thema 4 Flashcards

1
Q

beschrijf de eerste wet van thermodynamica?

A

Er kan geen energie gecreëerd of vernietigd worden, maar energie transformeert van de ene vorm naar de andere. In je lichaam zal chemische energie worden omgezet naar mechanische energie. Deze wet wordt ook wel de wet van behoud van energie genoemd. De totale hoeveelheid energie bestaat uit de potentiële energie en de kinetische energie. Potentiële wordt omgezet in kinetische.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
2
Q

Beschrijf de tweede wet van de thermodynamica

A

Alle potentiele energie in een biologisch systeem zal uiteindelijk omgezet worden in een onbruikbare vorm van kinetische energie of warmte.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
3
Q

Bespreek de rol van vrije energietijdens biologische arbeid.

A

Je hebt Exergoon en Endergoon. Exergone reacties beschrijven elk fysisch of chemisch proces waarbij energie vrijkomt. Er is een afname van de vrije energie: nuttige energie voor biologische arbeid dat alle energie-vereisende en in leven houdende processen van de cel omvat. Endergone reacties beschrijven de chemische reacties waarbij energie wordt opgeslagen of geabsorbeerd. Er is een toename van vrije energie. Deze reacties gaan soms samen met exergone reacties om energie te transporteren naar het endergone proces.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
4
Q

Benoem en geef een voorbeeld van de drievormen van biologische arbeid

A

De drie vormen van biologische arbeid zijn mechanische arbeid, chemische arbeid en transport arbeid. Mechanische arbeid is de arbeid die geleverd wordt in de spieren onder invloed van ATP. Chemische arbeid zijn reacties zoals de omzetting van glucose naar glycogeen, of glycerol + vetzuren naar triacylglycerol, of aminozuren naar eiwitten. Allemaal onder de invloed van ATP. Een voorbeeld van transport arbeid is en natrium kalium pomp. Dit is een vorm van actief transport. Voor passief transport is geen ATP nodig. Transport arbeid zorgt voor het creëren van concentratie gradiënten

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
5
Q

Beschrijf hoe enzymen en co-enzymen het energiemetabolisme beïnvloeden

A

Enzymen, katalysatoren, eiwitten die processen versnellen zonder zelf verbruikt te worden. Verlagen activeringsenergie
co-enzymen, niet eiwit, activatoren van sommige enzymen. Zorgen dat het substraat bindt aan het enzym, brengt substraat naar juiste enzym. Is minder specifiek dan enzym. Werkt als transporter, bezorger. Een co-enzym kan ook aan/uit schakelaar zijn. Voorbeelden zijn ijzer, zink, B-vitamines (NAD+ vormt NADH, FAD vormt FADH2). Concurrerende inhibitoren binden aan de actieve zijde van het enzym. Het enzym kan dan geen substraat binden. Niet-concurrerende inhibitoren binden aan het enzym, maar niet op de actieve zijde. Dit verandert de structuur van het enzym en mogelijkheid om de reactie te katalyseren.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
6
Q

Bespreek het verschil tussen hydrolyse en condensatie en hun belang voor fysiologisch functioneren

A

Hydrolyse reacties afbreken van complexe moleculen in kleinere subunits, door het toevoegen van H+ en OH-. Je voegt dus water toe. AB + HOH  A-H + B-OH
Door hydrolysereacties kunnen complexe moleculen worden omgezet in simpelere vormen.
Condensatie reacties het vormen van complexe moleculen uit kleinere subunits, waarbij water vrijkomt. A-H + B-OH  AB + HOH.
Er worden dus van simpele vormen meer complexe moleculen gemaakt.
Hydrolyse en condensatie geven de basis voor vertering en synthese.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
7
Q

Bespreek de rol van redoxreacties in energiemetabolisme.

A

Oxidatie reactie: oxidatie reacties dragen zuurstof, waterstof of elektronen over. Ze hebben een verlies aan elektronen. De lading wordt daardoor altijd positiever. Een oxidator ontvangt de elektronen.
Reductie reacties: een proces waarbij atomen elektronen winnen. De lading wordt dan dus negatiever. Een reductor geeft elektronen af.
Een uitstekend voorbeeld van een redox reactie heeft te maken met het transport van elektronen in de mitochondriën. Speciale carrier moleculen vervoeren geoxideerde waterstof atomen en hun verwijderde elektronen voor bezorging aan zuustof, die gereduceerd word. De waterstofatomen komen van koolhydraten, vetten en eiwitten. Dehydrogenase enzymen versnellen de redoxreacties. Het transporteren van elektronen van NADH en FADH2 levert ATP. Dit noem je de ademhalingsketen (redox). Het binnenste membraan is rijk aan eiwit en vet. Dit verbetert het transport.
Als oxidatie in de ademhalingsketen langzamer is dan de productie van waterstofatomen, accepteert pyruvaat een elektronenpaar (reductie). Lactaat wordt gevormd. Lactaat dehydrogenase katalyseert de omzetting van lactaat naar pyruvaat (oxidatie).

