Thema 6 (+2.4) Flashcards

1
Q

Wat is een tekstplan

A

Soort inhoudsopgave waarbij je aangeeft:
- welke onderdelen achtereenvolgens besproken worden
- in welke volgorde ze besproken worden
- inhoud van elk onderdeel
- mogelijke citaten voor onderbouwing

Doel: overzicht tekst krijgen, waar welke info presenteren, samenhangend geheel vormen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
2
Q

Welke 4 soorten onderzoeksoutput ken je?

A
  1. Uitgebreide
  2. Samenvattend
  3. Verslag van ontwikkeling/voortgang
  4. Selectief
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
2
Q

Factoren die wijze van opbrengsten van de presentatie beinvloeden

A
  1. MOTIVATIE en doel van het onderzoek
  2. DOELGROEP
  3. voldoen aan contractuele of andere VERPLICHTINGEN
  4. beschikbare (hulp)MIDDELEN
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
3
Q

Wat zijn 5 grote uitdagingen bij het rapporteren van kwali data?

A
  1. Het VERHAAL vertellen
  2. Weergeven van de DATA waarop het rapport gebaseerd is
  3. Het weergeven van de DIVERSITEIT
  4. LENGTE van het rapport
  5. LIMITATIES van kwalitatief onderzoek uitleggen
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
4
Q

Welke 3 methoden van structureren heeft Silverman benoemd?

A
  1. Hypotheseverhaal: hypothese stellen, toetsen en implicatie bespreken
  2. Analytische benadering
  3. Mysterie benadering
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
5
Q

Welke 3 andere methoden van structureren worden in het boek beschreven? obv thematische analyse

A
  1. Structureren rond een typologie
  2. Structureren rond verschillende populaties
  3. Structureren rond verschillende tijdvakken
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
6
Q

Wat zijn de 3 basisvormen van vertelwijzen (van Maanen)?

A
  1. REALISTISCH relaas - auteur ontbreekt, observaties als feiten, interpretaties als niet-subjectief
  2. BETEKENISRrelaas - persoonlijk auteurschap, mix beschrijving en ervaring
  3. IMPRESSIONISTISCH relaas - dramatische herinnering, vaak narratief
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
7
Q

Audit trial

A

Verantwoording van gebruikte onderzoeksmethode. Geeft lezer inzicht in het onderzoeksproces en epistemologische keuzen van onderzoeksteam

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
8
Q

Wat zijn 7 redenen om citaten te gebruiken (Corden & Saintsbury, 2006)

A
  1. ONDERWERP van onderzoek
  2. BEWIJS, om lezers eigen oordeel te laten geven
  3. Als VERKLARING
  4. Ter UITLEG
  5. Om BEGRIP te verbeteren
  6. Om deelnemers een STEM te geven
  7. Om de LEESBAARHEID te verbeteren
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
9
Q

Cognitieve validiteit

A

Interpretatie van de items (stimuli en evt responsregistratie) in de operationalistie.

Zoals de onderzoekers het bedoelen.

Steekproeftoeval!

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
10
Q

Wat zijn constructen?

A

Variabelen, gedefinieerd in psychologische theorieen en gebruikt als metaforen voor aspecten van de menselijke psychologie.

VB: attitude, eigen-effectiviteit, seksuele orientatie, gender. Theoretisch, niet rechtstreeks observeerbaar

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
11
Q

Operationalisaties

A

Tussenstap tussen theoretische constructen en de praktijk van de realiteit.

Twee soorten: manipulaties en meetinstrumenten.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
12
Q

Manipulaties

A

Kunnen het doelconstruct BEINVLOEDEN volgens de relevante psychologische theorie.

Beinvloeding = verandering doelconstruct

VB: manipulatie ontworpen om mensen blij/nerveus/optimistisch/prosociaal te maken

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
13
Q

Meetinstrumenten

A

METEN het doelconstruct volgens de relevante psychologische theorie. Uitkomst = kwantitatief.

Beinvloeding = ingang zetten specifieke psychologische processen waarbij doelconstruct rol en processen –> registreerbare respons. TIJDELIJKe verandering om iets uit de respons af te kunnen leiden over het doelconstruct

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
14
Q

Items

A

De verschillende stimuli in een operationalisatie. Presentatie van items wordt bepaald door de procedure

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
15
Q

Procedure

A

Beschrijft hoe de stimuli aan de deelnemer wordt gepresenteerd.

Als meetinstrument: hoe wordt de respons geregistreerd? Item = elke combinatie van stimulus en responsregistratie. Vb: elke vraag in een vragenlijst

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
16
Q

Paradox kwalitatief onderzoek en operationalisaties

A

Operationalisatie vereist info bekend over construct. Meten/manipuleren niet mogelijk zonder operationalisatie. –> kwali onderzoek to the rescue!

