Thema 5 Vaatchirurgie en Cardiothoracale chirurgie Flashcards

1
Q

Risicofactoren atherosclerose (12)

A
  • Hypertensie
  • Roken
  • DM
  • Overgewicht
  • Leeftijd
  • Positieve familieanamnese voor HVZ
  • Hoog CRP
  • Hoog triglyceride
  • OSAS
  • Stress
  • Alcohol
  • Hoog cholesterol en lipoproteines in het bloed
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
2
Q

Claudicatio intermittens =

A

Bij claudicatio intermittens ontstaat pijn tijdens het lopen in de beenspieren (bil, dijbeen, kuit), die na rust binnen 10 minuten volledig verdwijnt en opnieuw optreedt bij inspanning.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
3
Q

Kritieke ischemie =

A

Bij kritieke ischemie zijn er pijnklachten aan voet of been in rust en/of trofische stoornissen en is de met een dopplerapparaat gemeten systolische enkeldruk lager dan 50 mmHg.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
4
Q

Fontaine classificatie, welke stadia bestaan er?

A

I
IIa
IIb
III
IV

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
5
Q

Fontaine classificatie: stadium I

A

Asymptomatisch

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
6
Q

Fontaine classificatie: stadium IIa

A

Claudicatio intermittens >200 meter lopen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
7
Q

Fontaine classificatie: stadium IIb

A

Claudicatio intermittens <200 meter lopen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
8
Q

Fontaine classificatie: stadium III

A

Pijn bij rust

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
9
Q

Fontaine classificatie: stadium IV

A

Trofische letsels (beenulcera, kritieke ischemie van het been, gangreen)

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
10
Q

Lichamelijk onderzoek + aanvullend onderzoek bij verdenking PAV (8)

A

Kleur/temperatuur
Pulsaties
Capillaire refill
Motoriek en sensibiliteit
Oedeem
Trofische stoornissen
Hef/hangproef: Test van Buerger
Enkel arm index (EAI)

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
11
Q

Pulsaties controleren bij verdenking PAV: waar?

A

A. femoralis, A.poplitea, ADP (a. dorsalis pedis), ATP (a. tibialis posterior)

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
12
Q

Wat zijn trofische stoornissen?

A

stoornissen in voeding en groei van de weefsels in het lichaam.
-> Schilferige dunne, vlekkerige, droge huid.
-> Verminderde turgor.
-> Geen haargroei.
-> Dikke, brokkelige nagels.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
13
Q

Wat is de hef/hangproef/Test van Buerger?

A

Dermale arteriolen en de haarvaten vernauwen niet meer in de aanwezigheid van verhoogde hydrostatische druk.
–> Bleekheid na optillen van de benen op 60 graden (blanching on elevation).
–> Roodheid bij afhangen (dependent rubor).

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
14
Q

Wat is de EAI?
Normaalwaarden?

A

Enkel arm index: mate voor de arteriële bloeddoorstrooming in het been. Weergegeven als qoutiënt van de hoogst gemeten systolische bloeddruk aan de enkel en de arm.

  • Normale index: 1
  • Index < 0.9 = duidt op arteriële insufficiëntie van de beencirculatie.
  • Index < 0.5 = ernstige obstructieve arterieel vaatlijden.
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
15
Q

Enkel arm index: bij DM zijn als gevolg van … zeer hoge waarden mogelijk > 1.2. Door de verkalking is het bloedvat niet te comprimeren. In dat geval is de EAI niet … en kan beter een … worden gemeten.

A

Bij DM zijn als gevolg van mediaverkalking zeer hoge waarden mogelijk > 1.2. Door de verkalking is het bloedvat niet te comprimeren. In dat geval is de EAI niet betrouwbaar en kan beter een teendruk worden gemeten.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
16
Q

Wat is een looptest?

A

Gedurende lopen op de band EAI meting

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
17
Q

PAV: wanneer chirurgisch ingrijpen?

