savenvatting Flashcards Preview

MM/RWK > savenvatting > Flashcards

Flashcards in savenvatting Deck (70):
1

organisatie

een organisatie is een samenwerkingsverband van mensen en middelen om een bepaald doel te bereiken

2

4 belangrijkste kenmerken van een organisatie

- mensen
- samenwerken
- middelen
- doel

3

bedrijf

een organisatie die een bepaald product en/of dienst voortbrengt en daarmee voorziet in een maatschappelijke behoefte (HOH/AAA/WEB)

4

onderneming

een bedrijf dat naar winst streeft (afhankelijk van een positief verschil tussen opbrengst en kosten, bank/restaurant/hotel)

5

Kenmerken van ondernemingen (3)

1. Er werken mensen samen met bepaalde middelen om een doel te bereiken (organisatie)
2. Er worden producten en/of diensten geleverd voor derden (bedrijven)
3. Er is sprake van streven van ondernemingen (ondernemingen)

6

bedrijven (2)

- de voorziening in een bepaalde maatschappelijke behoefte staat cnetraal
- streven naar winst hoeft niet aanwezig te zijn

7

bedrijven die streven naar winst (2)

- profit-bedrijven of ondernemingen
- commerciële bedrijven

8

bedrijven die streven naar maatschappelijke behoefte zonder winst

nonprofit-bedrijven of niet-commerciële bedrijven

9

organisaties (2)

- alle ondernemingen en bedrijven
- samenwerkingsverbandem van mensen en middelen die voor hun voortbestaan niet afhankelijk zijn van de voorzieningen in een maatschappelijke behoefte (carnavalsgroep/kerken)

10

organisatie kenmerken (9)

- deolstelling
- middelen
- middelen met een doel gebruiken
- verdeling van taken en verantwoordelijkheden
- communicatiesysteem
- controles ingebouwd
- goed omgaan met mensen
- stand van zaken vastleggen
- gelijkgerichte inspanning, coordinatie en samenwerking

11

formele organisatie

het geheel van relaties tussen personen die bewust of onbewust samenwerken, teneinde hun persoonlijke belangen direct of indirect te bevorderen

12

officiële regelingen (5)

- de wijze van realisatie van ondernemingsdoelstellingen
- de verantwoordelijkheden
- de ondelige verhoudingen
- het nemen van beslissingen
- de uitvoering van het werk

13

voordeel formele organisatie

elke medewerker weet wat er van hem verwacht wordt

14

informele organisatie

het geheel van informele relatie, contacten en communicatie tussen medewerkers, met het doel hun gemeenschappelijke doelstellingen te realiseren

15

informeel betekent

dat de leiding de wijze van samenwerking niet officieel heeft goedgekeurd

16

realiseren kan door (3)

- bervorderen, cq ondersteunen
- shaden (tegenwerken) vb staking
- niet beïnvloeden (neutral zijn)

17

algemene organisatiebeginselen (5)

- eenheid van leiding
- eenheid van gezag
- centralisatie en decentralisatie
- onverbrekelijkheid van functie, verantwoordelijkheden en bevoegdheden
- flexabiliteit

18

eehheid van leiding (2)

- het doel brengen
- het afstemmen v/d beperkte doeleinden van de lagere leiders op elkaar en op het uiteindelijke doel v/d onderneming

19

eenheid van gezag

opdracht ontvangen van de chef

20

centralisatie (4)

- beslissingen worden in de top van organisatie genomen
- nadelen:
1. via lagere niveaus naar hogere niveaus
2. topleiding mist de detailkennis
3. topleiding wordt zwaarder belast

21

decentralisatie (2)

- beslissingen worden genomen, waar zich ook het probleem voordoet
- nadeel: de coördinatie geeft meer problemen

22

onverbrekelijkheid van functie, verantwoordelijkheden en bevoegdheden

noodzakelijke gezag en de vereiste bevoegdheden geven

23

flexabiliteit

organisatie kan snel reageren op de verandering in de omstandigheden waaronder men werkt

24

onderorganisatiestructuur verstaan we de verdeling van (3)

- taken
- bevoegdheden
- verantwoordelijkheden
tussen personen en afdelingen in een bedrijf en de relaties die daartussen worden gelegd

