Thema 1 Wonden en (peri-)operatieve zorg Flashcards

1
Q

Welke classificatie kan er gebruikt worden bij diabetische ulcera?

A

WIFI classificatie

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
2
Q

Indeling van wonden naar oorzaak, bijvoorbeeld mechanisch. Noem 5 voorbeelden.

A

Schaaf
Snij
Steek
Schot
Bijt

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
3
Q

Indeling van wonden naar oorzaak, bijvoorbeeld chemisch. Noem 2 voorbeelden.

A

Zuren
Chloor

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
4
Q

Indeling van wonden naar oorzaak, bijvoorbeeld thermisch. Noem 2 voorbeelden.

A

Verbranding
Bevriezing

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
5
Q

Indeling van wonden naar oorzaak, bijvoorbeeld straling. Noem 2 voorbeelden.

A

Zonverbranding
Radioactieve straling

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
6
Q

Indeling van wonden naar oorzaak, bijvoorbeeld elektrisch. Noem 2 voorbeelden.

A

Stroom
Bliksem

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
7
Q

Indeling van wonden naar oorzaak, bijvoorbeeld infectie. Noem 1 voorbeeld.

A

Onvoldoende afweer tegen micro-organismen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
8
Q

Indeling van wonden naar oorzaak, bijvoorbeeld oncologie. Noem 1 voorbeeld.

A

(Huid)carcinomen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
9
Q

Indeling van wonden naar oorzaak, bijvoorbeeld circulatie. Noem 3 voorbeelden.

A

Slechte weefseldoorbloeding
Ulcus cruris
Decubitus

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
10
Q

De huid is het dunst op … en het dikst op …

A

Dunst op de oogleden
Dikst op de hielen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
11
Q

De huid bevat onder andere (5)

A

Bloedvaten
Zenuwen
Zweetklieren
Talgklieren
Sensorische receptoren

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
12
Q

De huid bestaat uit 3 lagen

A

Epidermis (opperhuid)
Dermis (lederhuid)
Subcutis (onderhuids weefsel)

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
13
Q

Functies van de huid (5)

A

Bescherming (alle invloeden van buitenaf, bacteriën/virussen, verlies van vocht)
Signalering (prikkels ontvangen, vertalen en begrijpen)
Warmteregulatie (isolatie en de werking van de thermostaat verloopt via de huid)
Stofwisseling (vit D uit zonlicht, absorptie van actieve bestanddelen (medicatie))
Communicatie (gemoedstoestand zoals blozen, fysieke belasting, verzorging, ziekten)

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
14
Q

Wonden met acute etiologie waar continuiteitsverlies van de huid is ontstaan door trauma of chirurgische ingreep, onafhankelijk van de duur van het bestaan van deze wond (fracturen, oppervlakkig letsel, brandwonden)

A

Acute wond

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
15
Q

Richtlijn acute wond:
… primair gesloten wonden niet
Spoelen vieze (…/…) wond met …
Geen … (Soda/biotex etc)
Lokaal geinfecteerde wonden -> …/…
Pijnbestrijding: lokaal en systemisch, via …, patientvriendelijke verbanden
Douchen primair gesloten wond (na … uur,kort <10min), bedekken wond
Kies niet verklevend verband bij … wonden
Duidelijke instructies geven aan patient/mantelzorgers
Bescherm litteken … maanden tegen UV (A) licht

A

Richtlijn acute wond:
Reinig primair gesloten wonden niet
Spoelen vieze (bijt/snij) wond met lauwwarm water
Geen badjes (Soda/biotex etc)
Lokaal geinfecteerde wonden -> honing/jodium
Pijnbestrijding: lokaal en systemisch, WHO pijnladder, patientvriendelijke verbanden
Douchen primair gesloten wond (na 12 uur,kort <10min), bedekken wond
Kies niet verklevend verband bij open wonden
Duidelijke instructies geven aan patient/mantelzorgers
Bescherm litteken 3 maanden tegen UV (A) licht

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
16
Q

Abrasie

A

Schaafwond

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
17
Q

Incisie

A

Snijwond met rechte randen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
18
Q

Avulsie

A

Onvolledige scheiding van de weke delen lagen (scheurwond) waarbij er door trauma een huidflap ontstaat

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
19
Q

Laceratie

A

Een snede met rafelige randen door alle huidlagen heen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
20
Q

Crush

A

Pletten, beknellen door zwaar voorwerp of machine op lichaamsdeel

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
21
Q

Puncture

A

Penetratie van diverse weefsellagen door scherp voorwerp dat ook in het lichaam kan zijn blijven steken (bijv steek- of bijtwonden)

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
22
Q

Een wond waarin het normale helingsproces wordt verstoord op een of meer punten van de fase van hemostase, inflammatie, proliferatie en remodellering.

