Thema 1 Flashcards

1
Q

Ontologie

A

De aard van de werkelijkheid en wat we erover kunnen weten

Realisme en idealisme

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
2
Q

Epistemologie

A

Kennis van de (sociale) werkelijkheid en hoe die verkregen wordt

Inductie vs deductie
Retroductie en abductie (Blaikie)

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
3
Q

Waarom zijn achtergronden belangrijk in kwali?

A

Kwali gebeurt niet op 1 geaccepteerde manier
Standpunten in filosofische kwesties van belang
–> Betekenis van achtergrond voor eigen doelen op waarde inschatten

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
4
Q

Gemeenschappelijke kenmerken kwali

A

Diepgaand begrijpen van sociale werkelijkheid van deelnemers dmv kennis over hun situatie, ervaringen, meningen en geschiedenis

Niet-gestandaardiseerde, aanpasbare methoden relevant voor sociale context onderzoek

Gedetailleerde, rijke en complexe gegevens

Analyse behoudt complexiteit en nuance, uniciteit van deelnemer en situatie

Openheid voor nieuwe categorieen en inzichten bij analyse en interpretatie

Resultaten: gedetailleerde beschrijvingen

Reflectieve aanpak, erkenning rol en perspectief onderzoeker in onderzoek

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
5
Q

Realisme

A

Onderdeel van ontologie. Externe realiteit bestaat, onafhankelijk van onze opvattingen of ons begrip ervan

Naief realisme/oppervlakkig realisme
Voorzichtig realisme
Diepterealisme/kritisch of transcendent realisme
Subtiel realisme
Materialisme

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
6
Q

Naief realisme of oppervlakkig realisme

A

De werkelijkheid kan direct en accuraat worden waargenomen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
7
Q

Voorzichtig realisme

A

De werkelijkheid kan alleen bij benadering of onvolledig worden gekend

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
8
Q

Diepterealisme, kritisch of transcendent realisme

A

De werkelijkheid bestaat uit verschillende niveaus: empirische, actuele en werkelijke domein

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
9
Q

Subtiel realisme

A

Externe werkelijkheid bestaat, maar kan door de menselijke geest en sociaal geconstrueerde betekenis gekend worden

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
10
Q

Materialisme

A

Erkent alleen materiele eigenschappen. Waarden, overtuigingen of ervaringen zijn ‘epifenomenen’ die voortkomen uit de materiele werkelijkheid

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
11
Q

Idealisme

A

Onderdeel van ontologie. Er bestaat geen externe werkelijkheid, onafhankelijk van opvattingen of begrijpen

subtiel, contextueel of collectief idealisme
relativisme of radicaal idealisme

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
12
Q

Subtiel, contextueel of collectief idealisme

A

De sociale werkelijkheid bestaat uit door mensen gemaakte en gedeelde representaties

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
13
Q

Relativisme of radicaal idealisme

A

Er is geen gedeelde sociale werkelijkheid, slechts een reeks van verschillende, individuele constructen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
14
Q

Sociale vs natuurlijke werkelijkheid

A

Vroeger: Gelijksoortigheid
Nu: Verschil. Er kunnen geen onveranderlijke wetten bestaan die ons bestaan bepalen, vanwege keuzevrijheid mens

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
15
Q

Inductie/inductieve logica

A

Bottom-up proces. Observatie van de werkelijkheid –> ontwikkeling theorieën of wetten

Bewijs –> conclusie.

Kwali (ten onrechte)

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
16
Q

Deductie/deductieve logica

A

Top-down. Theorie –> hypothese –> toepassen op observaties van de werkelijkheid –> Bevestigen/verwerpen hyp.

Bewijs –> ondersteuning eerder ingenomen positie.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
17
Q

Is kwali inductief of deductief?

