Thema 6 Flashcards

de mens

1
Q

centraal zenuwstelsel

A

hersenen en ruggenmerg

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
2
Q

perifere zenuwstelsel

A

zenuwen en ganglia

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
3
Q

ganglia

A

clusters zenuwcellichamen buiten het czs, ontstaan uit neurale lijstcellen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
4
Q

wat ontstaat uit het neuroepitheel?

A

neuronen en gliacellen (steuncellen)

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
5
Q

platyrhini

A

breedneusapen (nieuwe wereld), laterale neusgaten en lange wollige grijpstaart

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
6
Q

catarrhini

A

smalneusapen (oude wereld), neusgaten onderaan, visueel, arboreaal en terrestrisch

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
7
Q

cercopithecoidae

A

hondapen (bavianen, mandril, makaken)

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
8
Q

hominoidae

A

mensapen, gibbon, orang oetan, gorilla

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
9
Q

soma

A

cellichamen (grijze stof)

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
10
Q

sulcus limitans

A

deelt de neurale buis op in dorsaal en ventraal

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
11
Q

ependym

A

wordt lining van ventrikels en centrale kanaal ruggenmerg

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
12
Q

drie primaire hersenblaasjes

A

procephalon, mesencephalon, rhombencephalon

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
13
Q

astrocyten

A

cellen van schwann

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
14
Q

oligodendrocyten

A

myeliniseren van zenuwuitlopers

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
15
Q

5 secundaire hersenblaasjes

A

telencephalon, diencephalon, mesencephalon, metencephalon, myelencephalon

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
16
Q

wat wordt het telencephalon?

A

cerebrum

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
17
Q

wat wordt het diencephalon?

A

diencephalon

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
18
Q

wat wordt het mesencephalon?

A

mesencephalon

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
19
Q

wat wordt het metencephalon?

A

cerebellum/pons

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
20
Q

wat wordt het myelencephalon?

A

medulla oblongata

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
21
Q

flexura cranialis

A

ventraal, mesencephalon

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
22
Q

flexura cervicalis

A

ventraal, ruggenmerg en myelencephalon

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
23
Q

flexura pontis

A

dorsaal, myelencephalon naar metencephalon

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
24
Q

centralisatie

A

het vormen van een centrale coördinerende structuur

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
25
Q

cephalisatie

A

vorming van hersenganglia rechtstreeks gevolgd van billaterale symmetrie (links-rechts)

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
26
Q

apicale constrictie

A

cellen van het neuro-ectoderm maken zich aan de bovenkant smaller

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
27
Q

somietvorming

A

mesoderm naast chorda dorsalis gaat zich verdikken en duwen de neurale plaat omhoog. Van mediaal naar lateraal heb je paraxiaal mesoderm, intermediair mesoderm en laterale plaat mesoderm

28
Q

welke drie soorten gliacellen (neuroepitheel)?

A

ependymcellen, astrocyten en oligodendrocyten

29
Q

waaruit bestaat de hersenstam?

A

mesencephalon (tectum en tegmentum), pons en medulla oblongata

30
Q

chiasma opticum

A

kruising oogzenuwen

31
Q

cirkel van Willis

A

als er een vaatje bij de hersenen verstopt zit kan een ander vat het overnemen

32
Q

sulci

A

groeve

33
Q

gyri

A

bolling

34
Q

nervus olfactorius

A

reukzenuw

35
Q

nervus opticus

A

oogzenuw

36
Q

spinale zenuw

A

waar dorsale en ventrale radix samenkomen

37
Q

volgorde wervels

A

cervicaal, thoracaal, lumbaak, sacraal

38
Q

kyfose

A

bocht naar voren

39
Q

lordose

A

bocht naar achteren

40
Q

knieschijf

A

patella

41
Q

scheenbeen

A

tibia

42
Q

kuitbeen

A

fibula

43
Q

schouderblad

A

scapula

44
Q

botbalkjes

A

trabeculae

45
Q

SI gewricht

A

sacrum-ilium, bindweefselverbinding

46
Q

mediale en laterale meniscus

A

mediaal is c en lateraal is O en beweeglijker

47
Q

aanhechting collaterale banden

A

lat: femur-fibula, med: femur-tibia

48
Q

schuine spier over onderarm

A

m. pronator teres

49
Q

spier elleboog-duim

A

m. flexor carpi radialis

50
Q

spier elleboog-pink

A

m. flexor carpi ulnaris

51
Q

vuist maken

A

m. flexor digitorum superficialis

52
Q

bovenbeen optillen (femur-heup)

A

M. iliopsoas

53
Q

been strekken (femur, tibia)

A

M. quadriceps

54
Q

been flexen (knie-heup achter)

A

M. Biceps femoris

55
Q

voet optrekken (knie-voet anterior)

A

M. tibalis anterior

56
Q

op je tenen staan en voet strekken (boven knie-enkel posterior)

A

M. gastrocnemius

57
Q

op je tenen staan/ voet strekken(knie enkel posterior)

A

M. soleus

58
Q

arm innervatie

A

plexus brachialis

59
Q

been innervatie

A

plexus lumbosacralis

60
Q

onderarm zenuwen

A

n. medianus, n. ulnaris, n. radialis

61
Q

plexus lumbosacralis

A

n. femoralis, n. ischiadicus, n. tibialis, n. fibularis

62
Q

acetabulum

A

kommetje heupgewricht waar femur inzit

63
Q

de wfvoerbuizen van welke twee organen komen samen bij de pancreas?

A

pancreas en galblaas

64
Q

ligamentum falciforme

A

sikkelvormig, lever aan buikwand anterior

65
Q

ligamentum teres hepatis

A

rond ligament dat is overgebleven van de navelstrengader (loopt naar de navel)

66
Q
A