thema 3 Flashcards

1
Q
A
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
2
Q

associatie

A

een verbinding tussen twee psychische inhouden zoals gevoelens of waarnemingen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
3
Q

ontwikkelen van asociaties 3

A
  • Contiguïteit → wanneer A en B in ruimte en/of. Tijd gelijktijdig voorkomen, zal na
    een tijd A automatisch B oproepen. o Honing-zoet/citroen-zuur
  • Gelijkheid → wanneer A en B sterk op elkaar lijken, dan vormen ze snel een associatiepaar.
    o Boom-struik/boter-margarine
  • Contrasten → wanneer A en B sterk van elkaar verschillen, dan vormen ze snel een
    associatiepaar.
    o Zomer-winter/zwart-wit
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
4
Q

associatieleer david hartley

A

Legt sterk de nadruk op het parallellisme tussen fysieke en psychische toestanden. Twee doctrines:
1. De doctrine van de vibraties: alle fysieke fenomenen veroorzaken sympathische bewegingen in ons zenuwstelsel (licht = plezier, heftig = pijn).
a. Verklaart automatische bewegingen → reflexen.
2. De doctrine van de associaties: wanneer sensaties samen worden ervaren, zal 1 van
die sensaties de andere ook weer oproepen.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
5
Q

thomas brown associatieleer

A

Gebruikt niet het begrip associatie, maar het begrip suggestie.
- Hij vond het begrip associatie te causaal/expliciet.
- Primaire suggestiewetten: komen overeen met de wetten van contiguïteit, gelijkheid
en contrasten.
- Secundaire suggestiewetten: proberen rekening te houden met individuele
verschillen, aparte omstandigheden en lichaamstoestand.
o Verklaartwaaromsommigeindividuensoms‘vreemde’associatiesleggenin
vergelijking met anderen.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
6
Q

james hill- john stuart mill associatie leer

A

Theorie van ‘mentale mechanica’.
- Kennis is volgens Mill het toevoegen van ideeën aan eerdere ideeën.
- De associatie wordt versterkt door levendigheid van de perceptie en de
frequentie/herhaling van de associatie.

Zoon van James Hill, John Stuart verving de theorie van ‘mentale mechanica’ voor een theorie van ‘mentale chemistry’: gedachten en ideeën kunnen zich ontwikkelen tot nieuwe ideeën in de geest.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
7
Q

herbart associatieleer

A

Herbart was de eerste auteur die over instructie schreef, zonder het direct over een bepaald leergebied te hebben.
- Hij benadrukte, in tegenstelling tot zijn tijdgenoten, de rol en aanpak van de instructieverantwoordelijke: deze moet inzicht bijbrengen in plaats van alleen de leerstof overdragen.
2 concepten staan bij hem centraal:
1. Apperceptie: de activiteit of het proces van het assimileren, aanpassen en
identificeren van een voorwerp, impressie of idee.
a. Alle kennis ontwikkelt zich op basis van een eerste waarneming en de
daaropvolgende apperceptieprocessen.
b. Dus voordat iets nieuws aangeleerd wordt, eerst voorkennis activeren.
2. Interesse: de interesse van een lerende is bepaald door wat in het verstand al aanwezig is.
a. Leren gaat beter wanneer lerenden op en intense manier bezig zijn met de stof.
Hij pleitte voor een bepaalde opbouw van het instructieproces:
1. Voorbereiding → interesse wekken
2. Presentatie → nieuwe kennis presenteren
3. Associatie → nieuwe kennis koppelen aan vroegere lessen
4. Generalisatie → verschillende oefeningen
5. Toepassing → oefeningen aanbieden om zelf te maken

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
8
Q

thorndicke het connectionisme 4 connectie wetten

A

Thorndicke werkt het associationisme uit tot een empirisch onderbouwde aanpak, die hij als het connectionisme omschrijft.
Aan de hand van onderzoek met dieren (meest bekende is met katten), stelde Thorndicke 4 connectiewetten op:
1. Law of effect → wat volgt op een uitgelokt gedrag, heeft effect op de mate waarin er een connectie ontstaat tussen stimulus en respons (positieve reactie = versterking van de connectie).
2. Law of readiness → wanneer lerenden er klaar voor zijn, zullen ze gemakkelijker nieuwe kennis oppikken.
36
Gedownload door: isaschade | isaschade@icloud.com € 912 per jaar
Dit document is auteursrechtelijk beschermd, het verspreiden van dit document is strafbaar. extra verdienen?
Stuvia - Koop en Verkoop de Beste Samenvattingen
3. Law of exercise → hoe vaker de relatie wordt herhaald, hoe sterker deze wordt.
4. Associative shifting → reacties op een bepaalde stimulus kunnen ook volgen op
andere stimuli, als deze in kleine mate van de oorspronkelijke