A

Blaikie: Bestaat geen zuivere inductie of deductie.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
18
Q

Strategieën kwali onderzoek (Blaikie)

A

Inductie
Deductie

Retroductie
Abductie

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
19
Q

Retroductie/retroductieve logica

A

Modellen - structuren - patronen. Onderzoeker stelt structuren of mechanismen vast die kunnen hebben geleid tot bepaalde gegevenspatronen, dmv testen modellen.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
20
Q

Abductie/abductieve logica

A

Uitspraken van deelnemers –> ‘technische’ weergave, dmv categorieën

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
21
Q

Andere epistemologische concepten

A

Fundamentele vs fallibilistische modellen van kennis
Waardengemedieerde kennis
Correspondentietheorie van de waarheid
Coherentietheorie van de waarheid
Pragmatische theorie van de waarheid

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
22
Q

Fundamentele vs fallibilistische modellen van kennis

A

Het is mogelijk werkelijkheid precies weer te geven vs alle beweringen over kennis zijn voorlopig

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
23
Q

Waardengemedieerde kennis

A

Alle kennis wordt bepaald door de waarden van de persoon die de kennis voortbrengt of ontvangt. Persoon hangt waarden aan kennis

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
24
Q

Correspondentietheorie van de waarheid

A

Bewering is waar als deze de werkelijkheid accuraat beschrijft

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
25
Q

Coherentietheorie van de waarheid

A

Bewering is waar als die wordt ondersteund door andere beweringen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
26
Q

Pragmatische theorie van de waarheid

A

Overtuigingen zijn waar als ze praktisch nut hebben, bruikbaar, helpend en productief zijn. Interpretatie juist als leidt tot gewenste of voorspellende resultaten

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
27
Q

3 belangrijke epistemologsiche kwesties

A
  1. Verkrijgen van kennis: inductie vd deductie (en retroductie vs abductie)
  2. Relatie onderzoeker en onderzochte, invloed feiten en waarden. Objectieve observatie vs waardengemedieerde observatie
  3. Bepaalde beweringen accuraat of juist? Correspondentietheorie (natuurwetenschappen) vs coherentietheorie (sociale wetenschappen)
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
28
Q

Objectieve observatie vs waardengemedieerd

A

Objectief en waardenvrij
vs
Interactief, onderzoeker niet neutraal

Empatische neutraliteit

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
29
Q

Empathische neutraliteit

A

Onderzoek kan niet waardevrij zijn, streven naar maximale neutraliteit en transparantie

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
30
Q

Kernpunten empirisch onderzoek

A
  1. Directe observatie –> bewijs
  2. Objectieve manier bewijs verzamelen
    Hume
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
31
Q

Positivisme, empirisme

A

> Zintuigen –> observatie –> kennis
Regelmatigheden en patronen identificeren
Dataverzameling –> inductief redeneren –> generalisatie

> Onderzoeksproces beinvloedt werkelijkheid niet; feiten en waarheden gescheiden; objectief en waardenvrij onderzoek is mogelijk
Methoden natuurwetenschap geschikt voor sociaal

> Werkelijkheid kan accuraat gekend worden (correspondentietheorie)

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
32
Q

Verschillen positivisme/empirisme en post-positivisme/empirisme

A

Kennis door zintuigen vs hypothesen toetsen
Inductief vs deductief
Correspondentietheorie vs hypothesen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
33
Q

Interpretivisme en constructivisme

A

> Onderzoeken + begrijpen sociale werkelijkheid personen –> kennis
Onderzoekers vormen ook meningen en interpretaties obv deelnemers
Onderzoeksproces = vooral inductief: gegevens –> interpretaties; theorie –> observaties
Onderzoeksproces beinvloedt werkelijkheid, feiten en waarden zijn niet onderscheiden en objectief, waardenvrij onderzoek is onmogelijk
Methoden natuurwetenschappen niet geschikt voor sociale werkelijkheid, want geen wetmatigheden
Sociale werkelijkheid niet accuraat vastleggen, want verschillen in perceptie en begrijpen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
34
Q

Overeenkomsten interpretivisme en constructivisme

A

Beide verwerpen de gedachte van waardeneutrale observaties en wetmatigheden
Richten zich op het begrip van beleefde ervaring. Holistische benadering kwali.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
35
Q

Etnografie

A

Sociale werkelijkheid of cultuur van specifieke groepen begrijpen, door op te gaan in gemeenschap

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
36
Q

Fenomenologie/etnomethodologie

A

Begrijpen van constructen, ontdekken van betekenis in gesprekken en teksten.