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
8
Q

Definieer high-energy fosfaten en bespreek hun bijdrage aan biologische arbeid

A

High-energy fosfaten is de benaming voor de componenten die energie opslaan in de fosfaatbindingen. Deze nemen toe door training. ATP is een high-energy fosfaat. De vrije energie die vrijkomt bij ATP-hydrolyse weerspiegelt het energieverschil tussen reactie en eindproduct. Deze reactie genereert veel vrije energie.
Cellen bevatten slechts een kleine hoeveelheid ATP. Het moet dus continu opnieuw gesynthetiseerd worden. Alleen onder extreme condities daalt de hoeveelheid ATP in de skeletspieren. Ons lichaam slaat slechts 80 tot 100 g ATP op onder normale rust condities.
High-energy fosfaten zorgen eigenlijk dat alle biologische arbeid verricht kan worden.
Energieoverdracht in het lichaam vindt plaats door ATP. De binding tussen de buitenste twee fosfaatatomen is een hoog-energetische verbinding. Afsplitsen van het laatste atoom maakt de energie vrij. ATP + H2O  ADP + Pi – 7,3 kcal/mol

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
9
Q

Beschrijf de electron transport-oxidative phosphorylation.

A

Het oxydatieve fosforylering maakt ATP bij het verplaatsen van elektronen door middel van NADH en FADH2
Chemio osmose koppeling onttrekt energie en zorgt ervoor dat ATP ‘vast’ blijft zitten
Volgens de chemiosmotische theorie werkt de oxidatieve fosforylering volgens de volgende principes:
energierijke elektronen uit de citroenzuurcyclus geven hun energie af in een serie redoxreacties, waarbij uiteindelijk zuurstof wordt gereduceerd tot water.
Deze energie wordt gebruikt om een protonengradiënt te creëren.
Deze protonengradiënt drijft de synthese van ATP aan. ATP levert energie voor zeer veel enzymatische en cellulaire processen.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
10
Q

bespreek de rol van zuurstof in het metabolisme.

A

O2 is belangrijk voor de laatste stap in de keten van de fosforylering, zonder zuurstof loopt de elektronen transportketen vast (dan zou je anearobe moeten verbranden);Er zijn 3 voorwaarden voor de continue resynthese van ATP tijdens gekoppelde oxidatieve fosforylering: beschikbaarheid van NADH of FADH2 in de weefsels, aanwezigheid van zuurstof in de weefsels en voldoende hoge concentratie van enzymen/mitochondria om ervoor te zorgen dat de reacties op een passende snelheid verlopen. Als hier niet aan wordt voldaan, dan hopen elektronen zich op en binden de opgehoopte waterstofatomen NAD+ en FAD. Later binden waterstofatomen pyruvaat en vormen lactaat.
Aeroob metabolisme: energie-producerende reacties, waarbij zuurstof optreedt als de laatste elektronenacceptor in de ademhalingsketen en reageert met waterstof tot water.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
11
Q

Benoem de belangrijkste functies van koolhydraten in het metabolisme

A
  • Koolhydraten zijn het enige substraat waaruit anaeroob ATP gegenereerd kan worden.
  • Tijdens lichte en matige inspanning komt 1/3 van de totale energie uit koolhydraten.
  • Vetmetabolisme vergt koolhydraatmetabolisme.
  • Het aeroob afbreken van koolhydraten voor energie gebeurt sneller dan de aerobe afbraak van vetzuren.
  • Het centraal zenuwstelsel heeft continu koolhydraten nodig om goed te functioneren.
  • Rode bloedcellen kunnen niet zonder glucose.
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
12
Q

Beschrijf de cellulaire energie vrijmaking tijdens anaeroob metabolisme.

A

Anaeroob metabolisme is de snelle glycolyse met als eindproduct lactaat. Glycolyse is de enige stap van het energiemetabolisme dat anaeroob werkt. Hoe het helemaal gaat heb ik bij het vorige leerdoel eigenlijk beschreven. In het kort: glucose wordt omgezet in glucose 6-fosfaat. Met allemaal verschillende enzymen wordt dit uiteindelijk omgezet in 2 pyruvaat, die door lactaat dehydrogenase kunnen worden omgezet in lactaat. Er worden 4 ATP gevormd. Ook zal NADH + H gevormd worden door afsplitsing van waterstof en elektronen. Deze zullen naar de elektronen transportketen gaan.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
13
Q

Vergelijk de efficiëntie van aerobe en anaerobe metabolisme.

A

Aerobe: langzaam maar veel ATP
anaerobe: snel, veel minder ATP per glucose molecuul, alleen glycolyse
34 (of 32, wegens transport) bij oxidatieve fosforylering
2 bij glycolyse
In de aerobe koolhydraatmetabolisme zal 1 glucosemolecuul worden omgezet in netto 32 ATP. 2 x 2 ATP uit substraat fosforylase tijdens glycolyse en in CZS  4 ATP. NADH uit glycolyse (5ATP), 2 NADH omzetting pyruvaat (5ATP), 6 NADH uit CZS (15 ATP), 2 FADH2 uit CZS (3ATP)  28 ATP. 4 + 28=32.
Tijdens anaeroob metabolisme is de efficiëntie veel lager omdat alleen de glycolyse anaeroob kan plaats vinden. Bij anaeroob metabolisme zal er per glucose molecuul maar 2 ATP gevormd worden.
Anaeroob mag dan wel minder ATP vormen, het gaat wel een stuk sneller. Bij hoge intensiteit zal er ook anaeroob verbrand moeten worden. Maar 5% van de energie die in glucose zit wordt eruit gehaald bij anaerobe assimilatie. Er wordt ongeveer 30% van de energie opgeslagen in ATP bij anaerobe glycolyse en bij aeroob metabolisme is de efficiëntie 34%. De rest gaat verloren als warmte.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
14
Q

Bespreek de vorming en ophoping van lactaat tijdens zware inspanning.