A

Complexe wond

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
23
Q

Wond management, overdracht van ambulance naar SEH via …

A

MIST
M = mechanism injury = hoe is het letsel ontstaan
I = identified injury = welke letsels of ziekte vermoed je
S = signs = welke symptomen heb je gezien
T = therapy = wat heb je al gedaan

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
24
Q

Fasen van wondgenezing (4)

A

Hemostase
Inflammatie
Proliferatie/regeneratie
Remodellering en rijping (maturatie)

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
25
Q

Duur hemostase fase wond

A

<30 min

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
26
Q

Duur inflammatie fase wond

A

<7 dagen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
27
Q

Duur proliferatie/regeneratie fase wond

A

<3 weken

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
28
Q

Duur remodellering en rijping (maturatie) fase wond

A

<1-2 jaar

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
29
Q

Wat gebeurt er in de hemostase fase bij een wond? (3)

A

Beschadiging bloedvaten, wond gevuld met bloed
Vasoconstrictie
Interactie trombocyten en fibrine in bloed: vorming van stolsel

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
30
Q

Wat gebeurt er in de inflammatie fase bij een wond? (3)

A

Cellen in en rond de wond: cytokines en groeifactoren -> initiatie ontstekingsreactie
Vasodilatatie omliggende bloedvaten -> meer witte bloedcellen naar wondgebied
Witte bloedcellen ruimen bacterien en beschadigd weefsel op (fagocytose) -> vermindering inflammatie en voorbereiding herstelfase.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
31
Q

Wat gebeurt er in de proliferatie/regeneratie fase bij een wond? (4)

A

Fibroplasie: fibroblasten ontwikkelen zich en produceren Extra Cellulaire Matrix (ECM) bestaande uit oa collageen en elastine
Angiogenese: proliferatie van endotheelcellen -> ingroei van bloedvaten in de wond
Epithelialisatie: keratoinocyten in de wondranden spreiden uit over de wond
Wondcontractie: door myofibroblasten

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
32
Q

Wat gebeurt er in de remodellering en rijping (maturatie) fase bij een wond? (2)

A

Regressie van capillairen: afname roodheid litteken
Reorganisatie en crosslinking collageen -> toename treksterkte litteken

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
33
Q

Rijping litteken
Twee weken: litteken ongeveer …% van de oorspronkelijke sterkte
1 maand: …% van de oorspronkelijke sterkte
>1 jaar: nooit meer dan …% van de originele treksterkte van de huid

A

Rijping litteken
Twee weken: litteken ongeveer 5% van de oorspronkelijke sterkte
1 maand: 40% van de oorspronkelijke sterkte
>1 jaar: nooit meer dan 80% van de originele treksterkte van de huid

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
34
Q

Epidermale wondgenezing =
Hierbij krijg je geen …

A

Bij bijvoorbeeld oppervlakkige schaafwonden, blaren, oppervlakkige tweede graads randwond. Regeneratie van het oorspronkelijke weefsel door epidermale migratie. Geen littekens.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
35
Q

Risicofactoren voor verstoring wondgenezingproces: lokale factoren, intrinsiek (5)

A

Arteriële insufficiëntie
Veneuze insufficiëntie
Oedeem
Necrose
Maligniteit

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
36
Q

Risicofactoren voor verstoring wondgenezingproces: lokale factoren, extrinsiek (4)

A

Infectie
Bestraling
Vreemd lichaam
Druk

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
37
Q

Risicofactoren voor verstoring wondgenezingproces: systemische factoren, intrinsiek (4)

A

Ouderdom
Anemie
Chronische ziekten (immuunstoornissen, kanker, obesitas, metabole afwijkingen)
Erfelijke ziekten

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
38
Q

Risicofactoren voor verstoring wondgenezingproces: systemische factoren, extrinsiek (3)

A

Roken
Medicatie
Ondervoeding

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
39
Q

Infectie: … roodheid, bij uitbreiden denken aan … (vleesetend) = <… uur op OK

A

Infectie: aftekenen roodheid, bij uitbreiden denken aan hemolytische streptokok (vleesetend) = <4 uur op OK

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
40
Q

Risicofactoren op een infectie, systemisch (9)

A

Vaatziekten
Oedeem
Ondervoeding
DM
Alcohol
Eerdere OK/bestraling
Medicijnen (corticosteroïden)
Tekort schietend immuunsysteem
Roken

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
41
Q

Risicofactoren op een infectie, lokaal (9)

A

Groot wondoppervlak
Toename wonddiepte
Duur open wond
Anatomische locatie
Vreemde lichamen
Dood weefsel
Mechanisme van verwonding
Mate van contaminatie
Verminderde doorbloeding

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
42
Q

Volgorde van wondinfectie (gaat met 5 stappen)

