Proeftentamen 2 Klinische psychologie 1 en 2 Flashcards Preview

Klinische Psychologie > Proeftentamen 2 Klinische psychologie 1 en 2 > Flashcards

Flashcards in Proeftentamen 2 Klinische psychologie 1 en 2 Deck (16):
1

Wat is geen punt van onderscheid tussen psychiatrie en klinische
psychologie?

a. psychiaters mogen psychofarmaca voorschrijven, maar doen geen
psychotherapie; klinisch psychologen mogen geen psychofarmaca
voorschrijven, maar doen wel psychotherapie
b. psychiatrie is een medische discipline, klinische psychologie een
sociaalwetenschappelijke
c. psychiaters hebben overwegend een lichamelijke invalshoek bij de
diagnose, behandeling en studie van problematisch en abnormaal
gedrag; klinisch psychologen hebben overwegend een
psychologische invalshoek
d. psychiatrie heeft weliswaar hetzelfde studieobject als klinische
psychologie, maar er komen andere aspecten aan bod


a. psychiaters mogen psychofarmaca voorschrijven, maar doen geen
psychotherapie; klinisch psychologen mogen geen psychofarmaca

2

In het cursus boek worden emoties negatief genoemd op grond van

a. hun onaangename karakter voor de betrokkene
b. hun aanleiding (tegenspoed)
c. hun onaangename karakter voor de andere partij
d. hun schadelijke effect op het functioneren

b. hun aanleiding (tegenspoed)

3

Marie wordt depressief omdat alle dagen hetzelfde zijn, Piet wordt depressief omdat niemand zijn grapjes leuk vindt en zijn sterke verhalen
wil aanhoren.

a. bij beiden is de hoofdoorzaak oververzadiging
b. bij beiden is de hoofdoorzaak uitdoving
c. bij Piet is de hoofdoorzaak oververzadiging, bij Marie uitdoving
d. bij Marie is de hoofdoorzaak oververzadiging, bij Piet van uitdoving

d. bij Marie is de hoofdoorzaak oververzadiging, bij Piet van uitdoving

4

Wat is EMDR?

a. een therapietechniek voor traumaverwerking
b. een test voor oogbeweging
c. een manier om hypnose op te wekken
d. een gehoortest voor links-rechts verschillen

a. een therapietechniek voor traumaverwerking

5

Iemand heeft vaak aanvallen van depressie. Dat wordt in de hand gewerkt, doordat hij gedwongen is zijn dag te vullen met routineklusjes. Hoe kun je de depressie bevorderende factor hier typeren?

a. onverwerkte emotionele problematiek
b. chronisch te laag bestaansniveau
c. smallebestaansbasis
d. fysieke factoren

b. chronisch te laag bestaansniveau

6


Een vrouw kríjgt steeds de voor haar angstwekkende gedachte: ',ik dompel kleine Pietje onder in de vijver."

Een man krijgt steeds de voor hem angstwekkende gedachte: "ik heb misschien ongemerkt en per ongeluk kleine kinderen in het
water gestoten,"

a. I en II zijn beide voorbeelden van obsessies
b. I en II zijn beide voorbeelden van onheilsangst
c. I is een voorbeeld van onheilsangst, II van obsessies
d. I is een voorbeeld van obsessies, II van onheilsangst

d. I is een voorbeeld van obsessies, II van onheilsangst

7

Volgens de fobieëntheorie van van Zuuren is de "zwakke plek" (het predisponerende persoonskenmerk) bij de:

a. agorafobicus zwakke identiteit, bij de sociale fobicus angst om te falen en overheerst te worden
b. agorafobicus zwakke (beperkte) identiteit, bij de sociale fobicus angst voor greepverlies
c. agorafobicus angst voor greepverlies, bij de sociale fobicus angst om te falen + overheerst worden
d. agorafobicus angst om te falen en overheerst te worden, bij sociale fobicus zwakke identiteit,

d. agorafobicus angst om te falen en overheerst te worden, bij sociale
fobicus zwakke identiteit,

