Week 7 Hoorcollege 6 t/m 10 Flashcards

1
Q

welke soort neuronen moeten de hersenen actieveren om de ademhalingsspieren actief te maken?

A

alfa-motorneuronen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
2
Q

cheyne stokes

A

snel ademhalen, daarna niks

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
3
Q

op welke vier systemen berust het ademhalingssysteem?

A
  1. ventilatie –> in en uitademen
  2. diffusie –> zuurstof en koolstofdioxide overdracht
  3. perfusie –> uitwisselen van zuurstofrijk bloed aan organen
  4. transport –> van moleculen
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
4
Q

synoniem rekbaarheid

A

compliantie

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
5
Q

wat gebeurt er met de druk tijdens inspiratie

A

De druk in de longen wordt lager dan de atmosferische druk –> maakt aanzuigen lucht mogelijk
758 mmHg

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
6
Q

wat gebeurt er met de druk in de longen tijdens expiratie?

A

de druk in de longen wordt groter, doordat het volume kleiner wordt –> lucht stroomt de longen uit
762 mmHg

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
7
Q

wat is de atmosferische druk

A

760 mm Hg

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
8
Q

wat is restvolume?

A

de hoeveelheid lucht die altijd in de longen achterblijft na maximale expiratie

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
9
Q

wat zijn de voordelen van alveoli?

A
  • oppervlaktevergroting
  • daling van de snelheid van de luchtstroom
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
10
Q

waarop heeft de hoeveelheid gas dat is opgelost in een vloeistof invloed op?

A

op de partiële druk en op de oplosbaarheid van het gas.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
11
Q

Is CO2 of O2 beter oplosbaar in vloeistof?

A

CO2 –> hierdoor kunnen er ook bij een hele lage verschil in partiële druk (zoals bij de alveoli (40 mmHg in de lucht en 44mmHg in het bloed)) heel veel moleculen diffunderen.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
12
Q

functie van hemoglobine

A

ondersteunt de snelheid waarbij O2 en CO2 van en naar het longweefsel wordt afgegeven.
- helpt ook de partiële zuurstofdruk in het bloed maximaal te krijgen –> actief process dat ook afhankelijk is van de zuurtegraad van het bloed

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
13
Q

In wat voor pH omgeving vindt zuurstofoverdracht in de alveoli het beste plaats?

A

in een basische omgeving

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
14
Q

welke doorstroomsnelheid van lucht veroorzaakt vasodilatatie?

A

als de lucht sneller stroomt dan het bloed en de pO2 als gevolg hiervan stijgt.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
15
Q

hoe kan de ademhaling worden gereguleerd?

A

via ademhalingsfrequentie en ademhalingsdiepte

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
16
Q

hoe wordt vasodilatatie of vasoconstrictie van de vaten aangestuurd?

A

door sensoren die zich bevinden in de wand van bronchiën en arteriën –> meten de pO2 en de pCO2

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
17
Q

waar bevinden de centrale regelaars van de ademhaling zich?

A

in de hersenstam:
- medulla –> hier bevinden zich de in- en expiratie kernen –> autonome regelcentra (inspiratie kernen zijn doorgans actief, expiratie kernen niet als je onbewust in en uitademt)
ze meten met name pCO2 en zijn een stuk langzamer dan de perifere chemoreceptoren
- pons –> hier bevinden zich 2 vrijwillige kernen die de hoeveelheid in en uitgeademde lucht kunnen regelen —> is dus je vrijwillige component

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
18
Q

alkalose

A

wanneer het bloed basischer, omdat de linkerkant van de reactie de overhand krijgt (hypervantilatie)

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
19
Q

acidose

A

wanner het bloed zuurder wordt

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
20
Q

waar zijn perifere chemoreceptoren met name gevoelig voor?

A

voor zuurstof –> volgt een snelle reactie op

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
21
Q

waar bevinden perifere chemoreceptoren zich?

A
  • in de aortaboog –> glomus aorticum (afferenten via de n.vagus)
  • in de a. carotis communis (afferenten via de n. glossopharyngeus)
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
22
Q

waarin bevinden glomuscellen zich?

A

in aortalichaampjes

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
23
Q

uit welke 2 celgroepen bestaan de kernen van de expiratei- en inspiratiegroepen die zich in de medulla bevinden?

A

dorsal respiratory group (DRG)
- sensorisch en bevinden zich in de kernen voor de inspiratie
- gebruik je vooral bij normaal rustig ademhalen
- activeert het diafragma

Ventral respiratory group (VRG)
- sensorisch en motorisch
- ondersteunen zowel de inspiratie als de expiratie
- vooral actief bij actief ademhalen –> wanneer je veel zuurstof nodig hebt
- zijn meer betrokken bij intercostaalspieren

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
24
Q

wat is verantwoordelijk voor de activatie en deactivatie van VRG en DRG?

