjes bevatten geen ribosomen; glad uitzicht
- Granulair gedeelte: systeem afgeplatte cisternae, wanden bevatten zeer veel ribosomen; korrelig uitzicht

6

Ribosomen

= submicroscopische partikels opgebouwd uit RNA. Fungeren als werkbanken van de cel waarop eiwitten geassembleerd worden.

7

Mitochondriën

= gebied waar aërobe respiratie plaatsvindt.
- korrel- of draadvormig
- opgebouwd uit 2 membranen en 2 afdelingen
- tweede membraan bevat veel cristae
- binnen tweede membraan mitochondriale matrix, DNA-streng en ribosomen
- Mitochondriaal DNA staat in voor synthese eiwitten van matrix en respiratieketen

8

Golgi-apparaat

= plaats waar eiwitten te concentreren en modifiëren
- opgebouwd uit membranen
- veel cisternae die voornamelijk opgestapeld liggen (dictyosoom)
- is volledig vrij van ribosomen

9

Nucleus

= gedeelte protoplasma, afgelijnd van het cytoplasma door de nucleusmembraan.
- meestal 1 kern, soms twee of meer
- membraan (is dubbel) bestaat uit cisternae en bevat veel openingen opgevuld met proteïnen voor selectief transport

10

Nucleolus

= plaats voor biogenese van ribosomen.
- 1 of vele nucleoli

11

Chromosomen

= dragen erfelijke eigenschappen. Is een kluwen van één chromatinedraad, welke een DNA-streng omsluit.
Celdeling duplicatie:
- 2 identieke zusterchromatiden
- blijven aan elkaar hanger in midden (centromeer)
- draad trekt sterk samen > chromosoom korter en dikker
- uiteinde chromosoom = telomeer.

4 typen chromosomen
- telocentrisch > centromeer op uiteinde chromosoom
- akrocentrisch > centromeer bijna op uiteinde chro.
- submetacentrisch > cent. voorbij midden chro.
- metacentrisch > cent. op midden chro.

Lichaamscellen: 2N chromosomen
Geslachtscellen: N chromosomen

12

Lysosomen

= kleine, ronde organellen met enkelvoudig membraan
- bevatten verteringsenzymen
- deze kunnen vreemde materie verteren
- kunnen intracellulair en extracellulair materiaal verwijderen

13

Peroxysomen

= onderdeel in de afbraak van vetzuren en aminozuren.
- Afbraak levert schadelijk H2O2 op
> bevat enzym catalase wat H2O2 afbreekt tot H2O en O2

14

Cytoskelet

= een geheel van microtubuli, microfilamenten en intermediaire filamenten; de basiselementen van de cel.

15

Centriool

= kleine cilinder die een rol speelt bij vorming en werking tubulaire structuren.
> komt alleen voor bij dierlijke cellen

16

Cilia en flagella

= celbewegingsorganen
> beiden zijn draadvormig, ontspringen op celopp. en hebben een vrij einde in een omliggend medium.
- Zorgen voor beweging van vloeistoffen
- Cilia zijn kort, Flagella zijn langer (en minder talrijk)

17

Eiwitten

= opgebouwd uit aminozuren
Functies:
- biokatalysator
- transport en opslag
- immunologische afweer
- structurele organisatie
- regulatie cellulaire activiteit

18

DNA

= desoxyribonucleïnezuur
- 2 ketens als helix
- bevatten 4 verschillende nucleotiden
- basen: adenine - thymine, cytosine - guanine
- basen gebonden via H-bruggen

19

RNA

= enkelvoudige nucleotideketen
> negatief (complementair) voor DNA
- RNA-polymerase haalt ketens DNA uit elkaar
>losse DNA-keten wordt op m-RNA streng gesynthetiseerd
Soorten RNA:
- ribomosaal RNA - wordt ribosoom op end. ret.
- transfer RNA - stuurt juist aminozuur naar juiste plek
- messenger RNA - bevat complementaire code gen