College 6 H11 Flashcards Preview

Ontwikkelingspsychopathalogie > College 6 H11 > Flashcards

Flashcards in College 6 H11 Deck (15)
Loading flashcards...
1
Q

Wat is de DSM definitie van een intelligentiestoornis?

A

twee belangrijke punten
1. voor 18e levensjaar ontstaan
2. gaat over zowel intellectuele als adaptieve functioneringsproblemen

2
Q

wanneer spreken we van problemen met mentale vaardigheden als het gaat om IQ test scores

A

wanneer een kind meer dan 2S afwijkt van gemiddelde. Dit is ongeveer 70

3
Q

Op welke drie domeinen naast IQ test moeten nog meer problemen voordoen voordat een kind gediagnostiseerd wordt met een intellectuele stoornis? Hoe wordt de ernst van de stoornis ingedeeld?

A

problemen op:
* conceptuele skills
* sociale skills
* praktische skills

de ernst wordt ingedeeld op basis van adaptief functioneren per domein.

4
Q

Wat is Fragile x syndroom?

A

geerfd syndroom.
fysiek: lang gezicht, grote oren
gedragsmatig: ADHD kenmerken, sociale vermijding

5
Q

Wat is down syndrome?

A

fout chromosoom 21, sprake van verschillende hersenafwijkingen en kleiner brein. niet geerfd
fysieke kenmerken: plooien in de ooghoeken, platte gezichtskenmerken, brede handen en voeten

gedragsmatig: weinig sociaal innemend gedrag.

6
Q

Wat is williams syndrome?

A

mutatie van chromosome 7. IQ vaak tussen 50-70. duidelijke fysieke kenmerken, groei problemen, extreem vriendelijk, ADHD achtige symtomen, slechte sociale oordelen, vaak er sensitief voor muziek en geluid (positief)

7
Q

Wat is Prader-willi syndrome?

A

chromosome 15 problemen.
fysieke kenmerken:
-almond shaped eyes
-kort statuur
-obisity

gedragskenmerken:
-overmatig eten
-obsessies en compulsies
-koppigheid, woede uitbarstingen, etc

8
Q

Wat is het verschil in opvatting van IQ tussen Binet en Goddard/terman?

A

Binet: IQ is smeedbaar en beinvloedbaar door sociale omgeving
Goddard/terman: IQ is geerfd en stabiel.

9
Q

Hoe valide zijn intelligentie tests?

A

Belangrijk om op te merken is dat de conclusies over intelligentie betrekking hebben op groepen mensen. Het kan dus op individueel niveau wel degelijk veranderen.

10
Q

Welke twee stoornissen zijn het meest comorbiden bij mensen met een verstandelijke beperking?

A

ADHD of ODD/CD

11
Q

Wat verklaard mogelijk de hogere prevalentie bij jongens dan bij meisjes met een verstandelijke beperking?

A

rapportagebias, andere omgevingsfactoren en de kwetsbaarheid van mannen voor biologische invloeden.

12
Q

Is er meer bewijs voor biologische- of omgevingsfactoren voor verstandelijke beperkingen?

A

meer bewijs voor de rol van biologische factoren. Zeker bij ernstigere gevallen spelen biologische factoren de hoofdrol. Bij lichte gevallen lijkt sociaal economische klasse ook geassocieerd. Zo hebben psychosociale factoren zoals opvoeding van de ouders ook een mogelijke rol

13
Q

Welke twee soorten gedragsinterventies kunnen toegepast worden bij kinderen met een Verstandelijke Beperking?

A
  1. discrete trial learning: De behandelaar selecteert de taak die het kind moet leren en biedt duidelijke aanwijzingen en gevolgen voor goed gedrag
  2. naturalistic, incidental learning: de onderwijssituatie is informeel en minder gestructureerd. Kind neemt zelf initiatief tot leren en dit wordt gedaan in alledaagse context
14
Q

Hoe effectief zijn farmacologische en psychotherapeutische behandelingen bij verstandelijke beperkingen?

A

farma: niet
PT: weinig onderzoek.

15
Q

Welk maladaptief gedrag komt vaak voor bij kinderen met een verstandelijke beperking? Hoe kan dit behandeld worden?

A

automutilatie komt vaker voor. Wat kan helpen is positieve gedragssteun. Hierin wordt geobserveerd welk gedrag de automutilatie triggerd en hier wordt vervolgens een behandelingsplan voor geschreven.