A
  1. Contaminatie
  2. Kolonisatie
  3. Lokale infectie
  4. Uitbreidende infectie
  5. Systemische infectie
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
43
Q

Complexe polymicrobiele populatie van micro-organismen, ingebed in een zelfgeproduceerde matrix van extracellulaire polymere substanties = …
Gebeurt bij een … en … infectie

A

Biofilm
Lokale en uitbreidende infectie

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
44
Q

Kleur van het wondvocht: dun, waterig, helder =

A

Sereus

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
45
Q

Kleur van het wondvocht: dun, bloederig =

A

Serosanguineus

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
46
Q

Kleur van het wondvocht: bloederig

A

Sanguineus

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
47
Q

Kleur van het wondvocht: vies, dik, troebel, geel/bruin/groen =

A

Purulent

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
48
Q

Perifeer arterieel vaatlijden: hoe lager de EAI, hoe …

A

Slechter de prognose

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
49
Q

Hoe meet je de EAI (enkel-arm index)?

A

Enkeldruk/armdruk

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
50
Q

EAI normaalwaarde =
< … = arteriële insufficiëntie van de beencirculatie
< … = ernstig obstructief arterieel vaatlijden

A

Normaal = ongeveer 1
<0,9 = arteriele insufficientie van de beencirculatie
<0,5 = ernstig obstructief arterieel vaatlijden

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
51
Q

Beoordelen en omschrijven van een wond middels de …

A

TIME-S

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
52
Q

TIME-S
T =

A

Tissue (locatie, vitaliteit weefsel/kleur (WCS classificatie), afmetingen, diepte)

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
53
Q

TIME-S
I =

A

Infection (infectie, geur, kleur, wondvocht)

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
54
Q

TIME-S
M =

A

Moisture (nat, vochtig, droog, hoeveelheid wondvocht)

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
55
Q

TIME-S
E =

A

Edge (wondranden, tunnels, ondermijning)

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
56
Q

TIME-S
S =

A

Skin (conditie van de omringende huid)

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
57
Q

WCS model: zwart =

A

Necrose (verwijderen)

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
58
Q

WCS model: geel =

A

Gele necrose, fibrinebeslag, dermis, subcutis, exsudaat (verwijderen en reinigen)

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
59
Q

WCS model, rood =

A

Granulatieweefsel (beschermen)

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
60
Q

Basis voor wondgenezing, diagnose (TIME-S) -> actie (DIME-S)
D =

A

Debridement (basis = schone wondbodem)

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
61
Q

Basis voor wondgenezing, diagnose (TIME-S) -> actie (DIME-S)
I =

A

Infectie voorkomen/bestrijden

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
62
Q

Basis voor wondgenezing, diagnose (TIME-S) -> actie (DIME-S)
M =

A

Vochtig wondmilieu creëren

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
63
Q

Basis voor wondgenezing, diagnose (TIME-S) -> actie (DIME-S)
E =

A

Wondrand bescherming, inzet van huidstimulerende middelen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
64
Q

Basis voor wondgenezing, diagnose (TIME-S) -> actie (DIME-S)
S =

A

Infecties, eczeem, oedeem etc behandelen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
65
Q

Debrideren =

A

Uitgangspunt is een schone wondbodem

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
66
Q

Granuleren =

A

Beschermen en stimuleren van granulatieweefsel

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
67
Q

Epithelialiseren =

A

Beschermen van de wondranden tegen verweking en behandelen van hypergranulatie

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
68
Q

Wondzorgkaart werkt met kleuren, daaraan zit een actie gekoppeld.
Zwart, geel =

A

Necrose en fibrine verwijderen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
69
Q

Wondzorgkaart werkt met kleuren, daaraan zit een actie gekoppeld.
Groen =

A

Infectie voorkomen en bestrijden

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
70
Q

Wondzorgkaart werkt met kleuren, daaraan zit een actie gekoppeld.
Rood, roze =

A

Stimuleren en beschermen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
71
Q

Debrideren kan op verschillende manieren (7)

A

Autolyse: vochtig wondmileu, hydrogel
Mechanisch: wet to dry, VAC, hydrojet
Osmotisch: alginaten, honing, suiker
Enzymtisch: collagenase (Novuxol)
Chemisch: eusol
Biologisch: maden
Chirurgisch/scherp

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
72
Q

Wanneer gebruik je wat bij een wond?
Necrose oplossen =

A

Novuxol, hydrogel

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
73
Q

Wanneer gebruik je wat bij een wond?
Nattende necrose =

A

Eusol, novuxol, alginaten

74
Q

Wanneer gebruik je wat bij een wond?
Vervloeiende necrose =

A

Euosol, novuxol, alginaten

75
Q

Wanneer gebruik je wat bij een wond?
Granulerende wondbodem =

A

Hydrofiber, schuimverband, siliconen

76
Q

Wanneer gebruik je wat bij een wond?
Epitheel =

A

Hydrofiber, schuimverband, folie, siliconen

77
Q

Infectie preventie, pre-operatief.
Noem 4 voorbeelden

A

Scheren (tondeuse)
Conditie
Goed ingestelde DM
AB profylaxe

78
Q

Infectie preventie, per-operatief.
Noem 3 voorbeelden

A

Steriel werken, luchtbehandeling, warmte-regulatie (dekens)

79
Q

Infectie preventie, post-operatief.
Noem 2 voorbeelden.

