Organiseert en coördineert de zorgverlening Flashcards

1
Q

CanMED-rol organisator =

A

De zorgvrager staat centraal. Je organiseert de zorg zo dat de zorgvrager de eigen regie behoudt.
Je organiseert zo dat er voor de zorgvrager continuïteit van leven is.
Zorg afstemmen tussen verschillende zorgverleners/diensten, etc..
Je houdt rekening met beleid van de zorgorganisatie

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
2
Q

Coördineren =

A

afstemmen van de zorg op de zorgvrager en zijn situatie.
gericht op het bewaken van de continuïteit van zorg.
vindt plaats op methodische wijze: denken, overleggen, afspraken maken, uitvoeren, rapporteren, evalueren

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
3
Q

Overleg vormen, waarover?

A

de zorg zelf: overdracht, patiëntenoverleg, consult, overleg met betrokkenen
de organisatie: werkoverleg, teamoverleg,

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
4
Q

Doel van overleg =

A
afstemmen van werkzaamheden
uitwisselen van gegevens
elkaar aanspreken of functioneren
geven van advies
maken van beleid en plannen voor de uitvoering
terugblikken
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
5
Q

Ontslagprocedure, waar moet je aan denken

A
op de hoogte brengen van betrokkenen
regelen van vervoer
informeren naar of regelen van zorg thuis
invullen van overdrachtsformulier
medicatie
dieet
persoonlijke eigendommen
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
6
Q

Taak verpleegkundige bij ontslag

A

ontslag goed voorbereiden
ontslaggesprek
directe zorg uitvoeren bij ontslag
evt. nazorg regelen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
7
Q

Exitgesprek

A

ontslag zelf
evt. zorgbehoeften na ontslag
evaluatie zorg: verpleegkundige zorg, gegeven voorlichting/informatie, relatie met zorgverleners, gegeven psychosociale ondersteuning

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
8
Q

Knelpunten signaleren

A

met zorgvrager
met collega’s
met organisatie

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
9
Q

wat is een knelpunt =

A

iet wat moeilijkheden veroorzaakt
materiële knelpunten
immateriële knelpunten

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
10
Q

oplossen knelpunten

A

signaleren
benoemen
rapporteren
meedenken over oplossingen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
11
Q

verpleegkundige organisatievorm

A

taakgerichte zorg - totale werk wordt opgedeeld in deeltaken
zorgvragergerichte zorg - je bent verantwoordelijk voor totale zorgverlening
eerstverantwoordelijke verpleegkundige - aantal zorgvragers wordt toegewezen aan één verpleegkundige
mengvormen - bevatten van beiden verschillende elementen
integrerend verplegen - verantwoordelijke verpleegkundige draagt eindverantwoording voor uitvoering van zorg en evaluatie

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
12
Q

4 algemene werkvelden

A

extramuraal - buiten de muren van een instelling - 1e lijnszorg
intramuraal - binnen de muren van een instelling - 2e lijnszorg
semimuraal - tussenvorm, gedeeltelijk thuis en in instelling
transmuraal - zorg wordt over de muren heen verplaatst.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
13
Q

verpleegkundig leiderschap =

A

je werkt samen met andere zorgverleners en met zorgvragers en naasten aan waardevolle zorg die past bij de situatie.
je probeert invloed uit te oefenen op de zorg en de strategische richting van de zorgorganisatie.
draait om beïnvloeden en stimuleren van mensen om je heen.
Initiatief, kennis en kunde, draagvlak creëren, inspireren collega’s

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
14
Q

Leiderschap in de zorg

A

leiderschap in de organisatie
leiderschap van primaire proces
leiderschap in samenwerking
professionele leiderschap

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
15
Q

Beleid =

A

streven naar het bereiken van bepaalde doeleinden met bepaalde middelen in een bepaalde tijdsvolgorde.
het gaat over doelen, middelen en tijd.
het gaat over handelen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
16
Q

functie van beleid =

A

om problemen op te lossen, te verminderen of te voorkomen
antwoord op bestaande of verwachte problemen
geeft richting, stabiliteit en samenhang

17
Q

functie beleidsplan

A

organisatieprocessen sturen
verantwoording afleggen over wat je gaat doen
prioriteiten helder maken
medewerkers motiveren

18
Q

Soorten beleid

A

strategisch - gericht op het vaststellen van koers organisatie
operationeel - gericht op planning en beheersing van processen
afdelingsbeleid - vertaling van strategisch en operationeel beleid naar de dagelijkse praktijk

19
Q

wat staat er in een beleidsplan

A

welke doelen we willen bereiken
met welke middelen
wanneer de doelen bereikt moeten zijn
hoe dit gecontroleerd kan worden

20
Q

visie =

A

voorstelling van hetgeen uiteindelijk bereikt moet worden

21
Q

strategie =

A

richting die opgegaan moet worden om het uiteindelijke doel te bereiken

22
Q

beleid =

A

planning van de stappen die nodig zijn om het uiteindelijke doel te bereiken en de middelen die nodig zijn om die stappen te kunnen zetten.

23
Q

hoe komt beleid tot stand

A
oriëntatie op het probleem
vaststellen van het doel en de criteria waaraan beleid moet voldoen
kiezen van de middelen
beleid op papier zetten
implementatie van het beleid
meten van het effect en de evaluatie
24
Q

Afdelingsbeleid wordt gestuurd door

A

wordt gestuurd door strategisch en operationeel beleid

wordt gestuurd door ontwikkelingen en knelpunten op de afdeling

25
Q

Afdelingsbeleidsplan bestaat uit

A

een beschrijving van de huidige situatie
beschrijving van de sterke en zwakke punten van de huidige situatie (SWOT-analyse)
beschrijving van gewenste situatie
stappenplan met een tijdspad