5 segmenten van het ruggenmerg
cervicaal (C1-C8), thoracaal (T1-T12), lumbaal (L1-L5), sacraal (S1-S5) en coccygeaal.
Cauda equina
De lumbale en sacrale zenuwen, hebben vanaf L1-L2 een belangrijk intraspinaal gedeelte en worden samen de cauda equina genoemd
Anterieure zenuwwortel
anterieure (ventrale) wortel die motorische vezels bevat
Posterieure zenuwwortel
posterieure (dorsale) wortel die sensibele vezels bevat.
Hogere cognitieve functies testen
Types afasie
Motorische/expressieve afasie
Letsel in centrum van Broca
Taalbegrip is ongestoord maar patiënt kan niet of onvoldoende zijn gedachten in woorden omzetten: echolalie, spreken in telegramstijl. Patiënt is zich van zijn handicap pijnlijk bewust.
Sensorische/receptieve afasie
Letsel in centrum van Wernicke
Patiënt begrijpt niet wat er tegen hem gezegd wordt (ook via geschreven woorden). Hij spreekt zelf vaak in hoger tempo (logorrhoe) met woorden die in een verkeerde betekenis gebruikt worden of met neologismen. Dit leidt meestal tot onverstaanbare spraak (jargonafasie). De patiënt is zich van zijn deficit weinig of niet bewust.
Anamnestische/nominatieve afasie
Letsel achteraan in de temporale kwab of restletsel motorische afasie.
Het vinden van namen en woorden is gestoord, terwijl functie en uitzicht wel kan beschreven worden.
apraxie
Onmogelijkheid doelbewuste bewegingen uit te voeren, ondanks intact motorisch apparaat en taalbegrip.
Letsel van linker hemisfeer als onderdeel van gegeneraliseerde corticale aantasting (bv. ziekte van Alzheimer).
Agnosie (visueel, auditief, tactiel)
Onmogelijkheid om sensoriële prikkels te herkennen ondanks intact werkende zintuigen.
Ontbreken van soma-ruimte kennis
Gerstmann syndroom
Amnesie
Onmogelijkheid om ontvangen kennis (beleefde ervaring of verkregen informatie) vast te leggen, te bewaren en op te roepen. Vooral hippocampus en corpora mammillaria spelen hierbij een rol. We onderscheiden het onmiddellijke geheugen, het kortlopende geheugen (enkele minuten of uren) en het langlopende geheugen (maanden, jaren). De eerste twee zijn typisch gestoord bij commotio cerebri. Ook bij dementie wordt het langlopende geheugen vrij laat aangetast.
Meningeale prikkeling
teken van Brudzinski
Breng het hoofd van patiënt vrij bruusk in flexie.
Bij meningeale prikkeling kan er spontane flexie van beide knieën optreden.
teken van Kernig
Breng de heup in 90° flexie en strek vervolgens de knie.
Men spreekt van een aanwezig teken van Kernig wanneer de knie niet voorbij 135° kan worden gestrekt zonder een toename van pijn in de nekstreek te veroorzaken.
Herhaal de procedure aan het andere been. Een consistente reactie versterkt het vermoeden van meningeale prikkeling.
Gezichtsscherpte test je met
Snellen Eye Chart op 6 meter afstand
Gezichtsvelden
Pupilreflexen
Directe lichtreflex
Laat de patiënt in de verte kijken. Laat dan van lateraal licht op de rechter pupil vallen en beoordeel of de rechter pupil vernauwt
Indirecte/consensuele lichtreflex
Scherm nu met één hand, die tegen de neusrug van de patiënt wordt gehouden, het linker oog af voor het invallende licht en herhaal vervolgens dezelfde procedure om te beoordelen of tegelijkertijd de linker pupil vernauwt
Accomodatiereflex
vraagt men de patiënt de blik te fixeren op je wijsvinger, die je op ongeveer een meter afstand houdt, midden voor het gezicht. Beweeg de vinger langzaam naar de top van de neus van de patiënt. Men let daarbij op de reactie van de pupillen (miose) tijdens het convergeren.
Fundoscopie
Zonder dilatatie van de pupil, zoals door de oftalmoloog wordt gedaan, is een goede inspectie van de volledige retina (in het bijzonder de periferie) met de funduscoop niet mogelijk. Funduscopisch onderzoek zonder pupildilatatie laat wel een onderzoek van de papil toe (papiloedeem etc.).