A

Bij zware inspanning: onvoldoende O2  H+ productie groter dan H+ oxidatie  NAD+ allemaal verzadigd (NADH)  pyruvaat neemt H+ op en wordt lactaat om NAD+ vrij te maken voor glycolyse  lactaat ophoping  pH daalt  vermoeidheid.
Lactaat stapelt niet alleen op, maar diffundeert naar de interstitiële ruimte en bloedbaan:
• Het kan gebufferd worden met Bicarbonaat (HCO3-),
• of het kan doen aan oxidatie in andere spiervezels, oftewel lactaat shuttling (het lactaat uit de snelle vezels gaat naar andere snelle of langzame vezels, waar het wordt omgezet naar pyruvaat. Het pyruvaat wordt omgezet naar acetyl-CoA en gaat de citroenzuurcyclus in),
• of het wordt een substraat voor glycogeen synthese aan de hand van de cori cyclus.
De vorming van lactaat duidt niet het begin van de anaerobe energieproductie. Lactaat wordt namelijk op de volgende manieren gevormd tijdens rust en middelmatige inspanning:
Energiemetabolisme van rode bloedcellen. En limitaties die zich voordoen bij de enzymactiviteit in spiercellen met een hoge glycolytische capaciteit.
In rust of middelmatige inspanning zal het lactaat nog niet accumuleren ofwel ophopen.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
15
Q

Bespreek de Cory cycle

A

Lactaat vormt een substraat voor glycogeen synthese. De grote hoeveelheid glycogeen in de lever kan niet verklaard worden door de kleine mate van glucoseabsorptie. Een deel van de ingenomen Koolhydraten worden na vertering door de spieren opgenomen en tijdens de anaerobe glycolyse omgezet in lactaat. Dit gaat naar de lever die het omzet in glycogeen d.m.v. de Cori-cyclus. Het verwijdert het door de spieren afgegeven lactaat en gebruikt het om de uitgeputte glycogeen voorraden te vullen.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
16
Q

Beschrijf de rol van de citroenzuurcyclus in het energiemetabolisme.

A

Het citroenzuurcyclus vindt plaats in de mitochondriën en is het 2e stadium van de koolhydraat verbranding. Er is geen directe tussenkomst van zuurstof, maar O2 is nodig voor regeneratie van NAD+ en FAD om de CZS door te laten gaan.
Pyruvaat wordt omgezet naar acetyl-CoA. Dit gaat de citroenzuurcyclus binnen. De citroenzuurcyclus vindt plaats in de mitochondria.
Pyruvaat + NAD+ + CoA  acetyl-CoA + CO2 + H+. Het acetyl gedeelte van acetyl-CoA vormt samen met oxaloacetaat de stof citraat. Dit gaat door de citroenzuurcyclus. Uiteindelijk blijft er weer oxaloacetaat over, wat weer comineert met acetyl tot citraat.
De hoofdfunctie van de citroenzuurcyclus: vrijmaken en afgeven van elektronen (H+) voor passage door de ademhalingsketen naar NAD+ en FAD. 1 molecuul acetyl-CoA levert 6H+, 2 CO2, en 1 ATP.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
17
Q

Beschrijf de energievrijmaking van koolhydraten, vet en eiwit.

A

zie overige info

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
18
Q

Vergelijk de hoeveelheid ATP die koolhydraten, vet en eiwit tijdens katabolisme leveren.

A

Koolhydraten leveren 32 ATP, vetten leveren 460 ATP en wat eiwitten leveren is mij onduidelijk.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
19
Q

Beschrijf de conversie tussen macronutriënten (metabolic mill)

A

De metabole molen geeft de relaties tussen vet-, koolhydraat- en eiwitmetabolisme. De citroenzuurcyclus is de essentiële link tussen macronutriënten-energie en chemische energie in ATP. Biedt tussenproducten die de mitochondriale membraan kunnen passeren ( cytosol in) voor behoudt en groei:
• Glucose omzetting tot vet (TG)
o Lipgenese: vorming van vet uit koolhydraat en eiwit in de lever
• Vorming van niet-essentiële aminozuren uit koolstofverbindingen
• Oxaloacetaat gevormd uit pyruvaat-katabolisme is noodzakelijk voor vet-katabolisme
Vetzuren kunnen niet bijdragen aan glucose formatie omdat de omzetting van pyruvaat naar Acetyl-CoA onomkeerbaar is.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
20
Q

Schets de bijdrage van de drie energiesystemen tijdens inspanning van verschillende intensiteit en duur

A
  • Bij een inspanning van een hele korte duur met hele hoge inspanning zal je ATP-PCr systeem de meeste energie leveren. PCr + ADP (creatine kinase) Cr + ATP. Je kan met dit systeem 1 minuut stevig doorwandelen, 20-30 seconden op marathon tempo rennen, of sprinten voor 5-8 seconden.
  • Je korte-termijn glycolytische systeem (lactaat vormend) is het voornaamste energiesysteem tijdens instnese inspanning van relatief korte duur. Er zal veel spierglycogeen worden afgebroken om ATP te maken. Het is anaeroob en er wordt lactaat gevormd. Maximale inspanning tussen de minuut en 3 minuten. Hoe lager de intensiteit is, hoe minder lactaat ophoping er zal zijn. Als je meer lactaat aanmaakt dan verbruikt is er ophoping. Deze drempel is bij ongetrainde personen bij 55% van VO2max en is trainbaar.
  • Lange termijn energie: aerobe systeem, kan in theorie oneindig doorgaan zolang er zuurstof is. Zuurstofinname stijgt snel in de eerste minuten om na 3-4 minuten een steady state te bereiken. Energiebehoefte – aerobe ATP productie =0. Bloedlactaatconcentratie is stabiel.
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
21
Q

bespreek de lactaatdrempel en hoe deze varieert tussen personen met verschillende fitheid