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
17
Q

Observaties uit kwalitatief onderzoek

A

Observaties in codestructuur –> basis voor initiele verzamelig items –> verder onderzoeken (kwanti) –> operationalisatie

18
Q

Validiteit (van de operationalisatie)

A

Mate waarin de data die worden verkregen met die operationalisatie corresponderen met het betreffende construct;
= toepassing van een operationalistaie in een gegeven steekproef.;
= Kenmerk van de toepassing van een operationalistie in een gegeven steekproef.

Onderzoeken mbv andere operationalisaties van hetzelfde of andere constructen.

19
Q

Manipulatiechecks

A

Validiteit van een manipulatie checken. Twee operationalisaties van het doelconstruct worden toegepast in 1 steekproef: 1 manipulatie en 1 meetinstrument om te kijken of het doelconstruct ook echt is beinvloed. + meetinstrumenten van andere constructen die NIET beinvleod zouden moeten worden door de betreffende manipulatie.

20
Q

Validiteit meetinstrument verifieren

A

Operationalisaties van andere constructen gebruiken. Kijken of de verzamelde datareeks samenhangt met die verzameld met operationalisaties van andere constructen.

VB: waargenomen eigen-effectiviteit zou moeten samenhangen met hoe vaak iemand het gedrag uitvoert.

21
Q

Welke factoren beinvloeden de validiteit van een operationalisatie?

A

Steekproefgebondenheid & registratie van respons

22
Q

Cognitieve interviews

A

Object is operationalisatie. Kwali onderzoeksmethode. Think-aloud en probing.

23
Q

Think-aloud methode (hardop denken)

A

Deelnemers vragen hardop na te denken. –>
1) registreren van processen die de deelnemer gebruikt om tot een antwoord te komen.
2. Observeren dingen die normaal impliciet blijven

+
Vrijwaring van door interview veroorzaakte bias
Geringe opleidingsvereisten aan interviewer
Format met open einde

-
Training deelnemer nodig
Weerstand bij deelnemer
Belasting van deelnemer
Neiging afdwalen (deelnemer)
Bias bij informatieverwerking (deelnemer)

24
Q

Verbal Probing (doorvragen)

A

Alternatief voor think-aloud. Doorvragen naar specifieke informatie die relevant is voor de vraag of het antwoord (een gegeven aspect van een operationalisatie).

+
Controle over ineterview
Eenvoudige instructie van deelnemer

-
Kunstmatigheid
Potentiele bias (beperken door niet-sturende vragen te gebruiken)

25
Q

Kenmerken cognitief interviewen

A
  • Gericht op afnameproces, vragenlijsten en vragen zelf
  • Cognitieve processen die respondenten (bewust/onbewust) gebruiken bij het beantwoorden van vragen
  • Vrijwillige deelnemers
  • specifieke doelgroep
26
Q

Cognitieve theorie Tourangeau

A
  1. Begrijpen van de vraag (bedoeling van de vraag + betekenis van termen)
  2. Relevantie informatie uit geheugen ophalen (oproepbaarheid informatie + strategie van ophalen)
  3. Besluitvormingsprocessen (motivatie + sociaal wenselijkheid)
  4. Antwoordprocessen (toewijzen van antwoorden)
27
Q

Technieken voor cognitieve interviews

A

Think-aloud
Verbal probing

28
Q

Voordelen cognitief interviewen bij structurele problemen opsporen

A
  • Leren over het onderwerp (vertrouwen op inhoudelijke expertise deelnemers)
  • Leren over niet-cognitieve gebreken in de vragenlijst (structurele of logische problemen opsporen)
29
Q

Volgorde activiteiten bij cognitieve interviews

A

Concept –>
voorbereiding interview + werving –>
indiv. interview (n=5-10) algemeen –>
commentaar –>
bespreken + wijzigingen –>
volgende ronde cognitief testen nodig? –>
voortestfase –>
afnemen vragenlijst in het veld

30
Q

Eigenschappen effectieve (cognitieve) interviewer

A

Ervaring in het ontwerp van vragenlijsten en doel
Vertrouwd met basiskenmerken van cognitief interviewen en manieren waarop cognitieve processen beantwoording kunnen beinvloeden
Bekend met concepten uit wetenschappelijk onderzoek (bias, omgevingseffecten, metingen en schaaleffecten)
Goede communicatievaardigheden (gemak, niet-oordelend)

31
Q

Veldinterviewer vs cognitieve interviewer

A

Veldinterviewer moet afleren:
- ‘een vraag te laten werken’. Juist gebreken in vragen opsporen, niet er omheen werken
- Snel werken
- Details in opmaak, volgorde, spelling. Het gaat juist om inhoud
- Instructies volgen. Juist afwijken van normale werkwijze.