25

eenmanszaak..

kent geen problemen met betrekking tot de organisatiestructuur

26

organogram

een schematische voorstelling van de hiërarische relaties tussen personen of afdelingen en de vormen van horizontale taakverdeling op de verschillende niveaus van de organisatie

27

horizontale taakverdeling

vindt plaats op verschillende niveaus van een bedrijf

28

verticale taakverdeling

onstaat door de scheiding van leidinggevende en uitvoerende arbeid

29

vb organogram

1e rij: directeur
2de rij: productie, administratie, verkoop

30

organisatiestructuur (4)

- verantwoordelijkheden van functionarissen
- mate van delegatie
- formele overlegsituatie tussen medewerkers
- machtsverhoudingen tussen personen en afdelingen

31

het maken van een organogram (4)

1. elk afdeling wordt in een apart vakje vermeld
2. afdelingen of functies op hetzelfde niveau worden op eenzelfde horizontale lijn getekend
3. een staffunctionaris wordt aan de zijkant onder de baas d.m.v. stippenlijn getekend
4. indien een afdeling uit meerdere werknemers of medewerkers bestaat, worden deze werknemers ook in 1 vakje vermeld

32

soorten organogrammen (4)

- de lijnorganisatie
- de lijn-staforganisatie
- de functionele organisatie
- de projectgroep en matrixorganisatie

33

de lijnorganisatie (3)

- de oudste vorm, basispatroon
- hiërarchische niveausen eenheid van bevelvoering
- aan de top staat een leider die opdrachten geeft aan zijn directe ondergeschikten. de ondergeschikten voeren weer het bevel over hun ondergeschikten

34

voordelen van lijnorganisatie (4)

- een eenvoudig, duidelijk en overzichtelijk stelsel
- duidelijk gezagsverhoudingen
- eenheid in bevelvoering
- duidelijke afbakening van verantwoordelijkheden

35

nadelen van lijnorganisatie (4)

- tijdens het doorgeven wordt de boodschap wel of niet opzettelijk verdraaid
- de boodschap blijft ergens halverwege de heriërarchische ladder steken
- de communicatie is moeilijk
- ongelijksoortige werkzaamheden

36

delegatie (2)

- waneer de leiding overbelast dreigt te worden, moeten er werkzaamheden worden afgestoten
- het overdragen van taken, bevoegdheden en verantwoordelijkheden aan een lager niveau in de organisatie

37

schijndelegatie

een functionaris een taak delegeert zonder de bijbehorende bevoegdheden

38

spanwijde (span on control)

het aantal ondergeschikten aan wie door de leider direct leiding wordt gegeven

39

depth of control

de diepte in de organisatie waarin de informatie nog doorkomt en waaruit de gewnste informatie weer bij de leiding terugkomt

40

de lijn-staforganisatie (3)

- staffunctie is de kennis van de leiding op gespecialiseerde gebieden aan te vullen
- de staf helpt de leiding bij de voorbereiding van het nemen van beslissingen
- adviserende functie

41

de taken van de staf (4)

1. verzamelen, ordenen en interpreteren van gegevens te behoeve van de lijnfunctionaris
2. het geven zowel gevraagd als ongevraagd van adviezen aan de lijnchef
3. he uitwerken van besluiten van de lijnchef
4. controle op de uitvoering van besluiten van de lijnfunctionaris

42

voordelen van de lijn-staforganisatie (3)

- mogelijk om specialisten op allerlei gebeid aan de lijn toe te voegen
- de eenheid in bevelvoering blijft gehandhaafd
- de deskindigheid werkt door in de volgende geledingen

43

nadeel van de lijn-staforganisatie

het gevaar dat de stafunctionaris de lijnfuntionaris gaat overheersen

44

de funtionele organisatie

taylor was van mening dat met name de chefs van de lagere niveaus te zwaar worden belast

45

de projectgroep en matrixorganisatie

multidisciplinaire karakter d.w.z. er aan het probleem aspecten kleven die behoren tot verschillende wetenschappen

46

commissie, stuurgroep of projectgroep

de leden van de groep kunnen afkomstig zijn uit alle heriërarchische lagen van de organisatie en uit verschillende afdelingen