De betekenis die mensen hechten aan bepaalde fenomenen of ideeën beschrijft/studie van de manieren waarop mensen hun sociale werkelijkheid beschrijven

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
37
Q

Conversatieanalayse

A

Structuren in spraak analyseren, waardoor mensen betekenis geven aan situaties.

Verwant met discourseanalyse

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
38
Q

Discourseanalyse

A

Analyse van de manieren waarop kennis ontstaat in verschillende betogen. Verwant met conversatieanalyse

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
39
Q

Symbolisch interactionisme

A

Onderzoeken van gedrag en sociale rollen om interpretaties en reacties van mensen te begrijpen.

Interacties tussen mensen en de symbolische betekenissen en interpretaties die zij geven aan hun sociale handelingen en omgevingen –> grounded theory

40
Q

Grounded theory/gefundeerde theorie

A

Ontwikkelen van opkomende theorieën dmv vaststellen van analytische categorieën.

Analyse van gegevens van deelnemers —> theorieën die sociale processen en handelingen verklaren.

Bekendste kwali benadering.

41
Q

Eerste kwali methoden in psychologie

A

Persoonlijke-constructtheorie
Ethogenisch onderzoek
Protocolanalyse

Later: IPA (interpretatieve fenomenologische analyse)

42
Q

Persoonlijke-constructtheorie

A

Onderozek naar constructen die mensen gebruiken als ze betekenis hechten aan denken en gedrag

43
Q

Ethogenisch onderzoek

A

Onderzoek van onderliggende gedragsstructuren adv betekenis die mensen verlenen.

Rollen en regels waarnaar mensen handelen of juist niet handelen onderzoeken

44
Q

Protocolanalyse

A

Bestuderen van cognitieve processen bij de uitvoerig van taken

45
Q

Interpertatieve fenomenologische analyse (IPA)

A

Onderzoeken van de betekenis van een relevante ervaring van een participant.

Vastleggen menselijke uitingen –> afleiden welke betekenissen mensen eraan hechten. Belangrijk in psychologisch kwali onderzoek

46
Q

Dominante methodologieën in psychologisch kwali

A

Grounded theory
IPA
Discourseanalyse
Conversatieanalyse

47
Q

Ontwikkelingen jaren ‘70

A
  1. Kritiek kwali –> Methoden formaliseren: striktheid benadrukken
  2. Kritiek kwanti –> kwali to the rescue!
  3. Kritiek filosofische aannames in sociaal onderzoek –> participatief (actie)onderzoek
48
Q

Postmodernisme

A

Geen vaststaande betekenissen, want zijn het product van tijd en plaats.

Poststructuralisme; deductivisme. Verwant met kritische theorie. Sceptisch over objectieve wetenschappelijke verklaringen.

48
Q

Kritische theorie

A

Vaststellen van manier waarop omstandigheden vio overtuigen, gedragingen en ervaringen zijn.

Verwant met postmodernisme. Parapluterm voor oa neomarxisme, feminisme, sociale modellen van beperkingen, kritische-rassentheorie, queertheorie.

Overeenkomst: Sociale en culturele facoteren beinvloeden het leven in gelijke mate. Resultaten worden geanalyseerd vanuit concepten als ras, geslacht of geaardheid. Onderzoek als samenwerking, grotere gelijkwaardigheid onderzoeker en participant.

49
Q

Participatief (actie)onderzoek

A

Gebaseerd op samenwerking met deelnemers en gericht op positieve veranderingen voor betrokkenen.

Doel: evenwicht tussen betrokkenheid van participanten en handhaven kwaliteit.
> Groeiende rol deelnemers en gemeenschappen
> ‘situeren’ van perspectief onderzoeker

50
Q

Narratieve en biografische methoden

A

Analyseren wat een narratief onthult over een persoon en diens werkelijkheid.

