Thema 1 - Introductie Flashcards

1
Q

Visie Franz Joseph Gall

A

Hersenen = verzameling van functies

Frenologie: een ‘nieuwe’ psychologie (voortkomend uit de onjuistheid van de fysiognomie) gebaseerd op Franz Joseph Gall’s inzichten in de bouw en functie van de hersenen op basis van gevoelde knobbels en post mortem hersenonderzoek.

Hij stelde (tegen de opvatting van algemeen verwerkende geest) dat:
- Psychologische functies zijn aangeboren.
- Aparte organen voor functies
- functies liggen in de cortex ipv in hersenkernen.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
2
Q

Clinicoanatimische methode

A

Methode van Franz Joseph Gall:

Uitvalverschijnselen na hersenletsel werden in kaart gebracht. Post mortem werd de plaats van de laesie gelokaliseerd en daarmee de plaats van de hersenfunctie bepaald.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
3
Q

Visie Paul Broca

A

Broca’s gebieden: spraakproductie (produceren van klanken) ligt aan de zijkant van de linkerhersenhelft.

De linker hh krijgt zuurstofrijker bloed, waardoor een snellere hersenontwikkeling leidt tot de locatie waar taal geproduceerd wordt.

Door asymmetrie in lokalisatie van taal, werd ook de handvoorkeur in verbad gebracht met asymmetrie in hersenhelften.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
4
Q

Visie Carl Wernicke

A

Hersenen = instrument voor koppeling sensorische input aan motorische prikkels.

Wernickes gebieden: begrip van gesproken taal ligt in de temporaalkwab, aan het eind van de gehoorbaan.

Tussen het woordbegrip- en woordprocuctiecentrum (Broca), ligt een verbindingsbaan. Vindt hier een laesie plaats, dan spreekt men van een disconnectie.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
5
Q

Visie Alexander Luria

A

Hersenen = één complex functioneel systeem, waarbinnen subsystemen een eigen bijdrage aan gezamenlijke activiteit leveren.

Hij zocht een evenwicht tussen holistische en lokalistische opvattingen over hersenfuncties, want:
- de hersenen zijn flexibel, adaptief en beschikken over plasticiteit door de inzet van verschillende subsystemen (dus: nooit 1 subsubsysteem verantwoordelijk).
- hersengebieden zijn gekoppeld aan een of meerdere specifieke functies.

Linker hh is taaldominant en daarom de dominante hersenhelft. Immers: internaliserende speech leidt tot regulatie van cognitieve, emotionele en planningsfuncties.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
6
Q

Functionele architectuur van de hersenen

A

Door Luria omschreven indeling die bij iedere mentale activiteit betrokken zijn:

  1. 3 voortdurend interacterende functionele eenheden (units), gerelateerd aan subcorticale, posterieure en anterieure hersengebieden:
    - activatie, input en output; regulatie van waakzaamheid en aandacht.
    - Stoornis = letsel in hersenstam, diëncephalon (tussenhersenen) en mediale gebieden van grote hersenen.
  2. 3 hiërarchisch geordende niveaus van verwerking, gerelateerd aan primaire, secundaire en teritiere zones in de hersenen: cognitieve informatieverwerking:
    - waarneming, verwerking en opslag.
    - Stoornis = letsel achter de centrale fissuur (sulcus): posterieure gebieden van laterale cortex.
  3. Gedrag dat wel of niet gereguleerd wordt door taalprocessen, gerelateerd aan de linker- en rechterhersenhelft: cognitieve organisatie van gedrag:
    - planning, regulatie, monitoring van doorgelichte activiteiten.
    - Stoornis = letsel voor de centrale fissuur (sulcus): motorische, premotorische en prefrontale cortex.
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
7
Q

Fundamenteel onderzoek/vraagstellingen

A

Gericht op een beter begrip van hersenstructuren en cognitieve stoornissen. Dit wordt getest met experimenteel onderzoek, die ook in literatuur beschreven kan zijn. Werken met gestandaardiseerde en genormeerde procedures is niet vereist.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
8
Q

Klinisch neuropsychologisch onderzoek/vraagstellingen

A

Gericht op:
- diagnostisch onderzoek via een testbatterij.
- een andere typering van het ziektebeeld (differentiaal diagnoses)
- bruikbaarheid van testinstrumenten en -procedures
- in kaart brengen van een verloop van ziekte.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
9
Q

Substractie(methode)

A

Een procedure waarbij de score behaald op een simpelere conditie afgetrokken wordt van een complexere conditie, waardoor de activatie voor specifiek de complexe conditie overblijft.