A

Verbandmateriaal
Wondverzorging

80
Q

POS

A

Pre Operatieve Screening

81
Q

Pre Operatieve Screening

A

Kan deze patient op korte termijn, zonder nader onderzoek of maatregelen een operatieve of diagnostische ingreep ondergaan?

82
Q

Ernstige complicaties (anesthesiologisch) peroperatief in de A(irway) (1)

A

Cannot intubate

83
Q

Ernstige complicaties (anesthesiologisch) peroperatief in de B(reathing) (1)

A

(Aspiratie)pneumonie

84
Q

Ernstige complicaties (anesthesiologisch) peroperatief in de C(irculation) (3)

A

Cardiac arrest
Ischemie
Decompensatio

85
Q

Ernstige complicaties (anesthesiologisch) peroperatief in de D(isability) (1)

A

CVA

86
Q

Voorbeelden ernstige complicaties postoperatief in de A(irway) (1)

A

Luchtwegobstructie door zwelling/bloeding

87
Q

Voorbeelden ernstige complicaties postoperatief in de B(reathing) (5)

A

Pneumonie
ARDS
Atelectase
Astma
Hypoventilatie

88
Q

Voorbeelden ernstige complicaties postoperatief in de C(irculation) (5)

A

Bloeding
SIRS
Hypovolemie
Hartinfarct
Decompensatio cordis

89
Q

Voorbeelden ernstige complicaties postoperatief in de D(isability) (4)

A

Verwardheid
Delier
Pijn
Cognitieve stoornissen

90
Q

Voorbeelden ernstige complicaties postoperatief in de E(xposure) (3)

A

Lab stoornissen
Medicatie
Intoxicatie

91
Q

Chirurgische risico clasisficatie

niet-vasculaire chirurgie aan extremiteit van matige duur (<3 uur); cataract; huidoperatie; korte, oppervlakkige procedure

A

Laag risico

92
Q

Chirurgische risico classificatie

meeste orthopedische ingrepen; urologische ingrepen; carotischirurgie’ niertransplantatie’ buikoperaties bv ongecompliceerde darmresectie

A

Gemiddeld risico

93
Q

Chirurgische risico classificatie:

lange en/of gecompliceerde ingrepen van buik, thorax, hoofd en hals; vaatchirurgie van aorta en onderste extremiteit; transplantatie anders dan van nier

A

Hoog risico

94
Q

POS (screening) bepaalt risico op grond van … (3)

A

Ingreep
Conditie
Anesthesietechniek en pijnbehandeling

95
Q

Wanneer doe je een routine ECG bij de POS?
Leeftijd > … jaar
Standaard bij … (5)

A

Leeftijd >60 jaar

Standaard bij hartfalen, st na ischemie, ritmestoornissen, nierfalen, DM met insuline

96
Q

ASA classificatie 1 =

A

Gezond

97
Q

ASA classificatie 2 =

A

Lichte aandoening waarvoor al dan niet medicatie, normale activiteiten (milde, goed ingestelde DM)

98
Q

ASA classificatie 3 =

A

Ernstige aandoening waarvoor medicatie, beperking normale activiteit (ernstige DM met vaatcomplicaties)

99
Q

ASA classificatie 4 =

A

Zeer ernstige systeemaandoening, bedreigend voor het leven (ernstig COPD, terminaal hartfalen)

100
Q

ASA classificatie 5 =

A

Moribund, waarschijnlijk overlijden <24 uur met of zonder ingreep (gebarsten aorta aneurysma)

101
Q

Wat houdt een “E” in achter een ASA classificatie?

