Hoofdstuk 9 Flashcards Preview

Grieks > Hoofdstuk 9 > Flashcards

Flashcards in Hoofdstuk 9 Deck (38):
1

ἀγαθος

goed

2

ἀγγελος, ὁ

bode

3

ἀλλος / ἀλλη / ἀλλο

ander, overig

4

δειπνον, το

(avond)maaltijd

5

δηλος

duidelijk

6

ἐγω (ἐγου / μου, ἐμοι / μοι, ἐμε / με)

ik

7

ἐμος

van mij, mijn (eigen)

8

ἐχθρος, ὁ
ἐχθρος

vijand
vijandig gezind (+ dat.)

9

ἡμεις (ἡμων, ἡμιν, ἡμας)

wij

10

ἡμετερος

van ons, onze (eigen)

11

θαυμαστος

wonderlijk, bewonderenswaardig, verbazingwekkend

12

καινος

nieuw

13

κακος

slecht, vreselijk

14

λογος, ὁ

woord, gesprek, verhaal, bericht

15

σος

van jou / u, jouw / uw (eigen)

16

σπουδαιος

haastig, ijverig, ernstig, belangrijk

17

στεφανος, ὁ

krans

18

συ (σου, σοι, σε)

jij, u

19

σωφροσυνη, ἡ

gezond verstand, wijsheid, zelfbeheersing, ingetogenheid

20

ὑμεις (ὑμων, ὑμιν, ὑμας)

jullie, u

21

ὑμετερος

van jullie / u, jullie / uw (eigen)

22

φιλος, ὁ

vriend

23

φοβος, ὁ

vrees

24

ἀγγελλω

berichten, melden

25

εἰμι

zijn, er zijn

26

παρειμι (samenstelling van εἱμι)

aanwezig zijn, bijstaan

27

πεμπω

zenden, sturen

28

πλεω

varen

29

σπευδω

zich haasten

30

φιλεω

houden van
gewoon zijn te (+ inf.)

31

γουν

tenminste
(= γε οὐν)

32

ἐκει

daar, daarginds

33

ἐτι

nog

34

εὐ

goed

35

of

36

μετα

(samen) met (+ gen.)

37

προτερον

eerder, vroeger

38

συν

met, in gezelschap van, met (be)hulp van (+ dat.)