3.9-3.10-3.11 S'étouffer - le bandage/le pansement - se noyer Flashcards

1
Q

stikken

A

s’étouffer

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
2
Q

de verstikking

A

l’étouffement

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
3
Q

bijna stikken

A

suffoquer

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
4
Q

de obstructie van de luchtwegen

A

l’obstruction des voies respiratoires/aériennes

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
5
Q

het vrijmaken van de luchtwegen

A

la libération des voies respiratoires

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
6
Q

een krachtige slag

A

une claque vigoreuse

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
7
Q

slagen op de rug van het slachtoffer geven

A

donner des tapes (f.) / de claques (f.) dans le dos de la victime

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
8
Q

met vlakke, open hand

A

avec le plat de la main ouverte

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
9
Q

de slagen lokken een hoestbeweging uit

A

les claques provoquent un mouvement de toux

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
10
Q

Heimlichmanoeuvre

A

le manOEuvre de Heimlich

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
11
Q

de baby wijdbeens op de onderarm zetten

A

mettre le bébé à califourchon sur l’avant-bras

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
12
Q

het verband

A

le bandage / le pansement

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
13
Q

een propere doek

A

un linge propre

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
14
Q

een drukverband aanleggen

A

mettre un pansement compressif

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
15
Q

het steriel kompres

A

la compresse stérile

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
16
Q

antiseptisch

A

antiseptique

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
17
Q

het kompres uit zijn verpakking halen

A

sortir la compresse de son emballage

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
18
Q

het gaaskompres

A

la compresse de gaze

19
Q

het kleefverband/pleisterverband

A

le pansement adhésif

20
Q

het knevelverband

A

le garrot

21
Q

de nekkraag

A

le collier cervical/la minerve

22
Q

de pleister

A

le sparadrap

23
Q

de spalk

A

l’atelle

24
Q

het gips

A

le plâtre

25
Q

verdrinken

A

se noyer

26
Q

de verdrinking

A

la noyade

27
Q

iemand verdrinken

A

noyer quelqu’un

28
Q

de luide, lawaaierige ademhaling

A

la respiration bruyante

29
Q

baden, zwemmen

A

se baigner

30
Q

het baden, het zwemmen

A

la baignade

31
Q

in het water springen

A

se jeter à l’eau

32
Q

de onderkoeling

A

l’hypothermie (f.)

33
Q

het slachtoffer uit het water halen

A

sortir la victime de l’eau

34
Q

het slachtoffer afdrogen

A

sécher la victime

35
Q

het slachtoffer opwarmen

A

réchauffer la victime

36
Q

de spierkramp

A

la crampe musculaire

37
Q

water inademen

A

inhaler de l’eau

38
Q

het water uit zijn longen opgeven, uitspuwen

A

cracher l’eau de ses poumons (m.)

39
Q

de watertemperatuur

A

la température de l’eau

40
Q

de onervaren zwemmer

A

le nageur inexpérimenté

41
Q

de uitgeputte zwemmer

A

le nageur épuisé

42
Q

de duur van onderdompeling

A

la durée de l’immersion

43
Q

de huid is bleek

A

la peau est pâle

44
Q

de huid is blauwachtig

A

la peau est bleuâtre