A

Spoedingreep

102
Q

MET geeft weer hoeveel … je kan leveren voordat je … krijgt
MET 4 = … lopen

A

MET geeft weer hoeveel inspanning je kan leveren voordat je klachten krijgt
MET 4 = 2 trappen lopen

103
Q

Syndroom met een zodanige interactie tussen ziekten, psychosociale stressoren en subklinische ziektelast dat iemand vatbaar wordt voor ongewenste gezondheidsuitkomsten =

A

Frailty (kwetsbaar)

104
Q

Voordelen locoregionale anesthesie (6)

A

Pijnstilling
Onderdrukking stress respons
Verlaagde incidentie van postoperatieve hypoxemie
Minder pulmonale complicaties
Vroeger verlaagde incidentie thrombo-embolieen
Sneller herstel peristaltiek

105
Q

Nadelen locoregionale anesthesie (8)

A

Urineretentie bij continue epiduraal
Jeuk (opiaten)
Faalkans
Paresthesieen / motorisch blok
Hemodynamische events
Ademhalingsdepressie
Infectie (epiduraal abces)
Hematoom (potentiële dwarsleasie)

106
Q

Lokaal anesthetica remmen …, werking via blokkade van …
Middelen: lidocaine, (levo-)bupivacaine, mepivacaine, ropivacaine

A

Lokaal anesthetica remmen prikkeloverdracht in zenuwweefsel, werking via blokkade van Na-kanalen (= geen influx van na ionen waardoor geen actiepotentiaal meer)

107
Q

Hoe worden perifere zenuwblokkades gezet?

A

Echogeleid

108
Q

Wat zijn een spinaal en epiduraal? (Pijnstilling)

A

Centrale (neuraxiale) blokkades

109
Q

Regionale anesthesie voorbeelden (3)

A

Centrale (neuraxiale) blokkades
Perifere blokkades
Lokaal anesthetica

110
Q

Sedativa werken op twee processen, namelijk:

A

Receptoren
Verbindingen

111
Q

Sedativa moeten door de bloed-hersen barriere heen en dus … zijn en veel … (niet …)

A

Vetoplosbaar
Veel vrije fractie (niet eiwitgebonden)

112
Q

Twee soorten receptoren mbt anesthesie

A

Ionotrope receptoren (GABA gaat hier op zitten)
Metabotrofe receptoren (morfine receptoren, vormverandering)

113
Q

Excitatie = … actiepotentiaal
Voorbeelden (2)

A

Vergemakkelijken
Glutamaat (NMDA), acetylcholine

114
Q

Inhibitie = … actiepotentiaal
Voorbeelden (2)

A

Remmen
GABA, glycine

115
Q

Thiopental (barbituraat), propofol, etomidaat, ketamine, midazolam (benzodiazepine) zijn allemaal …

A

Sedativa

116
Q

Thiopental (barbituraat) =
- Goed …, snel in je brein, maar ook snel uit brein en in vet (werkt snel in, maar ook snel uit -> snelle …)
- Wordt slecht afgebroken, in lever via … orde kinetiek (hoe meer je geeft, hoe meer opstapeling in vet en lange uitwerking)
- … stof zodat beter oplosbaar in bloed (pH = 11), spierverslappers zijn zuur -> gaat bij elkaar …, eerst NaCl tussendoor. Tevens bij subcutaan: ….
- Werkt via … receptoren, dempt metabolisme brein, zuurstofbehoefte brein …. Is ook cardio… en zorgt voor …. (hypotensie).
- Cytochroom p450 …

A
  • Goed vetoplosbaar, snel in je brein, maar ook snel uit brein en in vet (werkt snel in, maar ook snel uit -> snelle herverdeling)
  • Wordt slecht afgebroken, in lever via nulde orde kinetiek (hoe meer je geeft, hoe meer opstapeling in vet en lange uitwerking)
  • Basische stof zodat beter oplosbaar in bloed (pH = 11), spierverslappers zijn zuur -> gaat bij elkaar klonteren, eerst NaCl tussendoor. Tevens bij subcutaan: open wonden/weefselschade.
  • Werkt via GABA receptoren, dempt metabolisme brein, zuurstofbehoefte brein daalt. Is ook cardiodepressief (negatief hartspier) en zorgt voor vasodilatatie (hypotensie).
  • Cytochroom p450 inductie
117
Q

Propofol =
- Werkt snel in en snel uit, uitwerking niet afhankelijk van …
- … door toevoeging soja/eiwit (probleem: …, dus niet lang van te voren klaar maken)
- Cardio…
- … stapeling bij langdurig geven
- … bij inspuiten

A
  • Werkt snel in en snel uit, uitwerking niet afhankelijk van tijd dat je het gegeven hebt
  • Vetoplosbaar door toevoeging soja/eiwit (probleem: groeien snel bacteriën in, dus niet lang van te voren klaar maken)
  • Cariodepressief
  • Triglyceride stapeling bij langdurig geven
  • Pijn bij inspuiten
118
Q

Etomidaat =
- Werkt snel in/uit
- Heeft nauwelijks invloed op …
- Zorgt voor bijwerking …
- Remt … minder dan andere slaapmiddelen (vandaar gebruik bij ECT’s)
- … depressie bij lange termijn toediening (= remming cortisol)