A

Invaliderende claudicatieklachten (niet reagerend op looptraining)
Rustpijn/wondgenezingstoornissen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
18
Q

PTA =

A

percutane transluminale angioplastie = ballonnetje opblazen of stent

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
19
Q

Endarteriëctomie =

A

verwijderen van atherosclerotische plaque (+ intima zodat er geen onregelmatigheid achter blijft)
* Liesdesobstructie: desobstructie AFC/origo AFS/ AFP
* Carotis endarteriectomie: desobstructie ACI

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
20
Q

Covered Endovascular Reconstruction of the Aortic Bifurcation (CERAB) =

A

Endovasculair plaatsen van een broekprothese in de aortafiburcatie.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
21
Q

Symptomen arteriële afsluiting / acuut bedreigd been (5)

A

de vijf P’s:
Pain= hevige pijn
Pallor = bleekheid
Pulselessnes = geen perifere pulsaties
Paralysis = verlies van motorische functie
Paresthesia = verlies van sensorische functie

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
22
Q

Wat is het verschil tussen antigenen en antistoffen?

A

Antigenen: suikergroepen/eiwitten waartegen antistoffen gericht kunnen zijn (bv spike van corona virus)
Antistoffen: antilichamen (bv IgG, IgM etc.) kunnen binden aan antigenen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
23
Q

Bloedgroepen, oppervlakte antigenen: (3)

A
  • RBA (rode bloedcel antigenen)
  • HLA (humane leukocyten antigenen)
  • HPA (humane plaatjes antigenen)
    Tegen bovenstaande kan je antistoffen ontwikkelen
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
24
Q

Hoeveel antigenen zijn er? En hoeveel bloedgroepsystemen?

A

400 antigenen
30 bloedgroepsystemen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
25
Q

Wat zijn:
resus
Kell
Duffy
MNS
Kidd
ABO
Lewis

A

De meest klinisch relevante bloedgroepsystemen. Er kan dan worden gekeken: zijn er antistoffen aanwezig bij de patient?

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
26
Q

Wat is het verschil tussen genotype vs fenotype?

A

Genotype = informatie aanwezig in DNA (genen)

Externe factoren bepalen hoe je ‘bouwplan’ (DNA) wordt uitgevoerd (bijv door voeding, zonlicht)

Fenotype = combinatie van genotype en externe factoren: hoe daadwerkelijk alles tot uiting komt

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
27
Q

AB0 bloedgroep:
Fenotype 0 kan ontstaan uit genotype(s) …

A

00

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
28
Q

AB0 bloedgroep:
Fenotype A kan ontstaan uit genotype(s) …

A

AA of A0

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
29
Q

AB0 bloedgroep:
Fenotype B kan ontstaan uit genotype(s) …

A

BB of B0

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
30
Q

AB0 bloedgroep:
Fenotype AB kan ontstaan uit genotype(s) …

A

AB

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
31
Q

Wat gebeurt er wanneer je bloedgroep A en bloedgroep B bij elkaar doet?

A

Klontering (trombose/embolien)
Hemolyse (eiwit klontering in niertubuli -> acuut nierfalen)

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
32
Q

Wat is het verschil tussen regulaire en irregulaire antistoffen?

A

Regulaire antistoffen = natuurlijk voorkomend (anti-A en anti-B)
Irregulaire antistoffen = alle overige antistoffen (na immunisatie)

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
33
Q

Waar bestaat het Rhesus systeem uit?

A

CcEe-gen
—> 4 allelen
—> CE, Ce, cE, ce

D-gen
—> 2 allelen
—> D, d (= deletie, zit niks)

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
34
Q

Kunnen een Rhesus D positieve moeder en een Rhesus D positieve vader een Rhesus D negatief kind krijgen?

A

Ja. Genotype D- x D- (of Dd x Dd) kan bij kind leiden tot dd.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
35
Q

Verschil Rhesus antigenen en Rhesus antistoffen

A

Rhesus antigenen: bij geboorte volledig ontwikkeld
Rhesus antistoffen: immuun-antistoffen (komen dus niet bij kind voor, behalve wanneer ze bij de moeder aanwezig zijn) -> IgG (soms natuurlijk voorkomend, anti-E)

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
36
Q

Wat is het risico van de aanwezigheid van een irregulaire antistof?