32
Q

Wat zijn de 7 stappen bij training van cognitief interviewers

A
  1. Vragenlijsten beoordelen om problemen op te sporen. Besprekingen bijwonen
  2. Vertrouwd maken met cognitieve aspecten van enquetemethoden
  3. Specifieke probingstechnieken leren
  4. Voorbeelden van manieren probing
  5. Observeren ervaren interviewers
  6. Zelf interviews uitvoeren en feedback krijgen
  7. Besprekingen voor herzien vragenlijsten bijwonen en oplossingen inbrengen
33
Q

Wat zijn 4 aandachtspunten in cognitief interviewen

A
  1. Duidelijk maken dat geen data verzameld wordt
  2. Duidelijk maken dat manier van tot antwoord komen is primair belangrijk
  3. Think-aloud: hardop denken
  4. Kritisch zijn op vragen mag
34
Q

Wat zijn aandachtsputen bij de logistiek van cogn interviewen

A
  1. Werving: specifieke populatie testen
  2. Betaling
  3. Face-to-face afname
  4. Verwerking gegevens
  5. Analyse dmv aantekeningen
  6. Vertrouwen op klinisch oordeel van interviewer
  7. Beperkingen en aanpassingen
35
Q

Evaluatie effectiviteit van cognitief interviewen

A
  1. Verschillende testpersonen is geen ernstig probleem
  2. Invloed omgevingsverschillen afh van vragenlijst.( Overdracht testomgeving).
  3. Steekproefomvang te klein? Nee, want: geen statistische inschatting beoogd; kwalitatief; steekproefomvang van veldtoets is vaak alleen denkbeeldig groter
  4. Overdracht naar testomgeving
36
Q

Overdracht testomgeving naar het veld

A

Onderzoek Wilis en Schlechter 1997. Resultaten onderstuenen de bewering dat cognitieve interviews voldoende gelijken op veldinterviews en dat dezelfde mentale processen gebruikt worden.
Andere onderzoeken: zinloos om verschillende voortestmethoden onderling te vergelijken.

Bij juiste toepassing is cogn interviewen een effectief middel om potentiele problemen op te sporen voordat deze problemen zich voordoen tijdens de veldenquete.

37
Q

Persoonsgegevens en cogn interview

A

Maak geen opnames van de interviews. Wel aantekeningen, zonder persoonsgegevens.

38
Q

Door welke manieren kun je kwantificeren vermijden?

A
  1. Focussen op VRAAGSTUKKEN ipv mensen (draai de zin om en begin met meningen, ervaringen, motivatoren, omstandigheden ipv met mensen)
  2. Presenteer de SCOPE van antwoorden
  3. Presenteer de categorieën/CLUSTERS van antwoorden
  4. Focus op de VERSCHILLEN tussen groepen mensen of zaken
  5. Wanneer herhaling wordt besproken, focus dan op de REDEN VAN DE herhaling
39
Q

Noem 3 manieren waarop steekproefgebondenheid de validiteit kan beinvloeden

A
  1. Taal
  2. auditieve stimuli
  3. visuele stimuli (cultuur/symboliek/niet wereldwijd representatief).
40
Q

Wat zijn 6 verbal-probingtechnieken?

A
  1. Begrip/interpretatie
  2. Parafraseren (in eigen woorden herhalen)
  3. Vertrouwen van eigen oordeel (Hoe zeker ben je dat..)
  4. Herinnering (hoe herinner jij je dat ..)
  5. Specifiek
  6. Algemeen (hoe kom je aan dat antwoord, was deze vraag moeilijk of makkelijk te beantwoorden)
41
Q

Welke 2 benaderingen voor probing ken je?

A

Gelijktijdig en retrospectief

Retrospectief bij:
- self-administered vragenlijsten
- in latere ontwikkelingsfasen van vragenlijst

42
Q

Wat zijn de 2 basiscategorieën van probes (opstellen)

A
  1. Gescripte probes: Vooraf opgesteld, algemeen. Bij voldoende voorbereidingstijd, gestandaardiseerde benadering of onervaren interviewers
  2. Spontane probes: specifieke interviewer, spontaan bedacht, kan minder wetenschappelijk zijn

Beste: combi

43
Q

Noem 3 kenmerken van een goede aanpak van gegevensvewerking

A
  • Resultaten vraag voor vraag SAMENVATTEN dmv commentaar
  • COMMENTAREN samenvoegen per interviewer en per interview
  • Geannoteerde vragenlijst in eindrapportage