A

Bij ongetrainde personen is de lactaatdrempel bij ongeveer 50-55% van de VO2max. De lactaatdrempel is wel trainbaar. Atleten hebben dus een hogere lactaatdrempel. Dit kan komen door een betere genetische aanleg met spiervezel type, hemoglobine concentratie en dat soort dingen. Ook specifieke lokale trainingsadaptaties zorgen voor een hogere drempel en een hoger tempo van lactaatverwijdering.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
22
Q

Definieer de maximale zuurstofopname

A

De maximale zuurstofopname (VO2max in LO2/min) is iemands maximale aerobe capaciteit. Het is te meten door incremental test (stappentest): de stap waar de VO2 een plateau bereikt of slecht een klein beetje toeneemt ondanks een verdere stijging van de intensiteit. De VO2max wordt onder andere bepaald door: pulmonaire ventilatie, hemoglobine concentratie, bloed volume en hartminuutvolume, perifere bloedstroom en aerobe metabolisme.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
23
Q

Beschrijf de zuurstofopname tijdens herstel na zware inspanning.

A

ligt aan de zuurstof schuld die je hebt opgebouwd, hoe meer schuld, hoe langer het duurt om de effecten van de anearobe verbranding te compenseren. kan tot 24 uur duren bij zware inspanning, dit komt door lactaat verwijderen, lichaamstemperatuur, hartslag, ademhaling en hormoonconcentratie.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
24
Q

Bespreek hoe de ligging van spiervezels de functie van een spier beïnvloed.

A

Als de myofibrillen in een spiervezel parallel naast elkaar gelegen zijn en dus dikker zijn betekent dat dat je meer kracht hebt. Wanneer ze een grotere lengte hebben betekent dat dat je sneller bent. De linkerkant heeft langere spiervezels en is dus sneller en de rechterspier heeft kortere, naast elkaar
Parallelvezelig: liggen verticaal parallel en lopen taps toe naar de peeshechting. Ze maken snelle spierverkortingen mogelijk. Complexe parallelle spieren bevatten vezels die parallel aan de kracht liggen, maar deze vezels eindigen in het midden waar ze taps toelopen en hechten aan het bindweefsel en/of aangrenzende spiervezels. Dit maakt parallelle rangschikking van korte vezels mogelijk. Er is nu ook laterale spanning van bindweefsel naar de pees via aangrenzende spiervezels naar bindweefsel.
Pennaat is als de vezels wel naast elkaar, maar in een hoek liggen. Dit kan 1 of 2 zijdig zijn (maar wel in een hoek). De hoek kan tot 30% oplopen. Bipennaat spieren hebben 2 groepen spiervezels onder een verschillende hoek, multipennaat spieren hebben meer dan 2 groepen vezels onder verschillende hoeken. Pennaat vezels verschillen in 3 opzichten van parallel vezels:
1. Ze bevatten kortere vezels dan parallel vezels (lengte spier)
2. Ze bevatten meer individuele vezels (meer sarcomeren per dwarsdoorsnede)
3. Ze hebben een kleiner bewegingsbereik (ze kunnen kort blijven als de hele spier verlengt)

Schuin gelegen vezels kunnen dichter op elkaar liggen, meer vezels in parallel. Daardoor kan een spier meer kracht hebben zetten. kracht hangt niet af van het aantal in serie geschakelde eenheden (sarcomeren) dus lengte van de vezel/spier.
1 oxidatief, traag, meer mitochondrien → slow-twitch
2 glycolitisch, hoge contractie snelheid, snel vermoeid, subgroepe → type 2 spieren.
Verschillende enzymen, zien door stukje spierweefsel te nemen, histolkleuren (oxi = licht)

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
25
Q

Beschrijf de belangrijkste kenmerken van een sarcomeer.

A

Een sarcomeer zorgt ervoor dat de spier samengetrokken kan worden. Myosine en actine schuiven langs elkaar en zo wordt de vezel korter. De depolarisatiegolf gaat langs het sarcomeer.
Een sarcomeer zorgt voor het gestreepte uiterlijk:
Het lichte deel is de I-band. Het bestaat uit de Z-lijn. Deze verdeelt de I-band en hecht het sarcolemma. Dit geeft stabiliteit aan de structuur.
Het donkere deel is de A band. Het bestaat uit de M-lijn. Dit verdeelt de H-zone en is het centrum van het sarcomeer. Het bestaat uit eiwitten die de rangschikking van de myosinefilamenten ondersteunen. H-zone is een duidelijke schijf in de A-band. Het is minder dik door afwezigheid van actine.
Een sarcomeer is het gebied tussen 2 Z-lijnen. Dit is de functionele eenheid. De lengte van een sarcomeer bepaalt de functionele eigenschappen van een spier.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
26
Q

Beschrijf de belangrijkste kenmerken van myofilamenten.