A

Bij binden antistof aan rode bloedcel -> geeft signaal af aan lichaam -> cel wordt opgeruimd -> hemolyse in lever en milt

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
37
Q

Klachten bij een hemolytische transfusiereactie (HTR) (5)

A

Rillingen
Koorts
Tachycardie
POB
Hemoglobinurie (+ urinestrip test voor ery’s)

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
38
Q

Transfusiebeleid IC Hb… mmol/L of lager, bij ACS Hb … mmol/L of lager

A

Hb 4,3 mmol/L of lager, bij ACS Hb 5,0 mmol/L of lager

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
39
Q

Indicaties trombocytentransfusie (4)

A
  • Trombocytopenie
  • Trombocytopathie
  • Profylactisch <10 x10^9/L
  • Therapeutisch
    —> Trombocytopenie tgv beenmerginsufficientie of trombocytpathie en actieve bloeding of bijchirurgisch ingrijpen
    —> Massaal bloedverlies en trombo’s <50 x10^9/L
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
40
Q

Contra-indicatie trombocytentransfusie

A

TTP (trombotische trombocytopenische purpura, aandoening waarbij von Willebrandfactor knip enzym verstoord is, krijg je klonteringen)

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
41
Q

Wat is omniplasma?

A

Substitutie van deficientie stollingsfactoren

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
42
Q

Lagen van de thoraxwand (5) (van buiten naar binnen)

A

Dermis
Subcutis
Spieren en botten
Fascia endothoracica
Pleura parietalis

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
43
Q

De intercostale ruimte bestaat uit 3 spieren:

A

Musculus intercostalis externus (inademingsspier)
Musculus intercostalis internus (uitademingsspier)
Musculus intercostalis intimus (uitademingsspier)

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
44
Q

De musculus intercostalis externus is en in- of uitademingsspier?

A

Inademingsspier

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
45
Q

De musculus intercostalis internus is en in- of uitademingsspier?

A

Uitademingsspier

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
46
Q

De musculus intercostalis intimus is en in- of uitademingsspier?

A

Uitademingsspier

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
47
Q

De musculus transversus thoracus is en in- of uitademingsspier?

A

Uitademingsspier

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
48
Q

Welke spier gebruik je voor de inademing?

A

Musculus intercostalis externus

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
49
Q

Cavitas pleuralis + mediastinum =

A

Thorax holte (cavitas thoracica)

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
50
Q

Waar ligt de begrenzing van de cavitas thoracica (thoraxholte)?

A

Onderkant: ribben + Th12 wervel
Bovenkant: ring van 1e rib
Zijkant thoraxwand

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
51
Q

De cavitas thoracica bestaat uit drie compartimenten, namelijk:

A

Cavitas pleuralis 2x
Mediastinum

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
52
Q

Cavitas pleuralis bestaat uit pleura visceralis (longvlies) en pleura parietalis (borstvlies). Pleura parietalis kan op zijn beurt weer worden onderverdeeld in: (4)

A

Pleura costalis
Pleura mediastinalis
Pleura diaphramatica
Pleura cervicalis

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
53
Q

Longvlies

A

Pleura visceralis

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
54
Q

Borstvlies

A

Pleura parietalis

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
55
Q

Recessus pleuralis =

A

Gebieden waar de long niet altijd is

Recessus costodiaphragmaticus (aan de onderkant)
Recessus costomediastinalis (mediale zijde long)

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
56
Q

Mediastinum is onder te verdelen in mediastinum superius en mediastinum inferius. Mediastinum inferius is weer onder te verdelen in: (3)

A

Posterius (achter hart)
Medium (waar hart zit)
Aterius (voorkant hart)

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
57
Q

Het mediastinum superius bevindt zich net boven de …

A

Aortaboog

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
58
Q

Het mediastinum superius bevat:
- V. … met vv …
- …
- …
- …
- 2x N. … (naar diafragma)
- 2x N. Vagus met n. …
- Ductus … (lymfekliervat, ligt tussen oesophagus en wervelkolom in)

A

V. Cava superior met vv brachiocephalicae
Aorta (arcus aortae met 3 aftakkingen)
Trachea
oesophagus
2x N phrenicus (naar diafragma)
2x N. Vagus met n. Laryngeus recurrens
Ductus thoracicus (lymfekliervat, ligt tussen oesophagus en wervelkolom in)

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
59
Q

Het mediastinum inferius: posterius (achter hart) bevat:
- …
- …
- V. … systeem -> v. Cava …
- ductus …
- truncus …

A

Oesophagus
Aorta thoracica/descendens
V. Azygos system -> v. Cava superior
Ductus thoracicus
N. Vagus
Truncus sympathicus

60
Q

Radix pulmonis =

A

Waar alle vaten de long in gaan

61
Q

Hilus =

A

Poort waar struturen in en uit lopen (bijv hilus pulmonis)

62
Q

Ligamentum pulmonale =

A

Dubbelblad

63
Q

Lobi

A

Kwabben (long)

64
Q

Lobi gescheiden door … (groeven)

A

Fissuren

65
Q

Lobi recherlong, hoeveel en welke?