A

Anestheticum
- Werkt snel in/uit
- Heeft nauwelijks invloed op hartfunctie
- Zorgt voor misselijkheid en braken
- Remt epilepsie minder dan andere slaapmiddelen (vandaar gebruik bij ECT’s)
- Bijnier depressie bij lange termijn toediening (= remming cortisol)

119
Q

Ketamine =
- … anesthesie (hallucinaties)
- Intacte …, geen remming op …
- Geeft broncho…
- Pijnstillend in … doseringen

A
  • Dissociatieve anesthesie (hallucinaties)
  • Intacte luchtweg reflex, geen remming op ademhaling
  • Geeft bronchodilatatie
  • Pijnstillend in lage doseringen
120
Q

Midazolam (benzodiazepine) =
- Ademdepressie (niet bij …, niet bij … ivm noodzaak goede koolzuurbalans)
- Antegrade en retrograde …
- Ontspant …

A
  • Ademdepressie (niet bij OSAS, niet bij hersenaandoeningen ivm noodzaak goede koolzuurbalans)
  • Antegrade en retrograde amnesie
  • Ontspant spieren
121
Q

Opioiden kunnen chemisch worden ingedeeld of op effect.
Chemische groepen: (3)

A

Natuurlijk
Semisynthetisch
Synthetisch

122
Q

Opioiden kunnen chemisch worden ingedeeld of op effect.
Effect groepen: (3)

A

Agonist
Agonist-antagonist
Antagonist

123
Q

Agonist =

A

stof op morfine receptor: activeert

124
Q

Agonist-antagonist =

A

stof op morfine receptor, beetje effect, lager dan agonisten maar sterkere binding, kan effect agonist verlagen

125
Q

Antagonist =

A

stof op morfine receptor: blokkeert

126
Q

Morfine receptoren (4)

A

Mu
Kappa
Delta
Sigma

127
Q

Morfine receptoren zijn … receptoren en zorgen voor … instroom en verlaging … instroom -> verlaging actiepotentiaal

A

Metobotrofe receptoren
Kalium instroom en verlaging calcium instroom

128
Q

Morfine =
- Werkt in brein, … (trage inwerking, trage uitwerking)
- Stapeling morfine bij … (morfine-6-glucoronide blijft in lichaam)
- Bijwerkingen: (7)

A
  • Werkt in brein, wateroplosbaar (trage inwerking, trage uitwerking)
  • Stapeling morfine bij nierfunctiestoornissen (morfine-6-glucoronide blijft in lichaam)
  • Bijwerkingen: ademdepressie, misselijkheid/braken, obstipatie, sedatie, histamine release, jeuk, bloeddrukdaling door vasodilatatie
129
Q

Sufentanil =
- … keer zo sterk als morfine
- Hoge …, snelle in-/uitwerking
- Bijwerkingen: (4)

A
  • 600x zo sterk als morfine
  • Hoge vetoplosbaarheid, snelle in-/uitwerking
  • Bijwerkingen: ademdepressie, spierrigiditeit (vrn thorax), misselijkheid/braken, jeuk (neus)
130
Q

Remifentanil =
- … werkingsduur
- Onafhankelijk van … voor werkzaamheid en eliminatie
- Bijwerkingen: (5)

A

Pijnstiller (opiaat)
- Zeer korte werkingsduur
- Onafhankelijk van lever en nieren voor werkzaamheid en eliminatie
- Bijwerkingen: hyperalgesie, spierrigiditeit, bradycardieen, hypotensie, ademdepressie

131
Q

Tetanus =

A

een acute, zeer ernstige infectieziekte die wereldwijd voorkomt

132
Q

Veroorzaker tetanus

A

bacterie Clostridium tetani

133
Q

Incubatietijd tetanus

A

3 dagen tot 3 weken

134
Q

TIG

A

Tetanusimmunoglobuline

135
Q

Succinylcholine is depolariserend/niet-depolariserend?

A

Depolariserend

136
Q

Rocuronium is depolariserend/niet-depolariserend?

A

Niet-depolariserend

137
Q

Atracurium is depolariserend/niet-depolariserend?

A

Niet-depolariserend

138
Q

Mivacurium is depolariserend/niet-depolariserend?

A

Niet-depolariserend

139
Q

Overdosering/toxiciteit lokaal anesthetica symptomen (6)

A

slaperigheid, koude gevoel, druk rond het voorhoofd, gevoelloosheid lippen en tong, duizeligheid, oorsuizen.

140
Q

Nuchterbeleid

A

Tot 6u voor OK voedsel
Tot 2u voor OK helder vloeibaar

141
Q

Spierverslappers
Blokkeren prikkeloverdracht van … naar …, geen spiercontractie meer mogelijk, dus ook geen ademhaling. Geven geen …, geen …, geen ….

A

Spierverslappers
Blokkeren prikkeloverdracht van zenuw naar spier, geen spiercontractie meer mogelijk, dus ook geen ademhaling. Geven geen amnesie, geen analgesie, geen bewustzijnsverlies.