A

de pons

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
25
Q

wat is verantwoordelijk voor ritmogenese?

A

DRG en VRG

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
26
Q

benoem de drie aftakkingen aan de bovenkant van de aorta

A
  1. truncus brachiocephalicus –> buigt af naar rechts; splitst in de a. carotis communis dextra en de a. subclavia dextra
  2. a. carotis communis sinistra
  3. a. subclavia sinistra
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
27
Q

wat is het tegenhangend vat van de v. jugularis interna?

A

a. carotis communis

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
28
Q

welk vat is belangrijk voor de doorbloeding van het hoofd?

A

a. carotis communis

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
29
Q

welk vat kan je goed voelen kloppen in de kaakregio?

A

a. facialis

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
30
Q

welke vat kan je voelen kloppen bij de slaap?

A

a. temporalis superfacialis

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
31
Q

via welke opening komt de a. carotis interna de schedel binnen?

A

foramen magnum

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
32
Q

In welke 2 takken splitst de a. carotis interna na het binnentreden van de schedel?

A
  • a. cerebri media
  • a. cerebri anterior
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
33
Q

welk vat zorgt voor de doorbloeding van het achterste deel van het brein/ de schors en welk vat kan dit gedeeltelijk opvangen als het primaire vat niet meer goed werkt?

A

a. basilaris
- het carotis systeem kan dit gedeeltelijk opvangen door de cirkel van Willis

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
34
Q

benoem de drie grote sinussen

A
  1. sinus sagittalis superior –> bevindt zich boven de falx cerebri
  2. sinus transversus –> een afsplitsing van de sinus sagittalis superior en loopt links en rechts naar lateraal
  3. sinus sigmoideus –> leidt het neneuze bloed naar het foramen jugulare waar het bloed via de v. jugularis interna wordt afgevoerd
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
35
Q

noem de drie hoofdaftakkingen van de aorta descendens

A
  1. truncus coeliacus –> korte, dikke tak. splitst in een aantal arteriën die naar de lever, maag, milt, duodenum en alvleesklier gaan
  2. a. mesenterica superior –> vasculariseert de dunne darm en het bovenste deel van het colon
  3. a. mesenterica inferior –> vasculariseert het tweede deel van de colon
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
36
Q

via welk vat vasculariseert de aorta de nieren?

A

a. renalis

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
37
Q

welke vaten zijn belangrijk voor de veneuze afvoer van de tractus digestivus?

A
  • v. cava inferior
  • v. renalis
  • v. portae
  • v. hepatica
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
38
Q

wie welk veneus vat loopt het bloed van de endeldarm naar de vena cava inferior?

A

v. iliaca

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
39
Q

waarom werken rectaal toegediende pillen beter dan oraal toegediende medicatie?

A

de werkzame stof hoeft de lever niet te passeren.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
40
Q

in welke vaten vertakt de a. iliaca communis?

A
  • a. iliaca interna –> gaat naar de organen en structuren in de kleine bekken (blaas en geslachtsorganen)
  • a. iliaca externa –> passeert de liesband en komt in het been compartiment terecht. –> wordt de a. femoralis zodra hij de liesband heeft gepassert
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
41
Q

Hoe wordt de liesband genoemd?

A

ligamentum inguinale

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
42
Q

welke drie venen zijn belangrijk voor de veneuze afvoer van het been?

A
  • v. saphena magna
  • v. saphena parva
  • v. femoralis
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
43
Q

welke drie mechanismen zijn van belang bij de veneuze vaten van de benen om bloedstroom te houden?

A
  1. veneuze kleppen
  2. spierpomp
  3. zuigkracht van het hart
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
44
Q

waarvan zijn spataderen en trombose het gevolg?

A

niet goed functionerende kleppen in de venen van de benen.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
45
Q

noem de belangrijkst afsplitsingen van de a. poplitea.

A
  1. a. tibialis posterior
  2. a. tibialis anterior
  3. a. fibularis
46
Q

wat is de verzamelnaam voor vaten die de vingers en tenen doorbloeden?

A

Arci

47
Q

welke vaten vormen de arcus venosus dorsalis pedis?

A
  • v. saphena parva
  • v. saphena magna
48
Q

uit welke drie lagen bestaan vaten?