A

Myofilamenten zijn stukjes myofibril opgedeeld in de lengte. Myofilamenten liggen in een sarcomeer. Er zijn 2 soorten: actine en myosine. Aan de myosine filamenten zijn zogenaamde crossbridges verbonden die kunnen binden met de actine filamenten. Bij spiercontractie schuiven de verschillende myofilamenten in elkaar.

ctine: bevat tropomyosine met daarop troponine met een bindingskant voor calcium.
- Myosine: hydrolyseert ATP naar ADP en P. Door de energie die hierbij vrijkomt gaat de myosinekop omhoog en vormt een cross-bridge. Als deze weer naar beneden gaat, wordt uit de ADP en P weer ATP gevormd.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
27
Q

Beschrijf het sliding filament model van spiercontractie.

A

Beweging: de myosinekoppen binden met het troponine complex op het dunne filament en trekken het dunne filament steeds verder. Het dikke filament beweegt dus niet, het dunne wel. De actinefilamenten worden naar het centrum van het sarcomeer getrokken bij samentrekking.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
28
Q

Leg de lengte-kracht relatie van een spier uit.

A

De kracht die 1 sarcomeer kan leveren hangt af van zijn lengte. De kracht is optimaal bij een sarcomeerlengte van 2,0-2,25 micrometer. De maximale lengte van aan sarcomeer is 3,65 micrometer. Crossbridge interactie kan namelijk niet plaatsvinden bij een sarcomeerlengte groter dan 3,65. Spierkracht hangt niet af van de totale lengte van de spier, maar wel van de relatieve lengte op dat moment.

Wanneer een sarcomeer te kort is en de myosine en actine dus al bijna helamaal in elkaar verschoven zijn zal de spier nog amper kunnen samentrekken. Wanneer de sarcomeer te lang is, is er nog maar heel weinig overlapping tussen de twee en kost het meer energie om samen te trekken.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
29
Q

Vergelijk verschillende typen spiervezels en beschrijf hun karakteristieken

A

■ Type I
● Slow twitch: Langzaam en niet heel sterk
● Kleinste vezeltype met een donkerrode kleur
● Veel mitochondriën → Oxidatieve vezels
● Raken niet snel vermoeid.
● Worden veel gebruikt bij lage aerobe activiteit
■ Type II A
● Moderate fast twitch
● Gemiddelde grootte, ook rood
● Gebruiken zowel zuurstof als glucose voor energievoorziening
● Hogere snelheid en kracht, maar minder bestendig tegen vermoeidheid dan type I
● Veel gebruikt gedurende anaerobe activiteit van gemiddelde duur: Zwemmen, fietsen, een paar kilometer rennen.
■ Type II X
● Fast twitch
● Grootste vezels, witte kleur
● Veel glycogeen opgeslagen voor energievoorziening → Glycolytische vezels
● Snelste en sterkste samentrekking
● Snel moe, binnen 15 tot 30 minuten moe. Handig voor sprinten en gewichtheffen. Maken gebruik van anaerobe verbranding (glycolyse)
■ Henneman’s Size Principle: De typen worden sequentieel gerekruteerd. I dan IIA dan IIX. Zo worden spieren niet meer vermoeid dan nodig.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
30
Q

Bespreek het effect van spiervezel typering op de sportprestatie.

A

Het verschil in spiervezeltypering op sportprestatie is dat type I gunstiger is bij duursporten, omdat ze vooral op het aerobe systeem leveren en type II vezels zijn meer voor de kracht of sprint sporten, want deze maken vooral gebruik van het anaerobe systeem.
Type I is goed voor een inspanning van uren, Type IIA voor een inspanning van minder dan 30 minuten, Type IIX voor een inspanning van minder dan 5 minuten.
Als je een marathon wil rennen wil je dus zoveel mogelijk type I spiervezels.
Als je tussen de 1 en 5 kilometer ongeveer wil rennen heb je het meest aan type IIA spiervezels.
Als je een sprint wil rennen heb je het meeste aan type IIX spiervezels.

Over het algemeen hebben mensen 45-55% type I vezels. Er zijn geen geslachtsverschillen, maar wel grote individuele verschillen. Het aantal spiervezels kan je niet beïnvloeden, de dikte wel.
Duuratleten hebben vezels van een relatief normale grootte, met een neiging naar vergroting van de langzame vezels (type I). Kracht en vermogen atleten hebben vergroting van beide vezels, maar vooral de snelle Type II vezels. De vergroting door dit soort training komt door de vergroting van actine en myosine en door een grotere glycogeenopslag. Het duurvermogen wordt bepaald door: spiervezeltype, mitochondriale dichtheid, oxidatieve enzymen, lactaat clearing en doorbloeding.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
31
Q

Energie =

A

de capaciteit om arbeid te verrichten

32
Q

1 calorie (warmte-eenheid)=

A

4,184 J (arbeid)

33
Q

Atwater factoren=

A
  • Koolhydraten 4 kCal per gram
  • Vetten 9 kCal per gram
  • Eiwitten 4 kCal per gram
  • Alcohol 7 kCal per gram
34
Q

ENZYMEN=

A
  • Eiwit-katalysatoren

* Versnellen chemische reacties zonder dat zij zelf verbruikt worden of veranderen in de reactie

