Sociologie Flashcards

1
Q

Wat studeer je bij Sociologie?

A

De onderlinge samenhang in groepen en tussen verschillende groepen waarin mensen functioneren
De invloed van maatschappelijke ontwikkelingen op gedrag van groepen en mensen in die groepen.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
2
Q

Wat is socialisatie?

A

Het proces waarbij mensen leren zich sociaal te gedragen
Specifiek: het leren van de opvattingen over wat van belang is en hoe iets hoort.

per groep heb je iets wat van belang is en hoe iets hoort.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
3
Q

Normen of waarden?

“wat is goed, wat is nastrevenswaardig? wat is ons doel?”

A

Waarden

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
4
Q

Normen of waarden?

“Concrete gedragsregels die aangeven wat verwacht wordt in een bepaalde situatie.”

A

Normen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
5
Q

Normen of waarden?

“Af te lezen aan hoe mensen handelen en hoe ze elkaar aanspreken”

A

Normen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
6
Q

Normen of waarden?

“Af te lezen aan hoe mensen hierover praten en aan hoe mensen deze naleven in daden”

A

Waarden

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
7
Q

Welke drie vormen van normen bestaan er?

A

Morele normen, juridische normen, sociale normen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
8
Q

Morele- juridische- of sociale normen ?

“verschil maken tussen goed of slecht gedrag?”

A

Morele normen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
9
Q

Morele- juridische- of sociale normen ?

“verschil maken tussen legaal en illegaal gedrag”

A

Juridische normen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
10
Q

Morele- juridische- of sociale normen ?

“verschil maken tussen gepast en ongepast gedrag”

A

Sociale normen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
11
Q

Wanneer worden je eigen normen zichtbaar?

A

in confrontatie met de normen van iemand anders

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
12
Q

wat is internalisering?

A

het eigen maken van gedragsnormen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
13
Q

Wat is hospitalisering?

A

een speciale vorm van internalisering dat veel voorkomt in bejaardentehuizen, psychiatrische instellingen en gevangenissen.
Het is aangeleerd gedrag waardoor je een afhankelijkheid krijgt van andere mensen en je zelf bijna niets meer te zeggen hebt over je gedrag.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
14
Q

wat is rolgedrag?

A

gedragsnormen gekoppeld aan de maatschappelijke rol of positie. bv. een chirurg gaat hygienisch te werk en politie gaat geen willekeurig gedrag tonen.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
15
Q

door wie wordt de norm voor het gedrag van de roldragen bepaald?

A

de verwachtingen en eisen van een rol worden door anderen bepaald.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
16
Q

Wat is het verschil tussen een intern en een extern rollen conflict?

A

Bij intern gaat het altijd over verschillende verwachtingen binnen 1 rol
Bij extern over de verschillende rollen die je binnen de samenleving niet kan combineren

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
17
Q

hoe ontstaat een gedragsnorm?

A

willekeurig gedrag binnen een groep die bij elkaar komt > herhaling van willekeurig gedrag> patroon wordt normaal gedrag(institutie)> instituties worden gehandhaafd door instanties

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
18
Q

Wat is in de context van Sociologie: Institutie

A

Gestandaardiseerd patroon van denken en doen in bepaalde situaties. zo gegroeid, afgesproken of juridisch vastgelegd in een groep of samenleving.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
19
Q

bepalen instituties zoals school of geloof het gedrag van de samenleving?

A

Instituties zijn eigenlijk het gevolg van de waarden het het gedrag van de samenleving.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
20
Q

wanneer een instituut zelfdenkend en zelfhandelend lijkt noemen we dit..

A

Reificatie

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
21
Q

Waarom is sociale controle belangrijk?

A

Sociale controle zorgt voor het voortbestaan van vanzelfsprekend gedrag.
de reactie van anderen op gedrag kan gedrag versterken of afzwakken.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
22
Q

even toetsen.. wat is reificatie ookweer?

A

Wanneer een instituut zelfdenkend en zelf handelend lijkt.. netjes pik!

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
23
Q

welke 4 manieren om gedrag te sturen bestaan er?

A

straffen
belonen
preken/vertellen
verleiden tot bepaald gedrag

24
Q

wat is cultuur?

A

het geheel van opvattingen, voorstellingen, kennis, waarden, en normen dat mensen als lid van een samenleving verwerven door middel van leerprocessen in contact met andere mensen.

25
Q

wat is enculturatie?

A

Het socialisatieproces waarin je je de cultuur van de samenleving waar je in opgroeit eigen maakt.

26
Q

wat is een stereotypering?

A

een sterk veralgemeniseerd, versimpeld beeld van een groep mensen.

27
Q

bedenk een voorbeeld van een stereotype

A

jesus, dat is waar je aan dacht? dat kan echt niet door de beugel!

28
Q

wanneer aan een steretype een waardering wordt gekoppeld noemen we dit..