Deze experimentele procedure achterhalen welk aspect van de onderzoeksopzet verantwoordelijk is voor de geobserveerde effecten van gedrag.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
10
Q

Reactietijdparadigma

A

Een uitvoering van de substractiemethodie door Frans donders met drie condities:
1. Simpele detectietaak: is er een stimulus ja of nee?
2. go/no-go-reactietaak
3. discriminatie-reactietaak: is er een verschil ja of nee?

1 - 3 = inschatting van de tijd voor het discrimineren van een stimulus.

2 - 3 = tijd die het vergt om een responskeuze te maken.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
11
Q

Beperkingen substractiemethode

A
  • De verschilscore is niet betrouwbaar, omdat beide condities onbetrouwbaarheden heeft die bij het aftrekken samen worden gevoegd.
  • Vertraging bij complexe cognitieve processen vinden altijd plaats. Om te bepalen of deze voortkomen uit een specifieke stoornis moet bekeken worden of deze vertraging disproportioneel groter is dan de vertraging op de simpele conditie.
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
12
Q

Dissociatie

A

Selectieve uitval van een in essentie intact cognitief functioneren, bestaande uit enkelvoudige en dubbele dissociatie.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
13
Q

Enkelvoudige dissociatie

A

Bij minder ernstige letsels vallen complexe cognitieve functies uit, terwijl de makkelijkere functie nog wel tot de mogelijkheden behoort.

Bijv: wel taak A (lezen), niet het complexere taak B (schrijven). Uitval op het simpele taak A = ook uitval op taak B, omdat de complexere taak B samenhangt met taak A.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
14
Q

Dubbele dissociatie

A

Het aantonen van twee onafhankelijke cognitieve processen, waarvan men aanvankelijk dacht dat het om een samenhangend proces ging. Dit is onafhankelijk als de scores zowel van de norm als van zichzelf significant afwijken.

Bijv.: pat. 1 heeft uitval op taak A (herkenning identiteit adv gezicht), maar niet op taak B (herkennen emotionele uitdrukking), terwijl dit bij pat. 2 omgekeerd is. Dit toont aan dat het herkennen van emoties en het herkennen van een persoon adv een gezicht afhankelijke cognitieve functies zijn.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
15
Q

Single-case studie

A

Onderzoek bij één onderzoekseenheid/patiënt. Dit is waardevol omdat (de gevolgen van) laesies en achterliggende cognitieve processen niet 1 op 1 met elkaar te vergelijken zijn.

Designs:
- Vergelijking met de prestatie van een normgroep, waarvoor bruikbare tests nodig zijn.
- Intra-individueel onderzoek: specifieke taken aanbieden en condities met elkaar vergelijken. Door variaties in condities aan te brengen, kan de aard van het cognitieve probleem in kaard gebracht worden.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
16
Q

Confounder

A

Stoorfactoren in onderzoek, zoals het test-hertest effect wat optreed bij longitudinaal onderzoek.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
17
Q

Beloopstudies

A

Brengt het (gemiddelde) beloop van een zieke in beeld door:
- Longitudinaal onderzoek
- Crossectioneel onderzoek

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
18
Q

Behandelstudies

A

Meet de effectiviteit van behandeling, door een voormeting, behandeling en nameting met elkaar te vergelijken.

Belangrijk voor een positief behandeleffect:
- Er is sprake van generalisatie van het behandelingseffect in het dagelijkse leven.
- er is sprake van een specifiek behandeleffect ipv spontaan herstel.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
19
Q

Een specifiek behandeleffect wordt bij een behandelstudie gemeten door:

A
  1. Verschillende design toepassingen:
    - multiple baseline design: door een voormeting kan enige mate van herstel al gemeten worden.
    - cross-over design: trainingen op bepaalde functies vinden los van elkaar plaats, waardoor vooruitgang op alleen deze specifieke functie zichtbaar zou moeten zijn.
    - itemspecifieke training: het effect van specifiek getrainde items wordt vertekenen met items die niet gebruikt worden tijdens de training.
  2. Een controletaak die in de buurt ligt van het geoefende proces kan vaststellen of er bij de behandeling sprake is van een specifiek effect.
  3. Er wordt rekening gehouden met het placebo-effect.
  4. De toeval van tussentijdse vooruitgangscores wordt ondervangen door een permutatie- of randomnisatietoets: een statistische techniek waarin bepaald wordt hoe groot de kans is op een bepaald patroon van scores.
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
20
Q

