Week 4 Flashcards

(26 cards)

1
Q

waar is G-CSF belangrijk voor?

A

groei neutrofiele granulocyten, witte bloedcellen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
2
Q

waar is EPO belangrijk voor?

A

ontwikkeling rode bloedcellen, erytrocyten

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
3
Q

waar is TPO belangrijk voor?

A

ontwikkeling megakaryocyten die bloedplaatjes vormen, trombocyten

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
4
Q

waar binden transcriptiefactoren bij signaaltransductie?

A

promotorregio van DNA –> gen geactiveerd, mRNA aangemaakt –> eiwit

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
5
Q

wat voor membraanreceptoren zijn er?

A

ion-kanaal
g-eiwit gekoppelde receptoren
enzym gebonden receptoren:
- tyrosine kinase receptoren
- non RTK (JAK)

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
6
Q

waar zorgen de receptoren (kinases) voor?

A

fosforylering van een tyrosine op een eiwit > bevorderd door groeifactoren oiv dimeervorming van 2 receptorketens

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
7
Q

hoe helpt ATP bij fosforylering?

A

daardoor worden 3 aminozuren gefosforyleerd mbv kinases

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
8
Q

wat zijn kenmerken van receptoren voor bloedcel groeifactoren?

A
  • geen intrinsieke tyros. kinase activiteit, maar activeren JAK
  • activatie JAK in trans na receptor dimeer vorming en conformatie verandering
  • JAKs fosforyleren tyrosines in receptorketens en signaaleiwitten > cellulaire responsen
  • afwijkingen zijn betrokken bij bloedziekten
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
9
Q

hoe gaat de signaaltransductie door G-CSF?

A

bij receptor bindt groeifactor> actief, wordt homodimeer, JAK kinases activeren elkaar (cross) signaalmoleculen binden aan gefosforylereerde tyrosine met SH2-domein > signaal wordt doorgegeven

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
10
Q

hoe is er sprake van specificiteit bij de G-CSF transductie?

A

SH2-domein moet aan signaalmoleculen zittne, binden aan tyrosines die gefosforyleerd moet worden door JAK, daaronder zitten nog 3 aminozuren die code zijn of t kan binden of niet, SH2 domein past P-Y die worden herkenth

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
11
Q

hoe werkt de defosforylering bij de G-CSF transductie?

A

door fosfatasen; tyrosine of serine/threonine. gefosforyleerde tyrosine in receptor vormt interactie met SH2-domein; bindingsplaats voor fosfatase komt; SHP-1, kan binden aan domein; ontvouwtt en deactiveert JAK

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
12
Q

hoe eindigt EPO signalering?

A

door SHP-1 > via JAK2 rode bloedcelvorming aan, fosfatase (SHP1) met SH2 domein bindt aan receptor zelf, specifiek domein kan binden aan tyrosine > fosfatase ontvouwt, wordt actief en inactiveert JAK2 > stop signaaltransductie

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
13
Q

wat zijn de meest voorkomende mutaties en hoe werken ze?

A
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
14
Q

Wat is een van de meest voorkomende mutaties en hoe werkt het?

A

RAS in elke soorten tumoren, zowel eiwit als gen. Eiwit is proto oncogen; mutaties die signaa constant aanzetyen > celgroei en kanker

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
15
Q

Hoe werkt het netwerk van signalen van receptoren?

A

Eiwitten hebben domeinen voor interactie. Geactiveerde receptoren binden onderling

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
16
Q

Hoe werkt de activatie van het RAS eiwit?

A

Via enzym gekoppelde groeifactor receptor; tyrosine kinase en cytokine receptor groeifactorreceptoren. JAK vormt bindingdplaats voor eiwitten, voor Grb2; rekruteert enzym (GEF/Sos) > inactief RAS eiwit naar actief

17
Q

Wat is het SH3 domein?

A

Schakelstuk tussen SH2 en RAS, daar komt de enzymactiviteit van RAS > GDP omgezet in GTP

18
Q

Welke mechanismen zijn er boor signaaldoorgifte?

A

Door eiwit fosforylering en met GTP binding proteins

19
Q

Hoe werkt het GTP binding protein mechanisme voor activering?

A

GDP vast, RAS uit > GTP, RAS actief. GTPase sctivating protein, guanine exchange factor zorgt ervoor dat GDP > GTP

20
Q

Hoe werkt het GTP binding protein mechanisme voor inactivering?

A

Via enzymactiviteit, hydrolyse, gekatyseerd door GAP > RAS inactief, initieert omzetting naar GDP (hydrolyse) werkt turbo

21
Q

Wat krijg je als RAS gemuteerd is?

A

RAS is GTPase, bij mutatie kan GAP niet meer binden, wordt niet uitgezet. Zet MAPK-cascade aan, rol in controle van transcriptie en celcyclus

22
Q

Welke hematologische maligniteiten wordt door welke storing veroorzaakt?

A

Acute myeloide leukemie (AML): FLT3 receptor
Chronische: Abl tyrosine kinase (bcr-abl)
Acute lymfoblastaire leukemie (ALL)s IL-7 receptor, JAK2
Chronische neutrofielen leukemie (CNL): G-CSF receptor

23
Q

Welke JAK2 mutaties met myeloprolifeeatieve neoplasieen zijn er?

A

Polycythemia vera (PV): teveel rode bloedcellen
Essentiele trombocytose: teveel bloedplaatjes
Primaire myelofibrose: overvloedige fibrose in beenmerg

24
Q

Welke mutatie hebben de meeste mensen bij polycythemia vera?

A

V617F in het JH2 pseudo kinase domein. Heeft een remmende mutatie van JH2 domein op kinase activiteit van JH1 domein, JAK veel te sterk aan

25
Waar zorgen calreticuline mutaties voor?
Spontane MPL dimeer vorming in ER
26
Waar zorgt calreticuline voor?
Voor transport van eiwitten vanuit t ER naar verschillende organellen en celmembraan. In kwaliteitscontrole van eieitten