8

Er worden vier factoren genoemd die ertoe bijdragen dat geconditioneerde, onterechte angsten lang blijven bestaan. welke van de onderstaande wordt niet genoemd?

a. operante conditionering
b. te weinig positieve of neutrale ervaringen vooraf c. conditionering ongewoon sterk
d. geen optimale uitdovende werking van confrontaties

a. operante conditionering

9

Meisje A vermagert sterk door depressief eetlustverlies'
Meisje B vermagert sterk, doordat ze niet kan ophouden met lijnen.

a. A heeft primaire anorexia nervosa, B secundaire
b, beiden hebben primaire anorexia nervosa
c. beiden hebben secundaire anorexia nervosa
d. A heeft secundaire anorexia nervosa, B primaire

d. A heeft secundaire anorexia nervosa, B primaire

10

Onder invloed waarvan ontstaan binnen de overdreven netheid of precisie van de dwang patiënt controledwang, ziekelijke precisie, objectivering, formalisering, ritualisering e.d.?

a, een bestaansaantasting
b. het verregaand gerichtheidsverlies
c. het gebrekkige gedragsrepertoire
d. de continue negatieve feedback

d. de continue negatieve feedback

11

Van wat voor aard zijn schizofrene wanen?

a. hallucinatoir
b. stabiel en systematisch
c. vluchtig,fragmentarisch en onsamenhangend
d. hypochondrisch

c. vluchtig,fragmentarisch en onsamenhangend

12

Wat is geen punt van onderscheid tussen i) paranoia en ii) schizofrenie?


a. bij paranoia is het realismeverlies primair, bij schizofrenie secundair
b. bij paranoia blijft er betrokkenheid bij dingen uit de realiteit, bij
c. schizofrenie dooft die uit
d. bij paranoia is er behoud verval ervan
paranoia is een neurose,

d. bij paranoia is er behoud verval ervan
paranoia is een neurose,

13

Wat hebben compensatoire processen te maken met verslaving?

a. verzachten de onthoudingsverschijnselen, verkleinen de tolerantie voor de stof
b. verzachten de onthoudingsverschijnselen, vergroten de tolerantie voor de stof
c. veroorzaken/versterken de onthoudingsverschijnsel en, vergroten de tolerantie voor de stof
d. veroorzaken/versterken de onthoudingsverschijnsel en, verkleinen de tolerantie voor de stof

c. veroorzaken/versterken de onthoudingsverschijnsel en, vergroten de tolerantie voor de stof

14

Abnormale persoonlijkheden verraden zich volgens Millon en Millon in combinatie van drie kenmerken. Welk kenmerk noemen ze niet?

a. komen terecht in vicieuze cirkels en negatieve spiralen
b. dubbelslachtig
c. kwetsbaar en labiel
d. overgeneraliserend en rigide

b. dubbelslachtig

15

Bij welke aantasting van de existentiële noodzaken passen de volgende vroege maladaptieve schema's het beste:

1) veeleisendheid naar anderen toe,
2) onvoldoende zelfcontrole en zelfdiscipline?

a. niet de kans krijgen zich te hechten
b. strenge, straffende, formalistische bejegening
c. onvoldoende waardering voor wat je bent en doet d. onvoldoende ruimte voor zelfstandigheid
e. belemmering van zelfexpressie / te hoge
aanpassingsdruk
f. het ontbreken van zinnige grenzen
g. onveilige omgeving

f. het ontbreken van zinnige grenzen

16

Er zijn acht soorten reacties op problemen onderscheiden. Gedragspathologie kan opgevat worden als abnormale vormen van deze reactiewijzen. Hieronder staan er vier van de acht. welke hoort er niet
bij?

a. het opgeven van instrumenteel gedrag
b. realiteitsverdraaiing
c. instrumentelereacties
d. dissociatie
e. onheilsangst

e. onheilsangst