142
Q

Hoe remmen lokaal anesthetica de prikkeloverdracht in zenuwweefsel?

A

Blokkade van de natrium kanalen

143
Q

Waarom moet je nuchter zijn voor OK?
Wat zijn de nadelen? (4)

A

Voorkomen aspiratie t.g.v. volle maag
Nadelen: ketabool, insulineresistentie, ‘gemoedstoestand’, ondervulling

144
Q

Voorspellen mogelijke intubatie problemen via de … classificatie

A

Mallampati

145
Q

Voorspellen mogelijke intubatie problemen obv (5)

A

Obesitas met korte dikke nek
Verminderde bewegelijkheid van de nek
Verminderde bewegelijkheid kaakgewricht/beperkte mondopening
Teruggetrokken mandibula (ondertanden kunnen niet voor boventanden komen)
Thyromentale afstand <3 vingers (=<6,5cm)

146
Q

Syndroom met een zodanige interactie tussen ziekten, psychosociale stressoren en subklinische ziektelast dat iemand vatbaar wordt voor ongewenste gezondheidsuitkomsten

A

frailty (kwetsbaar)

147
Q

Eenmalig desinfecteren van schoon naar vuil:
* Beginnen bij …
* Daarna in cirkels van … naar …
* Liezen, navel, peri-anale gebied en ernstig gecontamineerde wonden als …

A

Eenmalig desinfecteren van schoon naar vuil:
* Beginnen bij incisieplaats
* Daarna in cirkels van binnen naar buiten
* Liezen, navel, peri-anale gebied en ernstig gecontamineerde wonden als laatste

148
Q

Time-out procedure
Bespreek ten minste: (12)

A

Time-out procedure
Bespreek ten minste:
* Identificatie patiënt en verificatie juiste patiëntendossier.
* Type operatie.
* Juiste zijde of locatie, inclusief markering.
* Allergieën.
* Aanwezigheid van materialen, instrumentarium en apparatuur.
* Aanwezigheid van protheses.
* Type anesthesie
* Positionering van de patiënt.
* Antibioticabeleid (noteer tijdstip van toediening in patiëntendossier).
* Stollingsstatus.
* Te verwachten anesthesiologische problemen.
* Relevante co-morbiditeiten en relevante medische voorgeschiedenis.

Pas als alles positief is mag patiënt onder narcose

149
Q

Sign out
Bespreek ten minste: (7)

A
  • Welke procedure is er verricht en is deze naar verwachting verlopen?
  • Toegediende medicatie en bloedproducten
  • Klopt de telling van het aantal gazen, instrumenten en disposables?
  • Zijn de preparaten juist gemerkt en gelabeld en zijn de relevante aanvragen ingevuld?*
  • Waren er materiële problemen?
  • Zijn er specifieke aandachtspunten voor de nazorg van de patiënt (bijvoorbeeld antibiotica, antistolling, pijnbeleid)?
  • Naar welke afdeling wordt de patiënt overgeplaatst?
150
Q

Verschil depolariserende en niet-depolariserende spierverslappers

A

Depolariserend -> tijdelijke activatie receptor
Niet-depolariserend -> competatieve binding

151
Q

Welk middel heeft de snelste inwerktijd? (succinylcholine, rocuronium, atracurium, mivacurium?)

A

succinylcholine

152
Q

Vermindering metabolisme van succinylcholine door (3)

A

Genetisch
Zwangerschap
Leverfunctiestoornissen

153
Q

Verlengde werking van rocuronium bij … en …

A

lever- en nierfunctiestoornissen

154
Q

Nadeel atracurium (inclusief bijwerkingen (3)

A

Nadeel: activatie histamine (CAVE mensen met astma)
Bijwerkingen: histamine release: bronchospasme, uitslag, jeuk

155
Q

Bijwerkingen mivacurium (3)

A

Histamine release: bronchospasme, uitslag, jeuk

156
Q

3 soorten pijn: acuut, subacuut en chronisch. Wat is het verschil?

A

Acuut (<2 mnd)
Subacuut (>2 mnd maar <6 mnd)
Chronisch (>6 mnd)

157
Q

Pijn komt door prikkeling van … door stofjes die vrij komen (bijvoorbeeld …)

A

Pijn komt door prikkeling van zenuwuiteinden door stofjes die vrij komen (bijvoorbeeld prostaglandine)

158
Q

VAS

A

Visueel analoge schaal pijn

159
Q

NRS

A

Numeric rating scale pijn

160
Q

Overdosering paracetamol bij

A

> 15gr, 30 tabletten
Zonder behandeling (N-acetylcysteine) dodelijk

161
Q

Paracetamol: 5-15% …, bindt aan levercellen = schadelijke metaboliet, wordt normaliter ook weer omgezet naar niet-schadelijk door …

A

NAPQI
Gluthation

162
Q

Paracetamol: risico bij (2)

A

Ondervoeding
Alcoholisten (vangt glutathion weg en inductie van CYP2E1, waardoor meer omzetting naar NAPQI).
Bij >2 EH alcohol per dag geen maximale dosering paracetamol.