35
Q

co-enzymen=

A
  • Geen eiwitten
  • Faciliteren de binding van het substraat aan het enzym • Beïnvloeden verschillende reacties
  • IJzer
  • Zink
  • B-vitamines
  • NAD+ (vormt NADH)
  • FAD (vormt FADH2)
36
Q

verschillende chemische reacties =

A
  • Hydrolyse reacties
  • Afbreken van complexe moleculen in kleinere subunits
  • Door het toevoegen van H+ en OH- • Condensatie reacties
  • Het vormen van complexe moleculen uit kleinere subunits • Water komt vrij bij deze reacties
  • Oxidatie en reductie reacties
  • Oxidatie reacties dragen zuurstof, waterstof of elektronen over • Verlies aan elektronen
  • Reductie reacties – een proces waarbij atomen elektronen ‘winnen’
  • Redox reactie
37
Q

ATP VOORZIENING houdt in:

A
  • Cellen bevatten slechts een kleine hoeveelheid ATP • ATP moet continu opnieuw gesynthetiseerd worden
  • Alleen onder extreme condities daalt de hoeveelheid ATP in de skeletspieren
  • Snelle verandering van de relatieve concentratie
  • Ons lichaam slaat slechts 80 tot 100 g ATP op onder normale rust condities
38
Q

de cel bevat:

A
  • Nucleus
  • RuwER
  • Glad ER
  • Golgi-apparaat
  • Mitochondriën
  • Cytosol
39
Q

fosforcreatie hydrolyse =

A

• Phosphocreatine (PCr)
• Een deel van de energie voor ATP resynthese komt van het splitsen
van fosfaat van PCr
• Anaëroob proces
• Cellen bevatten ongeveer 4-5 x zoveel PCr dan ATP
• Bereikt een maximale energieopbrengst in ongeveer 10 s

40
Q

cellulaire oxidatie =

A
  • Oxidatie en reductie reacties belangrijk voor energiemetabolisme
  • Oxidatie reacties – doneren waterstof, zuurstof of elektronen • Verbranding glucose en glycogeen - waterstof
  • Reductie reacties – ontvangen elektronen • NAD+enFAD
  • Mitochondria - elektronen overgedragen aan zuurstofatomen
  • Aëroob
  • ATP synthese vindt plaats tijdens oxidatie-reductie reacties
41
Q

glycolyse =

A

• Cytosol
• 0-90 s inspanning
• Glycolyse – glucose katabolisme
• Glycogenolyse – glycogeen
katabolisme tot glucose-6-fosfaat
• Glycogeen fosforylase – maximale snelheid glycogenolyse
• Fosfofructokinase (PFK) – snelheid van de glycolyse
• Productie à 4 ATP’s
• Kosten à 1 of 2 ATP’s
• Snelle glycolyse (anaëroob) – eindproduct lactaat
• Langzame glycolyse (aëroob) – eindproduct pyruvaat
• Glycolyse wordt gereguleerd door:
• Concentratie van glycolytische enzymen (hexokinase, fosfofructokinase en pyruvaat kinase)
• Aanwezigheid van het substraat fructose 1,6-difosfaat
• Aanwezigheid van zuurstof

42
Q

wat heeft waterstof te doen in energiesystemen?

A
  • Glycolyseà2 paar waterstofatomen vrijgegeven
  • Elektronen à 2 NAD+ à 2 NADH
  • Extramitochondriaal NADH (2)à4 elektronen indirect naar mitochondria à elektronentransportketen à 4 ATPs
43
Q

wanneer komt er lactaat bij welke soort training?

A
  • Lichte tot matige inspanningàvoldoende zuurstofà steady-state in H+ (en elektronen)
  • Vrijkomen H = oxidatie H
  • Zware inspanningàonvoldoende zuurstof of de snelheid waarmee zuurstof kan worden verbruikt ligt te laagànon steady-state
  • H productie > H oxidatie
  • Voor glycolyse NAD+ nodig
  • NAD+ vrijmaken door lactaat formatie
44
Q

wat doet lactaat in het bloed?

A
  • Diffundeert naar de interstitiële ruimte en bloedbaan
  • Buffering
  • Bicarbonaat (HCO3-)
  • Oxidatie in andere spiervezels • Lactaat ‘shuttling’
  • Substraat voor glycogeen synthese • Cori cyclus
  • Lactaat (H+) ophopingàpHêà vermoeidheid
45
Q

wat is de citroenzuurcyclus?

A
  • Pyruvaat à Acetyl-CoA
  • Acetyl-CoA gaat de citroenzuurcyclus in
  • Acetyl-CoAàCO2 en H
  • Vindt plaats in mitochondriën
  • 2e stadium koolhydraatverbranding
  • Geen directe tussenkomst van zuurstof
  • 3 componenten aëroob metabolisme • Citroenzuurcyclus
  • Elektronentransportketen
  • Oxidatieve fosforylering
46
Q

wat is de elektronentransportketen?

A
  • Draagt elektronen van NADH en FADH2 over aan zuurstofatomen
  • Zuurstof in de mitochondria is noodzakelijk in dit proces • Zuurstof – de laatste elektronenacceptor
  • Water wordt gevorm
47
Q

wat is de verbranding van macronutrienten?

A

• 3 verschillende stadiaàvrijkomen van energie in de cel
• 1: Vertering, absorptie en assimilatie van relatief grote voedsel
macromoleculen in kleinere sub-eenheden
• 2: Afbreken van glucose, aminozuur, vetzuur en glycerol-eenheden tot acetyl-coenzym A (acetyl-CoA)
• 3: Acetyl-CoA wordt afgebroken tot CO2 en H2O met aanzienlijk veel ATP productie

48
Q

welke brandstofbronnen zijn er ?