Randomnized Controlled Trails (RCT)

A

Een onderzoeksdesign waarin patiënten at random worden toegewezen aan de behandelgroep, controlegroep op care-as-usual groep. Dit geeft de grootste meting van een behandeleffect, maar heeft ethische bezwaren voor de controlegroep.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
21
Q

5 stappen diagnostische cyclus

A
  1. Verwijzing/vraagstelling: leidt tot goede voorbereiding en efficiënt onderzoek.
  2. Klachtenanamnese, bestaande uit anamnese (info over de klachten en het beloop +huidige beeld, incl. observeren) en heteroanamnese (subjectieve informatie van voor het moment waarop klachten ontstonden ingewonnen bij iemand anders dan de cliënt).
  3. Probleemanalyse: testonderzoek naar persoonlijkheidskenmerken, dopingstijlen en psychiatrische klachten, bestaande uit observaties en een vaste testbatterij (flexibele testbatterij = meer maatwerk).
  4. Diagnosestelling: integratie van stap 1 en 2, met aandacht voor kwalitatieve aspecten van de testscores, en differentiaaldiagnostiek.
  5. Indicatiestelling: evt. vervolg nodig en rapportage.
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
22
Q

Betrouwbaarheid (2 soorten)

A

De nauwkeurigheid van een instrument; het verkrijgen van dezelfde gegevens bij herhaling.

Bestaande uit:
- Test-hertestbetrouwbaarheid: dezelfde uitkomst bij een andere mening of bij andere onderzoekers.
- interbeoordelaarsbetrouwbaarheid: de mate van overeenstemming tussen de uitkomsten van verschillende onderzoekers.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
23
Q

Validiteit (5stk)

A

De geldigheid van een test; meten wat je wil meten.

  • Face validity
  • inhoudsvaliditeit
  • construct/begripsvaliditeit
  • criteriumvaliditeit
  • ecologische validiteit.
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
24
Q

Face validity

A

De mate waarin een test op het eerste gezicht lijkt te meten wat hij behoort te meten.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
25
Q

Inhoudsvaliditeit

A

De mate waarin een test representatief is voor het onderwerp wat men beoogt te meten.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
26
Q

Constructvaliditeit (begripsvaliditeit)

A

De mate waarin het resultaat van een test werkelijk een indicatie is van de cognitieve functie (het construct) waarover men een uitspraak wil doen.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
27
Q

Criteriumvaliditeit

A

De mate waarin een test de presentatie van een patiënt kan voorspellen op een extern criterium; wel willen weten, maar niet rechtstreeks kunnen vaststellen.

  • Predectieve validiteit: hoe goed voorspelt een test het daadwerkelijke gedrag?
  • Concurrente validiteit: de vergelijking tussen een neuropsychologische test en een ander instrument dat hetzelfde criterium meet.
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
28
Q

Ecologische validiteit

A

de mate waarin een test voorspelt hoe een patiënt functioneert in zijn eigen omgeving (lijkt op predicatieve validiteit).

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
29
Q

Stoorfactor

A

Elementen die te testprestatie beïnvloeden, zonder dat deze binnen de meetretentie van een test valt. Dit kan leiden tot vals positieve of -negatieve uitkomsten.

Zoals onderpresteren.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
30
Q

Onderpresteren

A

Als een patiënt slechter presteert op een test dan waartoe hij in staat is. Bijv. door vermoeidheid, nervositeit, pijn of het voorwenden (stimuleren) of aandikken (aggraveren) van niet-bestaande cognitieve symptomen.

Dit is herkenbaar via:
- inconsistenties binnen het testprofiel
- discrepantie tussen gedragsobservaties en testinterpretaties
- discrepantie tussen hoeveelheid klachten en milde ernst van de aandoening.

Via kansberekening en symptoomvalidatietest kan een diagnosticus uitspraken doen over opzettelijk onderpresteren.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
31
Q

Symptoomvalidatietests

A

Sporen onderprestaties op tests op. Zo zijn deze ogenschijnlijk moeilijk, maar zo makkelijk dat iedereen het maken kan.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
32
Q

Rekening houden bij diagnostiek (7p.)