Persoonlijke verhalen om op bredere manier onderwerpen te onderzoeken

51
Q

Hermeneutiek

A

Onderzoeken van de omstandigheden waaronder tekst tot stand kwam

52
Q

Epistemologisch determinsme

A

kiezen voor 1 benadering = afgeraden

53
Q

Pragmatisme

A

Kiezen van een benadering die past bij de specifieke onderzoeksvraag. Hybride benadering.

54
Q

Kwalilitatief onderzoek bij de OU

A

> ontologie –> realisme: objectieve realiteit bestaat en kan waargenomen en geinterpreteerd worden. Maar: meetfout, waarneming is nooit perfect
epistemologie –> correspondentie en fallibilisme. Empathische neutraliteit –> transparant + expliciet zijn over bias
pragmatisme
constructivisme, positivisme (=)en postpositivisme (-, geen hypothesen)

In een gesprek over bijvoorbeeld eenzaamheid zullen alle deelnemers een iets andere definitie van eenzaamheid hanteren, die natuurlijk wel grotendeels gedeeld is. Dit betekent niet dat eenzaamheid niet bestaat in de objectieve realiteit; het is immers
theoretisch mogelijk om alle mogelijke definities van eenzaamheid te ontleden in hun onderdelen, die te meten, en op die manier de ‘algemene definitie van eenzaamheid’ in kaart te brengen.

55
Q

4 onderzoeksmethoden kwali deze cursus

A
  1. systematische review / meta analyse
  2. kwalitatief onderzoek (weinig bekend over onderwerp; denkprocessen/cognities/emoties in kaart brengen)
  3. kwantitatieve survey (samenhang variabelen)
  4. experiment of longitudinale survey (causaal verband)
56
Q

Statistiek

A

Steekproeven –> toeval –> statistiek: geobserveerde verbanden en verschillen te vergelijken met verwachting obv toeval en meetfout –> waarschijnlijkheid dat observaties ook echt bestaan in de populatie

57
Q

Conclusies kwali

A

Tentatief en milder dan kwanti.

58
Q

Wanneer kwali?

A
  1. onvoldoende bekend om goed meetinstrument te ontwikkelen
  2. exploratieve ONZV
59
Q

Voordelen kwali

A

Rijkdom data + flexibiliteit

60
Q

Nadelen kwali

A

Bias door verschillen in interviews
Power voor conclusies verwaarloosbaar
Bevinding moet geverifieerd worden met kwanti

61
Q

Paradox kwali kwanti

A

1=geen maar nodig om uiteindelijk kennis te vergaren. Uitkomsten kwali tentatief, kwali nodig voor kwant.

Kwali en kwanti complementair

62
Q

Kenmerken van een goed onderzoek

A
  1. Duidelijke opzet
  2. Samenhang tussen doelstellingen, ONZV, voorgestelde methodden
  3. Betekenisvolle- en relevante data verzamelen
  4. Realistisch in termen van tijd, geld, onderzoekssetting en context
63
Q

Waar komen onderwerpen van onderzoek vandaan?

A
  1. Uit bestaand onderzoek
  2. uit het dageljiks leven
  3. in opdracht
64
Q

Eigenschappen goede ONZV

A
  1. Duidelijk, begrijpelijk en eenduidig
  2. Gericht, afgebakend
  3. Kunnen onderzocht worden dmv dataverzameling
  4. Haalbaar
  5. Relevant en bruikbaar
  6. Gebaseerd op- en verbonden aan bestaand onderzoek, met potentieel een oorspronkelijke bijdragen te leveren of in een leemte te voorzien
65
Q

Eisen sub-vragen

A
  1. Vallen onder overkoepelende onderzoek
  2. Aansluiten en elkaar logisch opvolgen
  3. Betantwoordbaar + meetbaar
66
Q

Waarom is evalueren literatuur belangrijk

A
  1. voorkomen dubbel onderzoek
  2. onderzoek aansluiten op eerder onderzoek
  3. onderzoekers wegwijs/street wise maken
67
Q

Welke soorten data zijn er

A
  1. Secundaire data (gearchiveerde)
  2. Natuurlijke data (bestaan ook zonder het onderzoek)
  3. Gegenereerde data
68
Q

Waar moet de onderzoeker rekening mee houden bij kiezen van datatype?