163
Q

Bijwerkingen NSAID (3)

A

Maagulcera
Cardiaal (trombocytenfunctie/hartfalen)
Renaal (ATN/nierfunctieverlies door constrictie aanvoerende vat glomerulus)

164
Q

Zwakwerkende opiaten voorbeelden (2)

A

Tramadol
Codeïne

165
Q

Sterkwerkende opiaten voorbeelden (3)

A

Morfine, oxycodon, fentanyl

166
Q

Hoe komt het dat er obstipatie ontstaat bij gebruik van sterkwerkende opiaten?

A

Directe binding op de zenuwplexus van de darmwand

167
Q

Welke receptoren worden geblokkeerd door ketamine?

A

Blokkade NMDA receptoren

168
Q

Voordelen ketamine (2)

A

Opioïde sparend
Geen cardiovasculaire depressie

169
Q

Heeft paracetamol een anti-inflammatoir effect?

A

Nee

170
Q

Behandeling overdosering paracetamol met …

A

N-acetylcysteine

171
Q

Opiaten: analgesie dmv activering µ-receptor zorgt naast supraspinale analgesie voor: (3)

A

Ademhalingsdepressie, euforie en (fysische) afhankelijkheid

172
Q

Opiaten: analgesie dmv activering κ-receptor zorgt naast analgesie voor: (3)

A

Pupilvernauwing, sedatie, dysforie (prikkelbare stemming)

173
Q

Analgetisch effect opiaten op 2 manieren, namelijk:

A
  1. Stimulatie limbische systeem -> emotionele beleving pijn minder
  2. Stimulatie opioïd receptor (hogere dosering) -> efflux kalium -> verhoging drempelwaarde pijn
174
Q

Vaccinatieschema tetanus:
Pre-expositieprofylaxe van tetanus gebeurt uitsluitend door middel van … immunisatie.
Het schema van de basisimmunisatie bestaat – bij personen ouder dan een jaar - uit twee vaccinaties met een interval van bij voorkeur …, gevolgd door een derde injectie minimaal een … na de tweede inenting.
Revaccinatie (één dosis) wordt aanbevolen… jaar na de primaire serie of de laatste boosterinjectie.
Zit ook in het rijksvaccinatieprogramma, laatste prik op … levensjaar.

A

Vaccinatieschema
Pre-expositieprofylaxe van tetanus gebeurt uitsluitend door middel van actieve immunisatie.
Het schema van de basisimmunisatie bestaat – bij personen ouder dan een jaar - uit twee vaccinaties met een interval van bij voorkeur een maand (minimaal vier weken), gevolgd door een derde injectie minimaal een half jaar na de tweede inenting (schema: 0-1-7). Het maken van een verre reis is (naast een verwonding) vaak het moment om de immunisatie tegen tetanus te beoordelen.
Revaccinatie (één dosis) wordt aanbevolen10 jaar na de primaire serie of de laatste boosterinjectie.
Zit ook in het rijksvaccinatieprogramma, laatste prik op 9e levensjaar.

175
Q

WHO pijnladder, stap 1 1/m 5

A

1: paracetamol
2: NSAID
3: zwak werkend opiaat (tramadol)
4: sterk werkend opiaat
5: subcutane of intraveneuze toediening van sterk werkende opiaten

176
Q

Traumatische wonden =

A

Wonden (onder andere schaaf-, scheur- en snijwonden) veroorzaakt door een trauma, exclusief beten

177
Q

Bijtwonden =

A

Wonden veroorzaakt door de beet van een mens of dier.

178
Q

Prikbijtwonden =

A

Diepe, puntvormige bijtwonden veroorzaakt door puntige tanden.

179
Q

Kneusbijtwonden =

A

Bijtwonden veroorzaakt door een plat gebit.

180
Q

Bijtwonden: AB profylaxe is geindiceerd bij: (4)

A

Een mensen- of kattenbeet
Bijtwonden aan hand/pols, been/voet, genitaliën of gelaat
Diepe prikbeten en kneusbijtwonden
Patiënten uit risicogroepen
- Verminderde afweer
- Verhoogd risico op endocarditis (in VG, hartklepprothese, aangeboren hartklepafwijkingen)
- Verhoogd risico op infectie gewrichtsprothese (prothese <2jr oud of >2jr icm VG geinfecteerde prothese, reumatische gewrichtsaandoening of hemofilie)