A

Lobus superior
Lobus medius
Lobus inferior

66
Q

Rechterlong: Lobus superior en lobus medius worden gescheiden door fissura …

A

Horizontalis

67
Q

Rechterlong: Lobus medius en lobus inferior worden worden gescheiden door fissura …

A

Obligua

68
Q

Longen links, hoeveel lobi en welke?

A

Lobus superior
Lobus inferior

69
Q

Links lobus superior en lobus inferior worden gescheiden door fissura …

A

Obligua

70
Q

Incisura cardiaca in je linker long (lobus superior) =

A

Deuk in long door je hart

71
Q

Lingula linker long lobus superior =

A

Onderste stukje van de bovenste kwab (soort tongetje)

72
Q

Carina =

A

Splitsing trachea

73
Q

Waar zou een corpus alineum via de trachea als eerste terecht komen?

A

Corpus alineum komt eerder in rechter long dan in linker long (want hoofdbronchus links horizontaler)

74
Q

Pericardholte =

A

Holte tussen pericard (lamina parietalis) en epicard (lamina visceralis)

75
Q

Welke 3 sulci lopen er over het hart? En waar lopen ze?

A

Sulcus coronarius (loopt om tussen atria en ventrikels)
Sulcus interventricularis anterior (komt overeen met septum, tussen beide ventrikels)
Sulcus interventricularis posterior (tussen beide ventrikels)

76
Q

Auricula =

A

Hartoortje

77
Q

Apex cordis =

A

Hartpunt

78
Q

Waar zit de valva tricuspidalis?

A

Tussen rechteratrium en rechterventrikel

79
Q

Waar zit de valva mitralis?

A

Tussen linker atrium en linker ventrikel

80
Q

Sinus coronarius =

A

Bloed wat vanuit het hart zelf weer terugkomt in de circulatie

81
Q

Fossa ovalis =

A

Overblijfsel van de embryonale fase in het rechteratrium

82
Q

Chordae tendinae =

A

Touwtjes vast aan kleppen

83
Q

Mm. Papillares =

A

Spieren welke aan de chordae tendinae vast zitten

84
Q

… komen terug van de longen met zuurstofrijk bloed in het linkeratrium

A

Vv. Pulmonalis

85
Q

Je hebt twee coronairen, namelijk:

A

A. Coronaria sinistra
—> R. Interventricularis anterior
—> R. Circumflexus
A. Coronaria dextra
—> R. Interventricularis posterior (deze kan soms ook vanuit links via de R. Circumflexus doorlopen of soms 50/50)

86
Q

Waar moet je op letten bij een punctie tussen de ribben?

A

De neurovasculaire bundel loopt onder de rib, altijd dus boven de rib prikken!

87
Q

Wat is het verschil tussen forward en reverse grouping als het gaat om het achterhalen van de bloedgroep?

A

Forward grouping -> antistoffen van firma bij bloedcellen patient doen
Reverse grouping -> plasma van patient bij A/B cellen van de firma

88
Q

4-5-6 flexinorm:
Overweeg een transfusie indien er bij een Hb<… sprake is van:
—> Acuut bloederlies bij ASA… <…jr, normovolemisch, bloedverlies op … locus
—> Chronische asymptomatische anemie
Overweeg een transfusie indien er bij een Hb<… sprake is van:
—> Acuut bloedverlies bij ASA… >…jr en normovolemisch, bloedverlies op … locus
—> Acuut bloedverlies bij gezonde pers <…jr, normovol, bloeding op … loci
—> Pt <60jr, preop met verwachten bloedverlies >…ml
—> …
—> Post operatieve fase na …, ongecompliceerd
—> ASA … en ASA …, niet gecompliceerd
Hb <… en sprake van:
—> ASA … patienten
—> Patient die niet in staat is het … te verhogen ter compensatie van hemodilutie
—> … en toxische patient
—> Pt met ernstige …
—> Pt met symptomatische … ziekte