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
9
Q

skinner leren

A

Leren = het ontstaan van een observeerbare gedragsverandering.
- Interne leerprocessen worden niet ontkend, maar zijn volgens hem niet wetenschappelijk te bestuderen.
Bij Skinner gaat het in de eerste plaats om wat er gebeurt na de respons: de consequentie.
- Bij operant leren wil men het gewenste gedrag versterken.
- Als deze bekrachtiging komt alleen wanneer de juiste respons wordt geobserveerd,
is deze bekrachtiging contingent.
o Positieve&negatievebekrachtiging(Skinnerisvoordepositieve).
o Materiële(krijgenvanpunten)ofintrinsiekebekrachtigers(positieveorientatie
bij het individu).
- Dus; in het onderwijs moet fouten maken vermeden worden.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
10
Q

suggestie voor het gebruik van bekrachtigers skinner

A
  1. Laat ze contingent zijn
  2. Laat lerenden ze zelf kiezen
  3. Waardeer niet alleen positief sociaal gedrag, maar ook leerprestaties
  4. Geef specifieke waardering (leg uit waarom je het gedrag waardeert)
  5. Als-dan principe: laat leerlingen eerst de minder leuke taak uitvoeren.
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
11
Q

promting

A

voordoen/beschrijven van het gewenste gedrag

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
12
Q

chaining

A

uitwerken van een gedragsketen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
13
Q

shaping

A

vormgeven=gedrag dat in de richting gaat van het gewenste gedrag wordt onmiddellijk positief bekrachtigt.
- Hierdoor wordt het bereiken van het eindgedrag opgesplitst in kleine stappen.
- Maken van een taakanalyse.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
14
Q

instrcutie vorlgens skinner

A

Nodig voor instructie die bouwt op ‘reinforcement’:
1. Een situatie waarin het gedrag zich kan/zal voordoen;
2. Het gedrag zelf;
3. Het plannen van consequenties bij het gedrag (bekrachtigers/reinforcers).
Daarbij is een goed onderwijsprogramma nodig met een bekrachtigingsschema waarin wordt vastgelegd wanneer de lerende positieve bekrachtiging krijgt.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
15
Q

geporgameerde instrcutie= gi en leertheorie skinner

A

instructiesysteem dat leermaterialen en de media centraal stelt.
- Toetsen maken op een machine met directe feedback.
In GI komen principes terug die uit de leertheorie van Skinner komen:
- Kleine stappen: informatie wordt in kleine hoeveelheden aangeboden.
- Juiste antwoorden: lerenden kunnen geen fouten maken, dan blijft de vraag staan.
- Onmiddellijke feedback: lerenden krijgen meteen te zien of het antwoord goed/fout is.
- Geleidelijke vooruitgang: steeds minder hulp bij het oplossen van de vragen.
- Meetbaarheid: de juistheid kan meteen gecontroleerd worden.
- Open antwoorden.
- Eigen tempo.
- Aanpassing: programma moet zich aanpassen aan de lerende.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
16
Q

3 types van feedback hattie & timperley

A
  1. Feedup: in welke mate bereik ik de doelen?
  2. Feedback: hoe heb ik het tot nu toe aangepakt?
  3. Feedforwards: wat doe ik daarna?
17
Q

di= directe instrcutie engelmann kenermkeen

A

Directe Instructie (Engelmann) bleek op allerlei punten significant beter te scoren dan andere methoden.
- De toepassingen zijn sterk empirisch onderbouwd.
- Kern; efficiënte instructie waarbij in minder tijd, meer wordt bereikt.
- Leerkrachten volgen een stap voor stap voorgestructureerde opbouw (hier soms
kritiek op van de leraren).
Kenmerken van DI:
1. Duidelijke en systematische instructie.
2. Uitgeschreven lesplannen.
3. Nadruk op een strak tempo.
4. Mastery learning als succescriterium.
5. Een groot aantal kansen om deelvaardigheden te oefenen.
6. Elke tien lessen is er een algemene toets.
7. Werken met niveaugroepjes.
8. Ondersteunen van leerlingen (scaffolding).
9. Geïntegreerd samen met andere instructieaanpakken.
10. Integratie van strategieën (bijvoorbeeld oplossingsstrategieën).
11. Lesafsluitingen.
12. Oefenen.

18
Q

soda project

A
  • Stiptheid → nadruk ligt op het op tijd komen.
  • Orde→boeken mee/werkmateriaal in orde?
  • Discipline→voldoende zelf- en arbeidsdiscipline?
  • Attitude → algemene houding van de leerling.
    Op deze verschillende aspecten worden A- of B-scores gegeven.
    Dit systeem is nog niet ‘gevestigd’ of internationaal verspreid, maar geeft leerlingen waarschijnlijk meer autonomie, gevoel erbij te horen en competentie (de eerste evaluaties zijn positief).