A
  1. Belang van context
  2. Mate waarin een onderzoeksfenomeen gedetailleerd en accuraat wordt weergegeven
  3. Welke interpretatie het zwaarst weegt
  4. Toegankelijkheid en uitvoerbaarheid
69
Q

Wat zijn methoden van gegenereerde data?

A
  1. Individuele interviews (ingewikkelde systemen, processen of ervaringen; motivaties, beslissingen)
  2. Focusgroepen (abstracte of conceptuele onderwerpen, attitudes en meningen, technische kwesties)
    –> Inzicht in het leven of de opvattingen van deelnemers dmv verbale communicatie
70
Q

Welke factoren bepalen keuze tussen individueel interview of focusgroep?

A
  1. aard van de gegevens
  2. terrein van onderzoek
  3. deelnemersgroep
71
Q

Wat zijn nadelen van data verzamelen via internet

A
  1. Toegang tot het internet
  2. Alfabetisme
  3. Representatieve steekproeven
  4. Diepte van interactie tussen onderzoeker en participant
72
Q

Wat zijn voordelen van data verzamelen via internet?

A
  1. Mensen gedragen zich opener vanwege anonimiteit
  2. Geografische spreiding geen rol
  3. Tijdstip geen rol
  4. Makkelijker longitudinaal onderzoek
  5. Goedkoop
73
Q

Waarom zijn ethiek en integriteit belangrijk in de wetenschap/psychologie?

A
  1. Objecten van onderzoek zijn mensen (en kunnen schade ondervinden)
  2. Wetenschappelijk onderzoek vaak uitgevoerd met publieksgeld
74
Q

Wat is de definitie van ethiek?

A

Betrekking op data-verzamelingsfase. Komt voor uit ontstaan ethische commissies: bescherming deelnemers

75
Q

Wat is de definitie van integriteit?

A

Een set normen die samen een fatsoenlijke handelswijze voorschrijven. Normen voor repliceerbaarheid en beschikbaarheid van data. Onderdeel van ethiek: niet integer handelen is niet ethisch, want onderzoek gefinancieerd met gemeenschapsgeld.

76
Q

Hoe zijn ethische commissies ontstaan?

A

WOII –> Code van Neurenberg (1947), medisch.
1964: Verklaring van Helsinki. Basis voor ethische besluitvorming bij wetenschappelijk onderzoek. EC opgericht om dit te doen.

77
Q

Welke 2 aspecten moet een onderzoeker zich altijd bewust van zijn?

A

Wat en hoe. Hoe draagt beantwoording van de onderzoeksvraag bij aan het verbeteren van wat?

78
Q

Welke twee aspecten zijn nooit duidelijk na kwalitatief onderzoek?

A
  1. De grootte van de steekproeftoeval
  2. Grootte van de meetfout
79
Q

Wat is belangrijk bij de opzet van kwali?

A

Dat variabelen goed geoperationaliseerd zijn.

Voorbeeld: goed nagedacht over de 1)doelgroep die onderzocht moet worden,
2)werving van proefpersonen en 3) logistiek

80
Q

Welke producten levert een studie op?

A

Primair: Set van effect sizes; bijv set van mogelijke redenen voor gedrag (effect sizes in kwanti onderzoeken)

Secundair: Onderzoeksprotocollen, begrotingen, interviewschema’s.

81
Q

Hoe belastend is het onderzoek voor de deelnemers?

A

Weinig riskant, maar: emotionele heftige gesprekken kan, of kritische onderwerpen. –> vertrouwelijkheid.