A
  1. tunica adventitia –> endotheliale buitenbekleding van het vat, bestaat uit bindweefsel
  2. tunica media –> bevat glad spierweefsel met een elastische bindweefsellaag die kunnen zorgen voor vasocontrictie en vasodilatatie.
    - het wordt geinerveerd door het autonome zenuwstelsel met zenuwuiteinden die noradrenaline afgeven
  3. tunica intima –> bovenste laag met endotheel, gevolgd door een basaalmembraan, bindweefsel.
    - wordt afgescheiden van de tunica media door een elastisch membraan
49
Q

wat zijn terminale arteriolen?

A

wanneer de arteriolen op hun kleinst zijn en ze het vaatnetwerk ingaan

50
Q

verschillende type vaten

A
  • elastische type –> bevat veel elastine en minder glad spierweefsel (aorta)
  • musculeuze type –> weerstandsvaten, bevat veel glad spierweefsel (arteriolen)
51
Q

hoe kleiner de arterie….

A

hoe dikker de gladde spierlaag wordt

52
Q

venen bevatten relatief veel collageen vezels. Wat is hier het gevolg van?

A
  • de venen zijn minder elastisch, maar kunnen wel goed rekken door drukveranderingen.
53
Q

hoe werkt de windketelfunctie van arteriën en wat is het?

A

de arteriën moeten de drukschommellingen tussen systole en diastole afbouwen om de diffusie op orgaanniveau te kunnen laten plaatsvinden. Dit doen zij met hun elastische eigenschappen. de arteriewanden vangen de drukstoot op, waardoor de bloeddruk uiteindelijk constant wordt.

54
Q

hebben venen of arteriën een hogere compliantie en waarom?

A

venen, want zij hebben bij lage druk een ovale vorm en deze vorm wordt steeds ronder naarmate de druk in de venen hoger wordt. (vandaar dat venen ook wel capaciteitsvaten worden genoemd)

55
Q

wat gebeurt er met de weerstand bij een afsplitsing of samenkomst van vaten en wat kan je hieruit concluderen?

A
  • splitsing –> weerstand neemt toe (arteriën)
  • samenkomst –> weerstand neemt af (venen)

als de totale dwarsdoorsnede toeneemt, neemt de stroomsnelheid af

56
Q

in welk deel van het lichaam zijn de drukverschillen op de erytrocyten het grootst?

A

in de linkerventrikel

57
Q

wat is de polsdruk?

A

het verschil tussen de systolische en de diastolische druk in de arteriën van de grote circulatie

58
Q

in welke soort vaten vindt de grootste drukafname plaats en waardoor komt dat?

A

in de arteriolen en dat komt doordat weerstandsvaten klein zijn –> wrijving gaat omhoog

59
Q

met welke formule wordt het verschil in druk gemeten?

A

P = F (flow) x R (weerstand)

60
Q

concuctantie (1/R)

A

zegt iets over hoe makkelijk een vloeistof kan stromen

61
Q

wat meten baroreceptoren? en via welke zenuw gaat deze informatie naar de hersenen?

A

wat de rekkingsgraad is van belangrijke vaten. des te meer het vat rekt, des te hoger de actiepotentiaal frequentie is. de informatie gaat via de n. glossopharyngeus naar de hersenen

62
Q

wat zijn baroreceptoren?

A

vrije zenuwuiteinden in de sinus caroticus en in de aortaboog

63
Q

wat is de sinus caroticus?

A

een plaatselijke verwijding aan het begin van de a. carotis interna.

64
Q

wat gebeurt er als de bloeddruk stijgt?

A

vaten rekken meer –> chemoreceptoren worden geactiveerd –> actiepotentiaal reizen via nucleus tractus solitarius naar de hersenen –> hartfrequentie gaat omlaag –> vasodilatatie vindt plaats –> remming vasomotorische neuronenin het verlengde merg –> vermindering van orthosympatische tonus van de vaten –> hartminuutvolume wordt verlaagd

65
Q

wat is het doel van vaattonusregulatie?

A

het in stand houden van de juiste bloedtoevoer naar de organen.

66
Q

waardoor worden de bloeddruk en de bloedflow geregeld?

A

hart, nieren en arteriën

67
Q

uit welke drie lagen bestaan grote vaten?

A
  1. intima (binnenlaag) –> endotheelcellen en receptoren voor het vasomotor effect
    - vormt een barrière
    - helpt bij de bloedstolling
    - helpt bij angiogenese
    - zorgt voor een vasomotorisch effect
  2. media –> glad spierweefsel en receptoren voor het vasomotor effect
  3. adventitia –> bestaande uit fibroblasten, vetcellen en bindweefsel
    - grotere arteriën hebben een tunica adventitia die vaak een rol spelen met betrekking tot de vetcellen
68
Q

wat is het vasomotor effect?