47

een groepproject

een tijdelijk samengestelde groep personen met verschillende kennis en ervaring die tot doel heeft een probleem op te lossen

48

voorwaarden om voor een grote kans om van een groepproject te slagen (4)

- duidelijk doelstelling
- taken en bevoegdheden duidelijk omschreven
- projectleider
- samengesteld in evenwicht qua deskundigheid

49

taken van de leider (5)

- voorspellen
- coördineren
- commanderen
- organiseren
- controleren

50

later bijvoegende taken van de leider (3)

- motiveren van medewerkers
- teamvormimg
- mensen 'leren leren' en laten groeien in hun werk

51

moderne leider

houdt zich bezig met het structureren van de samenwerking en met de beheersing van processen

52

structureren (10)

- organiseren
- delegeren
- coordineren
- plannen
- instrueren
- motiveren
- controleren
- corrigeren
- informeren
- evalueren

53

enkele kenmerken van een hiërarchische relatie (4)

- geven van opdrachten
- geven van instructies
- moriveren
- controleren

54

leiderschapsstijlen (2)

- verschil in wat een leider doet en verschil in hoe zij het doet
- mate van participatie is hoe medewerkers meewerken aan de wilsopbouw van de chef

55

Mate van participatie v/d volgende:
- exploiterend autoritair
- welwillend autoritair
- consultatief
- participatief

- geen participatie, medewerkers krijgen geen nadere informatie
- geen participatie, medewerkers krijgen achteraf informatie over besluit
- informatie vooraf. Ondergeschikten mogen vooraf mening geven, maar de chef beslist
- ondergeschikten denken volwaardig mee in de besluitvorming van de chef

56

Voordelen van participatie (3)

- medewerkers voelen zich betrokken bij de besluitvorming
- medewerkers voelen zich gemotiveerd
- medewerkers zijn op de hoogte waarom bepaalde beslissingen zijn genomen

57

Nadelen van participtie

Besluitvorming kost tijd of de betrokken compromissen sluiten

58

Steungevend leiderschap

Managers geven leiding --> informatie nodig

59

Van wie krijgen de managers informatie? (3)

1. Van stafleden of leidinggevenden op hetzelfde niveau
2. Van hoger niveau
3. Van een lager niveau

60

Linking-pin structuur

Managers maken dan deel uit twee teams. In het ene team zijn ze manager en in het andere team nemen zij deel aan h et overleg om informatie te verkrijgen

61

Flexibel leiderschap

Een leider moet in staat zijn verschillende leiderschapstijlen toe te passen in verschillende situaties of ten opzichte van verschillende ondergeschikten

62

Situationeel leiderschap

De leider moet bij keuze van zijn leiderschapsstijl dus oog moeten hebben voor de situatie en de medewerker met wie hij te maken heeft

63

Factoren voor het kiezen van een leiderstijl (5)

- zijn karakter en persoonlijke voorkeuren
- de concrete situatie
- de cultuur van het bedrijf
- kwaliteiten van zijjn ondergeschikten
- de aard van het werk

64

Ideale leiderchapstijl

Er is niet een ideale leiderschapstijl coor alle situatie

65

Moderne theorieën over leiderschap

Niet alleen het bepalen van doelstellingen en beleid of het plannen en organiseren van de leidinggeven

66

Leiding geven heeft te maken met.. (5)

- intrerne regels en procedures
- mensenkennis
- karakter
- psychologisch inzicht
- extreme omstandigheden

67

Theorie van McGregor

- X-theorie, negatieve voorstelling van mensen
- Y-theorie, positieve voorstelling van mensen

68

X-theorie (4)

:- de mens heeft van nature een hekel aan werken
- hij wil geen verantwoordelijkheden dragen
- mensen moeten door dreiging met straf gedwongen worden om pestaties te leveren
- mensen hebben controle van supererieuren nodig

69

Y-theorie (4)

- werken is voor de mens van natuurlijk als ontspanning
- de mens is creatief
- de mens zoekt verantwoordelijkheid
- laat de medewerker zichzelf controleren

70

Theorie van Blake en Mouton (2)

1. Aandacht voor de taak
2. Aandacht voor de mensen