A

een vooroordeel:
Studenten die teveel drinken = stereotype
studenten die te lui zijn = vooroordeel

29
Q

wat is discriminatie?

A

het op basis van een oordeel op een stereotype iemand uitsluiten

30
Q

wat is racisme?

A

als discriminatie gebeurt op basis van biologische kenmerken en afkomst.

31
Q

welke drie soorten groeperingen bestaan er?

A

Groep
collectiviteit
sociale categorie

32
Q

Wat is een groep?

A

Een overzichtelijke groepering. bijvoorbeeld een schoolklas, een team of gezin. er is regelmatig intensief directe interactie.

33
Q

wat is een collectiviteit?

A

een grote groepering die niet altijd overzichtelijk is. geen directe interactie en communicatie onderling, het is zo groot dat ze elkaar niet allemaal kennen. wel gemeenschappelijke waarden en normen en wederzijdse verwachtingen.

34
Q

wat is een sociale categorie?

A

een grote groepering op basis van een gedeelde eigenschap.(makkelijker: een doelgroep, rood harige, studenten, mannen, vrouwen) geen directe communicatie en interactie.

35
Q

waaraan kun je de structuur van een groepering herkennen?

A

mate van onderscheid in wij-zij
mate van open of gesloten staan voor buitenstaanders
nadruk op taken of op contact
omgang met elkaar is intiem of zakelijk
geformaliseerde posities of informele posities
tijdelijk sociaal verband of duurzaam.

36
Q

Wat is een netwerk volgens sociologie?

A

Het geheel van relaties tussen verschillende rollen/posities, samenhangende met de sociale status.

37
Q

wat is een sociale positie?

A

je plaats in de maatscahppij en groepering.
Deze kan tijdelijk of levenslang zijn.
Toegewezen of verworven
hogere of lagere status hebben

38
Q

Wat is macht?

A

het vermogen om middelen zo in te zetten dat anderen worden beinvloed.

39
Q

Welke vormen van macht zonder instemming bestaan er?

A
  • geweld
  • belonen
  • manipulatie
40
Q

Welke vormen van macht met instemming bestaan er?

A
  • Geinstituionaliseerde macht
  • overtuigingskracht of rationele macht
  • charismatische macht (gezag)
41
Q

oke slimmerik, welke 6 vormen van macht bestaan er?

A
Geweld
belonen
manipulatie
geinstitutionaliseerde macht
overtuigingskracht of rationele macht
charismatische macht
42
Q

waaruit bestaan macht door middel van geweld?

A

Toepassen van fysieke middelen (staken, terreur, pesten, massamoorden, kindermishandeling)

43
Q

waaruit bestaan macht door middel van belonen?

A

sturen van gedrag door een positieve stimulans (bonussen, complimenten etc)

44
Q

waaruit bestaan macht door middel van manipulatie?

A

Door beperkte en/of onjuiste informatie te verstrekken om een besluitvorming te beinvloeden (denk aan alle leugens met brexit)

45
Q

waaruit bestaan macht door middel van geinstitutionaliseerde macht?

A

beinvloeding door instanties en instituties bevoegd om te straffen. (denk aan slechte cijfers, ouders, politie of justitie)

46
Q

waaruit bestaan macht door middel van overtuigingskracht?

A

beinvloeden door argumenten en deskundigheid

47
Q

waaruit bestaan macht door middel van charismatische macht?

A

beinvloeden door persoonlijkheid en/of uitstraling (gandhi, nelson mandela, onze held mark rutte etc)

Ja.. mark rutte is een grapje

48
Q

wat is de smalle definitie van arbeid?

A

werken voorziet in levensonderhoud. ik werk voor mijn geld om de huur te kunnen betalen en om eten te kunnen kopen.

49
Q

Wat is de brede definitie van arbeid?

A

arbeid is het voorbrengen van waardevolle goederen en diensten voor mensen in de maatschappij. dit geld dus ook voor onbetaalde arbeid en vrijwilligerswerk.

50
Q

welke drie manieren om naar arbeid te kijken bestaan er in sociologie?

A
  1. als last> leven om te werken, het moet nou eenmaal.
  2. als lust> werken om te leven, goed voor mijn zelfrealisatie.
  3. arbeid als instrument om waarden en normen te realiseren. eigenlijk een mix van 1 en 2.
51
Q

belangrijk: de status van arbeid. welke 4 assen worden benoemd?

A

betaald

formeel informeel

            onbetaald
52
Q

noem een combinatie van: betaald informeel werk

A

zwartwerken

53
Q

noem een combinatie van: informeel en onbetaald werk

A

huishoudelijk werk

54
Q

noem een combinatie van: onbetaald formeel werk

A

vrijwilligerswerk

55
Q

noem een combinatie van: formeel en betaald werk

A

arbeid in loondienst