A

4-5-6 flexinorm
Overweeg een transfusie indien er bij een Hb<4 sprake is van:
—> Acuut bloederlies bij ASAI <60jr, normovolemisch, bloedverlies op 1 locus
—> Chronische asymptomatische anemie
Hb<5 en sprake van:
—> Acuut bloedverlies bij ASAI >60jr en normovolemisch, bloedverlies op 1 locus
—> Acuut bloedverlies bij gezonde pers <60jr, normovol, bloedingen op meer loci
—> Pt <60jr, preop met verwachten bloedverlies >500ml
—> Koorts
—> Post operatieve fase na openhartchirurgie, ongecompliceerd
—> ASA II en ASA III, niet gecompliceerd
Hb <6 en sprake van:
—> ASA-IV patienten
—> Patient die niet in staat is het HMV te verhogen ter compensatie van hemodilutie
—> Septische en toxische patient
—> Pt met ernstige longziekte
—> Pt met symptomatische cerebrovasculaire ziekte

89
Q

Symptomen tamponade hart (5)

A

RR daling (shock)
HF stijging/AF
Daling diurese
Stijging CVD
Collaps

Cronisch: algeheel onwelbevinden

90
Q

Er zijn 2 vormen van angina pectoris: stabiele en onstabiele angina pectoris. Verschil?

A

Stabiele angina pectoris wordt uitgelokt door belasting van het hart en verdwijnt na enkele minuten. Onstabiele angina pectoris ontstaat zonder echte oorzaak en duurt vaak langer. Onstabiele angor is vaak een voorbode van een hartinfarct.

91
Q

PCI =

A

Percutane coronaire interventie (dotteren)

92
Q

Verschil dissectie vs aneurysma?

A

Bij een dissectie scheurt de binnenste laag van de aortawand en bij een aneurysma is er een plaatselijke verwijding/ uitstulping van de aortawand.

93
Q

Verschil type A en type B dissectie van de aorta?

A

Type A: scheur treedt op in aorta ascendens of boog.
Type B: scheur treedt op in aorta descendens.

94
Q

Wat is het verschil tussen een waar aneurysma en een vals aneurysma?

A

Waar aneurysma: een verwijding waarbij de wand van aneurysma bestaat uit alle drie lagen van de oorspronkelijke aortawand: laminae, intima, media en adventitia. Worden ook wel atherosclerotische aneurysmata genoemd.

Vals aneurysma: aneurysma spurium > ontbreken de binnenste lagen, zodat de wand op de plaats van de verwijding slechts bestaat uit adventitia of zelfs alleen uit het fibreuze kapsel van een hematoom dat ontstaan is na perforatie van een ulcus in de aortawand of na een scherp of stomp trauma van de aorta.

95
Q

Hemostase =

A

Proces dat zorgt voor het stelpen van een bloeding na het beschadigen van het bloedvat

96
Q

Fibrinolyse =

A

Opruimen hemostatische prop (stolsel)

97
Q

Hemostase is een samenspel tussen: (4)

A

Trombocyten
Stollingsfactoren
Vaatwand
Weefseldruk

98
Q

Hemofilie =

A

Verhoogde bloedingsneiging

99
Q

Trombofilie =

A

Verhoogde trombose neiging

100
Q

Verschil in presentatie bij patienten met stollingsdefect vs patienten met trombocytopenie

A

Patienten met stollingsdefect presenteren zich veelal met bloedingen diep in het weefsel (gewerichten, spieren), terwijl patienten met trombocytopenie zich veelal presenteren met oppervlakkige bloedingen (huid (petechien, ecchymosen), neus, uterus).

101
Q

Hemostase: 3 fasen, welke?

A

Fase 1: vasoconstrictie
Fase 2: primaire hemostase
Fase 3: secundaire hemostase

102
Q

Hemostase: fase 1 vasoconstrictie door: (3)

A

Depolarisatie beschadigde gladde spiercellen in de vaatwand
Vrijkomen neurotransmitters door beschadigde zenuwcellen
Afgifte vasoconstrictieve stoffen

103
Q

Wat zijn pericyten?