A
  1. Triacylglycerolenenglycogeenmoleculenopgeslagenin spiercellen
  2. Bloedglucose
  3. Vrijevetzuren
  4. Intramusculaireenuitdeleverafkomstige koolstofverbindingen van aminozuren
  5. Anaërobereactiesuitbeginfasevanglucose-afbraak
  6. FosforylatievanADPdoorPCr
    • creatine kinase reactie
    • adenylate kinase reactie
49
Q

hoe wordt energie vrijgemaakt uit koolhydraten?

A

• Enige substraat waaruit anaëroob ATP gegenereerd kan worden
• Tijdens lichte en matige inspanning komt 1/3 van de totale energie uit koolhydraten
• Vetmetabolisme vergt koolhydraatmetabolisme
• Het aëroob afbreken van koolhydraten voor energie gebeurt
sneller dan de aërobe afbraak van vetzuren
• Het centraal zenuwstelsel heeft continu koolhydraten nodig om goed te functioneren
• Rode bloedcellen kunnen niet zonder glucose

50
Q

hoe werkt de regulatie van energiemetabolisme?

A
  • Zowel glycolyse als citroenzuurcyclus bevat tenminste 1 ‘rate-limiting’ (snelheidsbeperkend) enzym
  • ADP heeft grootste effect op deze enzymen • Feedback-mechanisme
  • Andere regelaars: cellulaire fosfaat niveaus, cyclisch AMP, AMPK, calcium, NAD+, citraat en pH
  • Samengevat:
  • ATP en NADH werken als enzym inhibitoren (remmers)
  • ADP en NAD+ functioneren als activators
51
Q

hoe wordt energie vrijgemaakt uit vetten?

A

• Opgeslagen vet is de meest overvloedige bron van potentiële energie
• Voldoende voor 25-40 marathons
• Vet wordt de primaire brandstof wanneer glycogeen voorraden opraken
• Langdurige inspanning op een hoge intensiteit
• Complete verbranding van een triacylglycerolmolecuul levert 460 ATP-moleculen op
• I.t.t. 32 ATP-moleculen bij de verbranding van 1 glucosemolecuul
3 brandstofbronnen voor vet-katabolisme
• Triacylglycerolen opgeslagen in de spieren (IMTG)
• Circulerende triacylglycerolen in lipoproteïne-complexen
• Circulerende vrije vetzuren gemobiliseerd uit triacylglycerol opgeslagen in
vetweefsel (adipocyten)
• Adipocyten bevatten ~60.000-100.000 kCal in een
jonge volwassen man

52
Q

wat zijn de verschillende stappen bij energie vrijmaken uit vetten?

A
  • De verschillende stappen:
  • Lipolyse
  • Triacylglycerolàglycerol + 3 vetzuren
  • Enzym – lipase
  • Transport vrije vetzuren (FFAs) in bloedbaan
  • Opname van vrije vetzuren in de spieren
  • Vorming triacylglycerol
  • Transport vetzuren het mitochondrium in
  • Enzymcomplex: carnitine acyltransferase
  • β-oxidatie
  • Vetzuren à acetyl-CoA
  • Productie NADH en FADH2
  • Citroenzuurcyclus en elektronentransportketen
53
Q

wat zijn de hormonale effecten op vet-katabolisme?

A

• Adrenaline, nor-adrenaline, glucagon en groeihormoon vergroten de lipase activiteit
• àLipolyseé
• à FFA mobilisatie uit adipocyten é
• Inspanning zorgt voor een toename van deze hormonen
• Training verbetert de vetverbranding
• Overgewicht verslechtert
de verbranding van vetzuren tijdens inspanning

54
Q

hoe wordt energie vrijgemaakt uit eiwitten?

A

• Stap 1 – deaminatie van het aminozuur • Lever, voornaamste plaats voor deaminatie
• Spieren
• Metabolisme koolstofskelet
• Glucogene aminozuren: leveren tussenproducten op voor glucose
synthese via gluconeogenese
• Ketogene aminozuren: leveren de tussenproducten acetyl-CoA of acetoacetaat op

55
Q

wat is de metabole molen?

A

• De citroenzuurcyclus als de essentiële link tussen macronutriënt-energie en chemische energie in ATP
• Biedt tussenproducten die de mitochondriale membraan
kunnen passeren (à cytosol) voor behoudt en groei
• Glucose omzetting tot vet (triacylglycerol)
• Lipogenese – vorming van vet uit koolhydraten en eiwitten
• Lever
• Vorming niet-essentiële aminozuren uit koolstofverbindingen
• Oxaloacetaat gevormd uit pyruvaat-katabolisme is noodzakelijk voor vet-katabolisme

56
Q

langzame en snelle spiervezels:

A
Langzame vezels (slow-twitch) – type I
• Oxidatief
• Lage contractiesnelheid
• Niet snel vermoeibaar
• Snelle vezels (fast-twitch) – type II
• Glycolytisch
• Hoge contractiesnelheid
• Snel vermoeibaar
• Type IIa
• Type IIx
57
Q

ATP-PCR SYSTEEM

A
  • PCr + ADP creatine kinase Cr + ATP
  • Skeletspieren bevatten 4-5 x meer PCr dan ATP
  • Stevig doorwandelen – 1 min
  • Hardlopen op marathontempo – 20-30 s
  • Sprinten – 5-8 s
  • ‘Rate’ 4-8 x hoger dan van het aërobe metabolisme
58
Q

wat is het glycolytische systeem (snelle glycose)

A
  • Voornaamste energiesysteem tijdens intense inspanning van relatief korte duur
  • Glycogeen afbraak
  • Anaëroobàlactaat + H+
  • Veel lactaat- en H+-ophoping tijdens maximale inspanning van 60-180 s
59
Q

wat houdt de lactaatdrempel in?

