25 maart 2024 Flashcards

1
Q

fire

A

het vuur

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
2
Q

1 stalk of chicory

A

1 stronk witloof

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
3
Q

to leak, to let leak

A

laten uitlekken

De geheime documenten zijn uitgelekt.
(The secret documents were leaked.)

De regering heeft laten uitlekken dat er nieuwe belastingen komen. (The government has leaked that there will be new taxes.)

Het is belangrijk om te controleren of er geen gassen lekken.
(It is important to check for gas leaks.)

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
4
Q

even + ?
dezelfde /hetzelfde +?
allebei –>?

A

even + adjectief –> altijd zijn ile kullanilir
Ze zijn even groot

dezelfde /hetzelfde + substantief
Ze hebben hetzelfde gezicht

S+V+ allebei (Cumle allebei ile baslamaz)
Ze zijn allebei blond

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
5
Q

to show, display
exhibition

A

tonen
de tentoonstelling

Kun je me de foto’s tonen? (Can you show me the photos?)
De winkel toont de nieuwste mode. (The store is displaying the latest fashion.)

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
6
Q

to underline

A

onderstrepen

Kun je de belangrijke woorden onderstrepen?
(Can you underline the important words?)

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
7
Q

past

A

het verleden

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
8
Q

Participium

SoFT KeTCHuP –>?

A

SoFT KeTCHuP –> (s,f,t,ch,p) + TE
STAM + TE
bakken–> bak–> bakte
wachten–> wacht–> wachtte

digerleri + DE

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
9
Q

verbas eindigen op “t” of “d” –> participium?

A

antwoorden –> antwoordde
praten –> pratte

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
10
Q

to get, to fetch (gidip getirmek, gidip almak))

A

halen

Ik heb mijn rijbewijs gehaald!
(I got my driver’s license!)

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
11
Q

cute

A

schattig

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
12
Q

Imperfectum Conjugations (Cekimler)
Ik
Jij
.
.

A

Ik bakte
Jij bakte
U bakte
Hij/Zij bakte

Wij bakten
Jullie bakten
Zij bakten

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
13
Q

this morning

A

vanmorgen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
14
Q

the old couple

A

het oude koppel (singularis)

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
15
Q

hand in hand (el ele)

A

hand in hand

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
16
Q

to argue

A

ruziemaken

De kinderen waren aan het ruziemaken. (The children were arguing.)
Mijn ouders maakten altijd ruzie. (My parents always argued.)
We hebben ruziegemaakt over wie er afwast. (We argued about who would do the dishes.)

17
Q

“el” ile biten isimler nasil pluralis olur?

A

altijd “s” alarak pluralis olur

tafels
koppels

18
Q

toddler

A

de kleuter (2.5-5 jaar oud)

19
Q

to get out” or “to exit

A

Uitstappen –> imperfectum–> stapte uit

Ik stap uit de bus. (I get out of the bus.)

To get out of a vehicle:
Kun je me even uitstappen? (Can you let me out here?)
De bus stopt hier, u kunt uitstappen.
(The bus stops here, you can get out.)

To leave a place:
Ik ga nu uitstappen. (I’m going to leave now.)
We zijn al uitgestapt. (We’ve already left.)

20
Q

to get on X out

A

Instappen X Uitstappen

Ik stap in de bus (I’m getting on the bus)
Ik stap uit de bus. (I get out of the bus.)

21
Q

to paint

A

verven

Ze verfde de muren van haar huis

22
Q

reizen
leven —> imperfectum ?
verven

A

reizen –>reisde
leven —> leefde
verven –>verfde

23
Q

roasted chicken

A

de gebraden kip

24
Q

peanut butter

A

de pindakaas

25
Q

to taste

A

proeven

26
Q

recipe (tarif)

A

het recept

27
Q

Imperatief (Zorunluluk, sart kosma)

Zijn –>?
Uitdoen –>?

A

zijn –> wees –> wees braaf (be brave)
Uitdoen –> doe het licht uit

28
Q

Imperatiefleri daha sempoatik yapmak icin kullanilan kelimeler?

A

Kom maar hier!
Kom eens hier!
Kom even hier!
Doe maar niet!

Zeg maar eens! (daha da sempatik)
Zeg maar even!

29
Q

Add the carrots to the sauce
Put the carrots to the pan

A

Voeg de wortelen toe aan de saus
Voeg de wortelen toe in de pot

30
Q

a sachet of vanilla sugar
2 boxes of vanilla ice cream

A

een zakje vanillesuiker
2 dozen vanille-ijs

31
Q

What’s in it?
There is rice in it
There are mushroms in it

A

Wat zit erin?
Er zit rijst in
Er zitten champignons in

32
Q

meatballs in a sweet and sour cherry sauce

A

balletjes met krieken

33
Q

That’s a dish my grandmother prepared

A

Dat is een gerecht dat mijn grootmoeder klaarmaakte