A

Pericyten zijn in het capillaire netwerk grotendeels verantwoordelijk voor vasoconstrictie en daarmee de perifere vaatweerstand (en bloeddrukregulatie)

104
Q

Hemostase, fase 2: primaire hemostase =

A

Trombocytenadhesie en -aggregatie

105
Q

Adhesie =

A

Vastplakken aan de vaatwand

106
Q

Hoe gaat trombocytenadhesie in zijn werk? (Primaire hemostase)

A

Bij defect vaatwand komt collageen in aanraking met het bloed. Na adhesie trombocyt aan vaatwand kan de trombocyt ‘landen’ mbv Ib-receptor, von-willebrand-factor en collageen —> activatie bloedplaatjes (vormverandering, IIb/IIIa receptoren (=fibrinogeen receptoren) treden op)

107
Q

Aggregatie =

A

Samenklonteren van bloedplaatjes aan elkaar

108
Q

Trombocyten aggregatie:
—> … receptoren kunnen met dmv … samenklonteren (maakt een verbinding)
—> Gedurende activatie komen onder andere ook … receptoren en … receptoren aan bod.

A

IIb/IIIa receptoren kunnen met dmv fibrinogeen samenklonteren (maakt een verbinding)
Gedurende activatie komen onder andere ook ADP receptoren en tromboxaan A2 receptoren aan bod.

109
Q

Trombocyten aggregatie:
—> Tromboxaan A2 kan … verder activeren -> … versterken + heeft … effect
—> Tromboxaan A2 wordt omgezet onder enzym cyclo-oxygenase (…) -> dit wordt volledig geremd door … (medicijn).
—> ADP zorgt voor verdere activatie van …. Deze receptor kan worden geblokkeerd door …, … (medicijn).

A

—> Tromboxaan A2 kan bloedplaatjes verder activeren -> trombocyten prop versterken + heeft vaatvernauwend effect
—> Tromboxaan A2 wordt omgezet onder enzym cyclo-oxygenase (COX-1) -> dit wordt volledig geremd door acetylsalicylzuur.
—> ADP zorgt voor verdere activatie van trombocyten. Deze receptor kan worden geblokkeerd door clopidogrel, ticagrelor.

110
Q

Aspirine grijpt in op de primaire of secundaire hemostase?

A

Primaire hemostase

111
Q

Ziekte van Von Willebrand is een aangeboren afwijking in de … hemostase.

A

Primaire hemostase

112
Q

Is de ziekte van Von Willebrand een adhesie of aggregatie probleem?

A

Adhesie probleem

113
Q

Kenmerken/symptomen bij ziekte van Von Willebrand (3)

A

Slijmvliesbloedingen (tandvlees)
Huidbloedingen
Menstrueel bloedverlies

114
Q

Noem twee aangeboren afwijkingen in de primaire hemostase

A

Ziekte van Von Willebrand
Trombocytopathie e.c.i

115
Q

Noem 4 verworven afwijkingen in de primaire hemostase

A

Trombocytopenie
Nierinsufficientie (ophoping afvalstoffen)
(Ernstige) levercirrose (ophoping afvalstoffen)
Medicatie (acetylsalicylzuur, NSAID’s, antibiotica, serotonineantagonisten)

116
Q

Acetylsalicylzuur en andere NSAID’s beinvloeden de adhesie of aggregatie?

A

Aggregatie

117
Q

Hemostase, fase 3: secundaire hemostase =

A

Fibrinestolselvorming

118
Q

Stollingscascade:
Na bloodstelling bloed aan … kan … complex geactiveerd worden -> activatie factor … -> + factor … -> … oiv factor … omgezet in … -> … zet … om in fibrine

A

Stollingscascade:
Na bloodstelling bloed aan tissue-factor (TF, tromboplastine)) kan TF-VIIa complex geactiveerd worden -> activatie factor Xa -> + factor V -> protombine oiv factor IIa omgezet in trombine -> trombine zet fibrinogeen om in fibrine

119
Q

De stollingscascade heeft 2 versterkingslussen:
—> TF-VIIa activeert ook factor … (-> kan factor … weer activeren)
—> trombine stimuleert factor … -> stimuleert factor … (-> kan factor … weer activeren)