82
Q

Wat zijn aandachtspunten van de belasting door het onderzoek?

A
  1. Opvang proefpersonen
  2. Opvang van de interviewer(s)
  3. Omgang met data (AVG, informed consent)

Goed uitgewerkt protocol

83
Q

Waarom is de Wet Bescherming Persoonsgegevens belangrijk bij kwali?

A

Auditieve data bevat persoonlijke informatie die herleidbaar is tot proefpersoon. Dus:
> Auditieve data zsm transcriberen + versleuteld opslaan
> Transcripte anonimiseren + veilig opslaan
> Niet-anonieme bestanden verwijderen

84
Q

Wat is de WMO

A

Wet Medisch Onderzoek. Bepaalt dat onderozek dat onder deze wet getoetst moet worden door METC. Meeste psychologische onderzoek is niet WMO-plichtig

85
Q

Wat is de cETO

A

Commissie Ethische Toetsing Onderzoek, heeft OU. Toetst al het mensgebonden onderzoek, tenzij het onderzoek uitsluitend onderdeel uitmaakt van het onderwijs.

86
Q

Wat zijn tips adv veelgemaakte fouten die EC’s zien

A

> Wees volledig in het onderzoeksprotocol.
Vrijwillige deelname betekent niet te hoge beloningen
Denk grondig na over privacybescherming

87
Q

Welke 2 soorten steekproefkaders ken je?

A
  1. Bestaande
  2. Nieuw te ontwikkelen
88
Q

Welke 3 bestaande soorten steekproef kaders ken je?

A
  1. Administratieve bestanden (archieven)
  2. Gepubliceerde lijsten
  3. Steekproef enquetes
89
Q

Welke 6 methoden van ontwikkelen van steekproef-kaders ken je?

A
  1. Gate-keepers/Poortwachters (organisaties die diensten verlenen aan bepaalde populaties of deze vertegenwoordigen)
  2. household screen (kort, verkennend interview met mensen die in het te onderzoeken gebied wonen. Tijdrovend+duur)
  3. Flow populations (werven van mensen in een specifieke setting)
  4. website sampling (dmv social media en communities)
  5. snowballing (doorverwijzen)
  6. chain sampling/kettingsteekproef (doorverwijzen, waarbij de link tussen de mensen van belang is)
90
Q

Noem 3 voorbeelden van vormenv an steekproeven

A
  1. Purposive sampling (selectie obv bepaalde criteria)
  2. Theoretical sampling (incidenten, mensen of eenheden obv hun mogelijke bijdrage aan het ontwikkelen en testen van theoretische constructen)
  3. Convenience sampling (selectie obv beschikbaarheid)
91
Q

Uit welke 6 stadia bestaat het ontwerpen van een doelgerichte steekproef?

A
  1. Identificatie van de populatie
  2. Kiezen van de doelgerichte selectiecriteria
  3. Prioriteiten van de selectiecriteria. (nesting) –> Sample matrix
  4. Bepalen van de onderzoekslocaties 5. 5. Ontwerpen van de sample matrix
  5. Vaststellen van de quota voor de selectie. Hoeveel pp zijn nodig? Datasaturatie
92
Q

Welke 4 factoren bepalen N?

A
  1. Sampling matrix, waar elke cel minimaal 1 maar vaak meerdere deelnemers moet bevatten
  2. Moment waarop datasaturatie plaatsvindt
  3. Vorm van dataverzameling
  4. Praktische overwegingen.
93
Q

Waar moet je op letten bij het implementeren van het steekproef-ontwerp?

A
  1. Recruitment materials
  2. Recruitment channels
  3. Recruitment agencies
  4. Vastleggen van de uitkomsten van het werven (recruitment)
94
Q

Hoe worden de uitkomsten van het werven vastgelegd?

A

Bij elke potentiële participant wordt genoteerd in welke van de volgende categorieën hij/zij valt:
> buiten de definitie
> non-contact
> buiten de quota
> wil niet meedoen
> wil meedoen
> heeft meegedaan