A
  • Betrouwbaarheid en validiteit van de tests
  • Normgegevens bij interpretatie
  • Kwalitatieve aspecten van de tests
  • Omgevingsfactoren van de patiënt
  • Stootfactoren/tijdelijke toestandsbeeld van de patiënt
  • Redeneerfouten/confirmation bias van de patiënt
  • Differentiaaldiagnostiek.
33
Q

Herstel

A

Een vooruitgang in het functioneren ten opzichte van het moment van hersenletsel als gevolg van plasticiteit (neurologisch/cerebraal herstel) en leren (psychologisch herstel op gedrags- of belevingsniveau).

34
Q

Neurale plasticiteit

A

Het vermogen van het brein zichzelf aan te passen en te herstellen. In de eerste maanden vindt de grootste verandering plaats, na 1 jaar is er sprake van een neurologische eindtoestand.

35
Q

Direct symptoom

A

Een verlies van of verandering in gedrag of mentale processen die rechtstreeks het gevolg is van schade aan een functioneel hersensysteem: als gevolg van neurale schade.

36
Q

Indirect symptoom

A

De poging van de patiënt om met een direct symptoom om te gaan, wat beïnvloedt wordt door het premorbide functioneren, copingvaardigheden en de sociale steun.

Dit kan adaptief en maladapaief aangepast zijn.

37
Q

Kennard-principe

A

Op jongere leeftijd herstelt iemand beter van hersenbeschadiging dan op volwassen leeftijd als gevolg van neurale plasticiteit.

Dit staat haaks op het double hazard: ernstige en matige letsels bij jonge kinderen geeft een slechtere prognose dan bij vergelijkbare oudere kinderen.

38
Q

Growing into deflict

A

Bij kinderen worden de gevolgen van hersenbeschadiging pas na verloop van de tijd duidelijk.

39
Q

Restitutieve reconnectie

A

Een hypothese over spontaan herstel na hersenletsel, waarin neuronen in naastgelegen gebieden snel nieuwe verbindingen aanleggen, om verloren verbindingen te vervangen.

Volgens anderen (zoals Kolb) is dit alleen mogelijk bij kleine/milde hersenletsels, bij grotere beschadiging is herstel eerder te verklaren uit gedragsniveau.

40
Q

(Psychologisch) leren

A

Relatief permanente verandering in het gedrag als gevolg van ervaring; het leggen van een associatie tussen uitlokkende factoren (prikkels/stimuli) en gedrag (respons).

41
Q

Consistent mapping

A

Het herhaaldelijk optreden van een combinatie van stimuli en respons, waardoor leren wordt versterkt.

42
Q

Varied mapping

A

Als verschillende responsen worden uitgelokt bij eenzelfde stimulus, waardoor er geen associatie/leerverbinding wordt gelegd tussen de stimulus en de respons.

43
Q

Knowledge of results (KR)

A

Verbale informatie over de mate waarin het leerdoel is gehaald; een bron van feedback waaraan het leerproces kan worden bijgestuurd of efficiënter kan verlopen.

44
Q

State dependent learning

A

Geleerd gedrag zal gemakkelijker vertoond worden wanneer de toepassingscontext sterkere overeenkomsten vertoont met de aanleercontext.

45
Q

Varability of practice (VP)

A

Door al vroegtijdig in het leerproces variaties in de leercontext aan te brengen, wordt transfer (en nog beter: generalisatie) naar een andere toepassingscontext gefaciliteerd.

Dit stimuleert transfer van het geleerde.

46
Q

Linkage to the site of application (LA)

A

Tijdens de leerfase wordt het leergedrag gerelateerd aan de doelsituatie waarin dat gedrag uiteindelijk vertoont moet worden.

Dit stimuleert transfer van het geleerde.

47
Q

International Classification of Impairments, Disabilities and Handicaps (ICIDH)

A

Een classificatiesysteem (uit 1980) die het mogelijk maakt om de gevolgen van ziekte en letsel voor het individueel functioneren van patiënten op drie verschillende niveaus te onderscheiden: stoornissen, beperkingen en handicaps.

48
Q

International Classification of Functioning, Disability and Health (ICF)

A

Een herziende versie uit 2011, waarin de gevolgen van ziekte in positieve termen is beschreven; de ICF richt zich op classificatie van ‘componenten van gezondheid’.

