Prépositions Flashcards Preview

Néerlandais > Prépositions > Flashcards

Flashcards in Prépositions Deck (91):
1

… de lente

In de lente (au printemps)

2

… de aankoop

Bij de aankoop (à l'achat)

3

… de ingang

Bij de ingang (à l'entrée)

4

… het platteland

Op het platteland (à la campagne)

5

… 25 euro

Tegen 25 euro (à 25 euros)

6

… de mode

In de mode (à la mode)

7

Vergelijken …

Vergelijken met (comparer à)

8

… het stuur

Achter het stuur (au volant)

9

... de TV/radio

Op de TV/radio (à la télé/radio)

10

... de markt

Op de markt (au marché)

11

Zich richten ...

Zich richten tot (s'adresser à)

12

... acht uur

Om acht uur (à huit heures)

13

... Brussel

In/te Brussel (à Bruxelles)

14

... de markt gaan

Naar de markt gaan (aller au marché)

15

... morgen

Tot morgen (à demain)

16

... school

Op school (à l'école)

17

Geven ...

Geven aan (donner à)

18

... noorden van

Ten noorden van (au nord de (en dehors du pays))

19

... de hoogte

Op de hoogte (au courant)

20

... mijn horloge

Op mijn horloge (à ma montre)

21

Denken ...

Denken aan (penser à)

22

Het water kwam hem ... de mond

Het water kwam hem in de mond (l'eau lui vint à la bouche)

23

... zijn Spaans 

Op zijn Spaans (à l'espagnole)

24

... de hoek 

Op de hoek (au coin)

25

Van de morgen ... de avond 

Van de morgen tot de avond (du matin au soir)

26

... het begin

In het begin (au début)

27

Uitnodigen ...

Uitnodigen op (inviter à)

28

... hulp roepen

Om hulp roepen (crier à l'aide)

29

Zich interesseren ...

Zich interesseren voor (s'intéresser à)

30

Reageren ...

Reageren op (réagir à)

31

... zonsopgang/zonsondergang

Bij zonsopgang/zonsondergang (au lever/coucher du soleil)

32

... mij

Van mij (à moi)

33

Recht hebben ...

Recht hebben op (avoir droit à)

34

... X werken

Bij X werken (travailler à (chez) X)

35

... een bepaald ogenblik

Op een bepaald ogenblik (à un moment bien précis)

36

Beperken ...

Beperken tot (limiter à)

37

Antwoorden ...

Antwoorden op (répondre à)

38

Zich voorbereiden ...

Zich voorbereiden op (se préparer à)

39

... zijn verzoek

Op zijn verzoek (à sa demande)

40

Behoren ...

Behoren tot (faire partie de)

41

Een beroep doen ...

Een beroep doen op (faire appel à)

42

... gelegenheid van 

Ter gelegenheid van (à l'occasion de)

43

... gelegenheid

Bij gelegenheid (à l'occasion)

44

... beschikking van

Ter beschikking van (à la disposition de)

45

Lijken ...

Lijken op (ressembler à)

46

... zijn einde lopen 

Op zijn einde lopen (toucher à sa fin)

47

... het centrum

In het centrum (au centre)

48

Letten ...

Letten op (faire attention à)

49

... een goed einde brengen

Tot een goed einde brengen ( mener à bonne fin)

50

... Pasen/Kerstmis/Nieuwjaar

Met Pasen/Kerstmis/Nieuwjaar (à Pâques/ à Noël/ au Nouvel An)

51

... het einde

Op het einde (à la fin)

52

Fier (trots) ...

Fier (trots) op (fier de)

53

Melelijden ...

Medelijden met (pitié de, compassion pour)

54

Lijden ... / ...

Lijden aan/onder (souffrir de)

55

Een gebrek ...

Een gebrek aan (un manque de)

56

Het gaat ...

Het gaat om (il y va de)

Het gaat over (on parle de)

57

Verantwoordelijk ...

Verantwoordelijk voor (responsable de)

58

Omringd ...

Omringd met (entouré de)

59

Zich bezighouden ...

Zich bezighouden met (s'occuper de)

60

Uitgerust ...

 Uitgerust met (équipé de)

61

De vraag ...

De vraag naar (la demande de)

62

Praten ...

Praten over (parler de)

63

Klagen ...

Klagen over

64

... welke manier ?

Op welke manier? (de quelle manière)

65

Rekening houden ...

Rekening houden met (tenir compte de)

66

Sterven ...

Sterven aan/van (mourir de)

67

Zich schamen ...

Zich schamen over/voor (avoir honte de)

68

... deze kant

Aan deze kant (de ce coté)

69

... Nederland

Uit Nederland (des Pays-bas (origine))

70

De behoefte ...

De behoefte aan (le besoin de)

71

Dateren ...

Dateren uit (dater de)

72

Een synoniem ...

Een synoniem van (un synonyme de)

73

Verzot zijn ...

Verzot zijn voor (raffoler de)

74

Twijfelen ...

Twijfelen aan (douter de)

75

Belast ...

Belast met (chargé de)

76

... alle macht

Uit alle macht (de toutes ses forces)

77

Tevreden zijn ...

Tevreden zijn met (se contenter de)

Tevreden zijn over (être content de)

78

Geboren ...

Geboren uit (né de)

79

Verliefd ...

Verliefd op (amoureux de)

80

Spotten ...

Spotten met (se moquer de)

81

Typisch ...

Typisch voor (typique de)

82

Kenmerkend ...

Kenmerkend voor (caractéristique de)

83

Gewapend ...

Gewapend met (armé de)

84

Bedreigen ...

Bedreigen met (menacer de)

85

Danken ...

Danken voor (remercier de)

86

Op zoek ...

Op zoek naar (à la recherche de)

87

Verwonderd ...

Verwonderd over (étonnée de)

88

... het Engels

Uit het Engels (de l'anglais)

89

... zijn tijd

In zijn tijd (de son temps)

90

Schuldig ...

Schuldig aan (coupable de)

91

Ophouden ...

Ophouden met (arrêter de)