A

vasodilatatie en vasoconstrictie

69
Q

in welke lagen van de grote vaten bevinden zich de receptoren voor signaalmoleculen die een vasomotorisch effect kunnen veroorzaken?

A

in de intima en media

70
Q

waaruit bestaat de vaatwand van capillairen?

A

uit endotheelcellen met daaromheen pericyten

71
Q

welke vaten hebben de grootste invloed op bloeddruk en -stroom?

A

arteriolen

72
Q

hoe vindt de centrale regeling van bloeddruk en bloedstroom via arteriën plaats?

A

gaat via het sympatische en parasympatische systeem. regulatie vind zowel via de hersenen plaats als via de nier en de bijnier. de zenuwuiteinden komen uit op de vaatwanden en het sympatische systeem stort noradrenaline. (acetylcholine van het parasympatische systeem is nog niet aangetroffen)

73
Q

hoe vindt de lokale regeling van bloeddruk en bloedstroom via arteriën plaats en geef een voorbeeld?

A

iedere willekeurige orgaan kan zijn eigen regulerend hormoon afgeven. respons op dezelfde signaalstof verschilt per lichaamsdeel.

bv. endotheline –> wordt door endotheelcellen afgegeven.

74
Q

wat is het Raynaud’s fenomeen?

A

er wordt te veel endotheline afegeven waardoor er te veel vasoconstrictie plaatsvindt. (huid kleurt dan wordt)

75
Q

wanneer treedt er een vasomotorisch effect op?

A

als er een signaalstof bindt aan de receptoren in de vaatwand

76
Q

aan welke receptor bindt acethylcholine wat zorgt voor dilatatie en hoe zorgt dat hiervoor?

A

M3-receptor (muscarinereceptor) –> na binding geeft endotheelcel EDRF (endothelium-derived relaxing factors) af –> varlaging CA-concentratie door sluiten van calciumkanalen en ook stimulatie synthese cAMP en cGMP (kunnen direct relaxatie veroorzaken door actine- en myosinefilamenten te ontkoppelen/door het verlagen van het calciumgehalte)

77
Q

welke cellen zorgen voor de motoriek van de arterie?

A

gladde spiercellen

78
Q

hoe zorgt de binding van norepinephrine aan de receptor voor vasoconstrictie

A

na binding ontsnapt calcium uit het sacroplasmatisch reticulum –> depolariseert de celmembraan –> actiepotentiaal vindt plaats —> calciumkanalen openen –> actine en myosinefilamenten gaan over elkaar heen lopen –> vasoconstrictie

79
Q

wat is de pathway die zorgt voor de productie van dilatoire prostaglandines?

A

activatie muscarinereceptor –> afgifte arachidonzuur uit de fosfolipiden in het celmembraan van de endotheelcellen –> cyclo-oxygenase (COX) zet dit om tot dilatoire prostaglandines

80
Q

waar zijn eicosanoïden en bij welke processen zijn ze betrokken?

A

zijn fosfolipides/arachidonzuur derivaten. zijn betrokken bij:
- de vaattonus regulatie
- bronchocontrictie
- bevalling (myometrium contractie)
- inflammatie
- pijnprikkels
- bloedstolling

81
Q

wat houdt het renine-angiotensine systeem?

A

angiotensinogeen (hormoon uit de lever) –> wordt in de nieren omgezet door renine in Angiotensine I –> kan door ACE worden omgezet in angiotensine II (gebeurt met name in de longen maar kan in het hele lichaam plaatsvinden) –> bindt aan de:
- angiotensine II type 1 receptor op de gladde spiercel contractie).
- angiotensine II type 2 receptor op de gladde spiercel (spier relaxatie)

82
Q

welke vorm van endotheline zorgt voor contractie van de spiercellen in de vaatwand en bij wat voor systeem hoorde dit?

A

endotheline-1 –> zorgt ervoor dat je bij trauma niet leeg kan bloeden
het behoord tot endothelium-derived contractile factors syteem (EDCF)

83
Q

noem een aantal voorbeelden van medicijnen die ingrijpen op het EDCF-systeem en bij welke aandoeningen deze kunnen wordn gebruikt

A

endothelium-derived contractile factors syteem (EDCF)

  • ACE-inhibitors
  • Ang-II type 1 receptor antagonisten
  • Renine inhibitors

kunnen worden gebruikt bij
- hypertensie, hartfalen en nefropathie

84
Q

waardoor worden endothelium-derived contractile factors (EDCF’s)?

A
  • acethylcholine
  • shear stress
  • angiotensine II
  • vasopressine
  • trombine
85
Q

waardoor worden endothelium-derived relaxing factors (EDRF’s)?