Functioning v.s. disability:
1. Lichaamsfuncties (stoornissen): mentale eigenschappen van het menselijk organisme.
2. Activiteiten (beperkingen): onderdelen van iemands handelen.
3. Participatie (beperkingen): iemands deelname aan het maatschappelijk leven.

49
Q

Restauratieve model/revalidatie

A

Herstel gericht op cognitieve functies en hersenstructuur; revalidatie gericht op hersenniveau.

Richt zich op het verbeteren van basale functies en op stoornisnvieau volgens ICF-model termen.

50
Q

Functietraining

A

Aanduiding van de trainingsvormen die gebruikt worden bij het restauratieve model. Hierbij wil men via specifieke stimulatie plasticiteit teweeg brengen. Dit leidt tot verbetering op de taak zelf, maar generalisatie naar het dagelijkse leven is niet aangetoond.

51
Q

Compensatoir model/revalidatie

A

Herstel gericht op het leren compenseren van het beschadigde door intacte functies en mogelijkheden in te zetten.

Richt zich p het activiteiten- en participatieniveau volgens ICF-model termen.

52
Q

Vaardigheidstraining

A

Aanduiding van een compensatoire interventie waarin de patiënt herhaaldelijk dezelfde taak uitvoert om een specifieke activiteit aan te leren, zonder explicite aansturing op op transfer of generalisatie naar andere situaties. Er wordt gebruik gemaakt van intacte leercapaciteiten.

53
Q

Strategietraining

A

Een compensatoire interventie waarin sprake is van een algemene, abstracte en top-down aanpak waarmee beter functioneren wordt beoogt doormiddel van herstructurering van taken, strakkere planning van activiteiten en strikte controle van het eigen gedrag. Een patiënt moet in staat zijn tot abstract denken en zelfstandigheid.

54
Q

Neuropsychologische revalidatie

A

Revalidatie gericht op psychosociaal, gedragsmatig, emotioneel en cognitief niveau.

55
Q

Cognitieve revalidatie

A

Voorlichting en informatie (psycho-educatie), omgevingsaanpassingen doen van de fysieke en sociale omgeving en cognitieve training.

56
Q

Neuronaal (spontaan) herstel vindt plaats door:

A
  • Fysiek herstel van het getroffen gebied
  • Het overnemen va functies door naastgelegen hersengebieden.
  • Nieuwe zenuwcellen worden aangemaakt (in de choroid plexus; op de boden van de laterale ventrikels) die mogelijk een functionele rol spelen in het herstel van het beschadigde gebied. Dit is aangetoond bij dieronderzoek.
57
Q

Een neuropsycholoog houdt zich bezig met de volgende 5 taken:

A
  1. Het analyseren de gestoorde en intact gebleven gedragsmogelijkheden;
  2. De consequenties van de gestoorde en intact gebleven gedragsmogelijkheden voor het dagelijkse leven specificeren;
  3. Het onderzoeken van de relatie tussen het gestoorde en intact gebleven gedrag en de aard, plaats en omvang van de hersenstoornis.
  4. Het bestuderen van de veranderlijkheid en veranderbaarheid van de gedragsmogelijkheden en gedragsbeperkingen.
  5. Het ontwikkelen, toepassen en evalueren van vormen van begeleiding en behandeling.
58
Q

Structurele beeldvorming

A

Brengt anatomie van de hersenen in beeld, bestaande uit:

  1. CT-scan
  2. MRI-scan
59
Q

Computerized tomography (CT)

A

Een scan van (plakken van) hersenen op basis van de absorptie van röntgenstralen in weefseltypen, wat gebruikt wordt bij actie opnames. Hoe witter, hoe meer absorptie. Bot is absorbeert het meest en id dus het witst, hersenvocht absorbeert het minst en is dus zwart.

Voordeel: hoge resolutie.
Nadeel: lage spatiële resolutie en kankerverwekkende straling.

60
Q

Magnetic Resonance Imagine (MRI)

A

Een 3D scan waarmee via magnetische straling beelden van weefsel en organen worden gemaakt om informatie te verkrijgen over de hersenontwikkeling, hersenanatomie (incl. wittestofbanen via DTI-scan) en hersenafwijkingen.

Voordeel: hoge resolutie, geen kankerverwekkende straling, geeft een betere spatiële resolutie (bijv. afzonderlijke gyri), beter onderscheid tussen witte en grijze stof (= vroegdiagnose).