A

• Ongetrainde personen • Lactaatdrempel: ~50-55%
VO2max
• Atleten: hogere
lactaatdrempel
• Genetische aanleg (spiervezel type, hemoglobine concentratie etc.)
• Specifieke lokale trainingsadaptaties
• Hoger tempo van lactaatverwijdering

60
Q

wat is de capaciteit om lactaat te produceren?

A
  • Sprint/vermogens training
  • 20-30% hogere bloedlactaatconcentraties
  • Verbeterde motivatie
  • Toegenomen intramusculaire glycogeenvoorraden
  • Toename in glycolytische enzymen
  • Fosfofructokinase (PFK) ~20%
61
Q

wat is het aerobe systeem?

A
• Belangrijkste energiesysteem voor inspanning > paar minuten
• Steady state = energiebehoefte – aërobe ATP productie = 0
• Bloedlactaatconcentratie is stabiel
• Sneller bereiken van steady state
 door getrainde personen
• Inspanning kan lang worden
volgehouden
• Duurcapaciteit
• Zuurstofaanvoer naar de spieren
• Gebruik van zuurstof in de spieren
62
Q

wat is oxygen deficit of wel zuurstoftekort?

A
  • 3-4 min voor steady state is bereikt
  • ATP-PCr systeem
  • Snelle glycolyse
  • Geleidelijke overgang tussen de verschillende systemen
  • Oxygen deficit = het verschil tussen de totale zuurstofopname tijdens inspanning en het totaal dat zou zijn geconsumeerd als er onmiddellijk een steady state situatie zou zijn bereikt
  • Maat voor anaërobe energie productie
63
Q

wat houdt de vo2max in?

A
  • Maximale zuurstofopname = aërobe capaciteit
  • Incremental test = stappentest
  • De stap waar de VO2 een plateau bereikt of slechts een klein beetje toeneemt ondanks een verdere stijging van de inspanningsintensiteit
64
Q

wat is de relatieve bijdrage van energiesystemen?

A

De relatieve bijdrage van een energiesysteem vordert langs een continuüm
• IntramusculaireATP
• ATP-PCr en glycolytisch systeem
• Aërobe systeem

65
Q

hoe werkt de zuurstofopname tijdens herstel?

A

A – lichte steady state inspanning
• B – matige tot intense steady state
inspanning
• C – maximale inspanning waarbij geen steady state wordt behaald
• Hoe groter het ‘oxygen deficit’ hoe langer het herstel
• Getrainde sporters – sneller herstel

66
Q

wat is oxygen debt ofwel zuurstofschuld?

A

De VO2 boven de rust-VO2 tijdens herstel = oxygen debt = excess postexercise oxygen consumption (EPOC)
• Assumptie dat de rust-VO2 niet verandert tijdens inspanning en herstel
• Snelle component: 50% herstel binnen 30 s en volledig herstel duurt enkele minuten
• Langzame component: afhankelijk van de duur en intensiteit kan volledig herstel tot 24 uur duren

67
Q

wat houdt bindweefsel in?

A
• Bindweefsel
• Slecht doorbloed
• Mechanische functie
Ø doorgeven van krachten
pees, tendo
68
Q

wat houdt spierweefsel in?

A
Bind-, zenuwweefsel, epitheel
• (Meestal) goed doorbloed
• Mechanische functie
Ø veroorzaken van krachten
myo, buik
69
Q

welke soorten spiervezelrichtingen?

A

uni, bi en multipennatie

je hebt ook nog fusiform

70
Q

van klein naar groot gebouw van een spiervezel:

A

sarcolemma, sarcoplasma, myofibril, myofilamenten

71
Q

waarvoor is het sarcoplasmatisch reticulum een opslag?

A

ca2+

72
Q

waarvoor is de t-tubili?

A

voorgeleiding actiepotentiaal

73
Q

hoe ziet een kracht spier er uit?

A

qdwarsdoorsnede spier • aantal spiervezels
• dikte spiervezels
q spiervezeltype?

74
Q

invloed van aantal sarcomen:

A

Spierkracht hangt af van het aantal parallel geschakelde eenheden (sarcomeren/vezels), dus dikte van vezels/spier. Spierkracht hangt NIET af van het aantal in serie geschakelde eenheden (sarcomeren) dus lengte van vezels/spier!
Verkortingsnelheid hangt af van het aantal in serie geschakelde eenheden, dus de lengte van de vezels/spier. Verkortingsnelheid hangt NIET af van het aantal parallel geschakelde eenheden (sarcomeren) dus de dikte van vezels/spier!

75
Q

verkortingssnelheid hangt af van:

A

q spiervezeltype • Type II >Type I

qinvloed van spierlengte?

76
Q

invloed bouw van spier op duurvermogen:

A
  • spiervezeltype • Type I >Type II
  • mitochondriële dichtheid
  • oxidatieve enzymen
  • lactaat ‘clearing’
  • doorbloeding