A

TF-VIIa activeert ook factor IXa (-> kan factor Xa weer activeren)

trombine stimuleert factor XIa -> stimuleert factor IXa (-> kan factor Xa weer activeren)

120
Q

PT-tijd =

A

Moment tissue factor t/m trombine vorming (IIa) (zonder versterkingslsusen)

121
Q

aPTT =

A

Vanaf factor Xa activatie naar factor IIa activatie (+ versterkingslussen)

122
Q

INR =

A

(PT patient / PT normaal plasma) + correctiefactor (ISI)

123
Q

Laag INR zorgt voor:

A

Verhoogd trombose risico

124
Q

Hoog INR zorgt voor:

A

Verhoogd bloedingsrisico

125
Q

Welke stollingsfactoren worden pas actief onder invloed van vitamine K? (4)

A

Factor II (2)
Factor VII (7)
Factor IX (9)
Factor X (10)

126
Q

Gevolg tekort aan vitamine K tav hemostase?

A

Verminderde werking bloedstolling

127
Q

Vitamine K is …oplosbaar

A

Vet

128
Q

Bekende aangeboren afwijking in de vorming van fibrinestolsel (= secundaire hemostase)

A

Hemofilie A en B (tekort stollingsfactor 8 (A) of 9 (B)) -> behandeling iv toediening ontbrekende stollingsfactor.

Geslachtsgebonden overerving: alleen bij mannen voorkomen.

129
Q

Verworven afwijkingen in de vorming van het fibrinestolsel (secundaire hemostase) (4)

A

Leverinsufficientie (productie stollingsfactoren door lever)
Vitamine K-deficientie
Massaal bloedverlies
Antistollingsmedicatie (cumarinen, heparine remmers van trombine en factor Xa)

130
Q

Fysiologische stollingsremming, remmers verhinderen dat het bloed stolt terwijl het door de vaten stroomt.
Aangeboren tekort aan deze remmers of afwijkingen in remmende systemen leidt tot een hogere kans op …

A

Trombose

131
Q

Fibrinolyse:

… is in staat om het onoplosbare fibrine om te zetten in fibrine afbraak producten welke we bijv kunnen uitplassen.

A

Plasmine

132
Q

Plasmine is inactief aanwezig in lichaam als …

A

Plasminogeen

133
Q

Plasminogeen activatie door … en … (…)

A

Plasmingeenactivatie door t-PA en urokinase (-streptokinase).

134
Q

Bij trombolyse wordt … gebruikt als therapeutisch trombolyticum

A

Streptokinase

135
Q

Trombocytenaggregatieremmers grijpen aan op de … hemostase

A

Primaire

136
Q

Indicatie trombocytenaggregatieremmers

A

Atherosclerotische vaatziekten
- herseninfarct
- hartinfarct
- angina pectoris
- etalagebenen

137
Q

Salicylaten, P2Y12-remmers en fosfodiesteraseremmers zijn …

A

Trombocytenaggregatieremmers

138
Q

Vitamine K-antagonisten, DOAC, heparine en LMWH grijpen aan op de … hemostase

A

Secundaire

139
Q

Secundaire hemostase-remmers indicaties:

A

Niet-atherosclerotische stolneiging
- DVT
- Longembolie
- Atriumfibrilleren
- Mechanische hartklep

140
Q

Werking salicylaten (acetylsalicylzuur, carbasalaatcalcium)

A

Inhiberen tromboxaan A2 in de trombocyt door irreversibele binding aan cyclo-oxygenase (COX)

141
Q

Werking P2Y12-remmers (clopidogrel, ticagrelor, prasugel)

A

Inhiberen ADP-afhankelijke plaatjesactivatie via remming op de PP2Y12-receptor

142
Q

Werking vitamine K-antagonisten (coumarines)

A

Remt vitamine K-afhankelijke productie van stollingsfactor II, VII, IX, X

143
Q

Werking DOAC dabigatran

A

Remt trombine (factor II)

144
Q

Werking DOAC rivaroxaban/apixaban/edoxaban

A

Remmen factor Xa (factor 10 actief)

145
Q

Werking heparine en LMWH

A

Remmen direct factor X en II