61
Q

Functionele beeldvorming

A

Meet cognitieve functies door plaatselijke veranderingen in bloed- en zuurstoftoevoer (hemodynamisch) in hersengebieden als gevolg van neurale activiteit te meten (substractiemethode).

  1. EEG
  2. MEG
  3. fMRI
  4. PET
62
Q

Spatiële resolutie

A

Scherpte van beelden

63
Q

Temporele resolutie

A

Snelheid van de beelden.

64
Q

Electro-encefalografie (EEG)

A

Meet elektrische activiteit tussen neuronen en groepen door de plaatsing van elektrodes op de hoofdhuid.

Voordeel:
- Detecteert diepe en ondiepe dipolen.
- Gevoelig voor activiteit in gyri en sulci
- Temporele resolutie van milliseconde = hoog
- Detecteert locaties van gebieden die op een taak reageren.
- Goedkoop en breed beschikbaar

Nadeel:
- signaal beïnvloed door schedel.
- slechte spatiële resolutie

65
Q

Event-related potentials (ERP)

A

De meest gebruikte vorm van EEG, waarbij de mate van verandering wordt gekoppeld aan specifieke cognitieve gebeurtenissen.

Ook de snelheid van verandering van het EEG-signaal wordt gekoppeld aan cognitieve gebeurtenissen (oscillatiemetingen); de snelheid van hersengolven/oscillaties wordt geassocieerd met hersenfuncties.

66
Q

Magneto-encefalografie (MEG)

A

Magnetische velden tijdens neurale activiteit worden op de hoofdhuid geregistreerd.

Voordeel:
- Signaal niet beïnvloed door schedel
- Gevoelig voor activiteit in sulci
- Temporele resolutie van milliseconden = hoog.
- Potentieel goede spatiële resolutie

Nadeel:
- Slechte detectie van diepe dipolen
- minder gevoelig voor activiteit in gyri
- duur en beperkt beschikbaar

67
Q

Positronemissietomografie (PET)

A

Geïnjecteerd radioactief deeltje wordt gelokaliseerd en afgebeeld, waardoor zij specifieke weefsels en functionele processen in de hersenen weergeven.

Voordeel:
- Unieke spatiële resolutie
- Gevoelig voor dieper liggende gebieden.

Nadeel:
- Invasieve ongezonde stof.

68
Q

Functionele Magnetic resonance imaging (fMRI)

A

Meet de hemodynamische respons: de reactie van bloedvaten op een toename van neurale activiteit. Daar waar neuronen actiever worden, neemt bloedtoevoer toe.

Voordeel:
- hoge spatiële resolutie, afhankelijk van de voxelgrootte.

Nadeel:
- Beperkte temporele resolutie = langzaam vergeleken met cognitieve processen.

69
Q

Blood oxygen level-dependent contrast (BOLD)

A

Het gemeten signaal van fMRI dat de concentratie van deoxyhemoglobine weergeeft.

De manier waarop dit verandert kent drie fasen:
1. Initiële daling: door het verbruik van zuurstof daalt de fMRI signaalsterkte.

  1. Overcompensatie: toename van het BOLD-signaal, door een verhoogde bloedtoevoer naar het hersengebied. Deze toename is groter dan het zuurstofverbruik: een piek 5 seconde na de stimulus wat de meting van het fMRI is.
  2. Onderschijding: daling van het BOLD-signaal door de daling van de bloedtoevoer en zuurstofgebruik voor terugkeer naar het oorspronkelijke niveau. Dit is 20 seconde daarna.
70
Q

Neurogenese

A

Ontstaan van nieuwe neuronen in de hippocampus.

71
Q

Dorsaal/superior

A

Omhoog bekeken

72
Q

Ventraal/inferior

A

Omlaag bekeken

73
Q

Anterior

A

Naar de voorkant

74
Q

Posterior

A

Naar de achterkant

75
Q

Lateraal

A

Naar de zijkant

76
Q

Mediaal

A

In het midden

77
Q

Sagittaal

A

Verticaal doorsnijden in de lengte (bijv. langs de longditunale fissuur).

78
Q

Coronaal

A

Verticaal doorsnijden in de breedte (bijv. langs de centrale sulcus).

79
Q

Transversaal

A

Horizontaal doorsnijden.