A
  • acethylcholine
  • bradykinine
  • substance P
  • serotonine
  • shear stress
86
Q

vanaf wanneer begint de aanleg begint de aanleg van het hart-en vaatstelsel?

A

vanaf het einde van de derde week

87
Q

vanaf welke week is het hart zo goed als af?

A

einde van de 8ste week

88
Q

functioneert het hart tijdens de prenatale fase als dubbele of als enkele pomp?

A

als enkele pomp

89
Q

welke structuren zijn van belang bij de aanmaak van bloedcellen bij de embryo?

A

eerst placenta en AMG en dooierzak –> de lever en de milt –> beenmerg

90
Q

waar begint de ontwikkeling van het bloedvatenstelsel en hoe verloopt het proces?

A

dooierzak
- het extra embryonaal mesoderm vormt bloedeilandjes –> bestaan uit groepjes gedifferentieerde mesodemcellen (hemangioblasten) die zowel bloedcellen als bloedvaten vormen

91
Q

benoem de 2 processen van bloedvatvorming en hoe het in zijn werk gaat

A

vasculogenese
- het ontstaan van bloedvaatjes via de vorming van bloedeilandjes

angiogenes
- het ontstaan van nieuwe vaten uit bestaande vaten

92
Q

welke signaalstoffen worden afgegeven bij zuurstoftekort in een weefsel en wat heeft dit tot gevolg?

A

VEGF in combinatie met VEGF-receptoren. dit stimuleert angiogenese

93
Q

door welke signaalmoleculen wordt het onderscheid gemaakt tussen het veneuze netwerk en het arteriële netwerk?

A

door Ephrin B2 en Eph-4

94
Q

wat zijn de belangrijkste vaten in een vroege embryo?

A
  • primitieve navelstreng –> hechtsteel
  • arterieel systeem –> dorsale aorta, kiewboogarteriën en de ventrale aorta
  • veneus systeem –> vena cardinalis anterior, communis en posterior
95
Q

vanaf welke week begint het hart met kloppen?

A

vanaf de vierde week

96
Q

benoem de vaten buiten het embryo en waar deze zich bevinden

A

ze bevinden zich ronde de dooierzak:
- vena vitellina (speelt in menselijke embryo’s al snel niet meer een rol)
- arterie vitellina
- vena umbilicalis
- arterie umbilicalis

97
Q

uit welke vaten bestaan het primitieve bloedvatenstelsel van een foetus?

A
  1. naar de dooierzak:
    - v/a vitellinae –> hieruit ontstaat later de v. portae en de a. mesenterica superior
  2. naar de placenta:
    - v/a. umbilicalis
98
Q

waar ontstaat de ductus venosus en wat is het en hoe wordt het genoemd na de geboorte?

A

het ontstaat in de lever en is een tijdelijke verbinding tussen de vena umbilicalis en de vena cava –> zo hoeft het zuustofrijke bloed niet door het veneuze vaatbed van de lever.
vorm het ligamentum venosum

99
Q

waar is het ligamentum venosum een voortzetting van?

A

van de ligamentum teres

100
Q

vanaf welke week komt de uteroplacentale circulatie op gang?

A

vanaf de 9de week

101
Q

wat is een persisterende truncus arteriosus?

A

een verstoorde opsplitsing van de truncus pulmonalis en de aorta

102
Q

hoe kan transpositie van de grote vaten ontstaan?

A

door verkeerde aansluiting (aansluiting van truncus pulmonalis en aorta is verkeerd om)

103
Q

hoe kan het rechter ventrikel zijn pompfunctie toch trainen tijdens de prenatale fase?

A

via de ductus arteriosus

104
Q

hoe kan het linker ventrikel zijn pompfunctie toch trainen tijdens de prenatale fase?

A

via het foramen ovale

105
Q

welke defecten kunnen er ontstaan bij het niet goed sluiten van het foramen ovale?

A
  • atrium septum defect
  • persisterende ductus arteriosus
106
Q

uit welke structuur ontstaat de hartbuis?

A

viscerale mesoderm anterior van de oropharyngeale membraan

107
Q

hoe wordt de structuur van de hartaanleg genoemd?

A

cardiogeen mesoderm

108
Q

uit welke drie lagen bestaat de primaire hartbuis?

A

-endocard –> binnekant
- endocardgelei
- myocard

109
Q

waar komt de veneuze pool te liggen na alle draaiingen?

A

vanaf de caudale zijde draait hij uiteindelijk naar dorsocraniaal

110
Q

wat gebeurt er tussen week 5 en 8 met het vaatstelsel ontwikkeling?

A

septering van hartcompartimenten