De analyse Flashcards

1
Q

Een jaarrekening is een opsomming van een groot aantal financiele gegevens. Om betekenis hieraan te geven moeten deze met elkaar in verband worden gebracht, dit doen we dmv een kengetal: een absoluut getal of verhoudingsgetal dat een bepaalde situatie op een bepaald moment weergeeft.

Noem de vier groepen van kengetallen.

A
  • liquiditeitskengetallen
  • solvabiliteitskengetallen
  • rentabiliteitskengetallen
  • activiteitskengetallen
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
2
Q

Wat is het voordeel van het werken met kengetallen?

A

Het voordeel van het werken met kengetallen is dat we een veelheid van informatie op bondige wijze samenvatten, waardoor bijvoorbeeld een ontwikkeling in de tijd of vergelijking met andere bedrijven in dezelfde branche mogelijk wordt.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
3
Q

Wat geven de liquiditeitskengetallen weer?

A

De groep van liquiditeitskengetallen geeft de mate weer waarin de organisatie in staat is om op korte termijn aan haar direct opeisbare betalingsverplichtingen te voldoen.

Onder korte termijn wordt het komende jaar verstaan.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
4
Q

Stelling: Liquiditeit is van belang voor de oordeelsvorming over betalingsrisico’s.

Licht deze stelling toe.

A

Een organisatie met een slechte liquiditeitspositie wordt als risicovoller ervaren dan een organisatie met een goed liquiditeit.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
5
Q

Welke kengetallen vallen onder de liquiditeitskengetallen?

Noem deze 3.

A
  • Current ratio
  • Quick ratio
  • Nettowerkkapitaal
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
6
Q

Waarvoor wordt de current ratio gebruikt?

En wat zegt deze norm? (te weten 1,3)

A

De current ratio is de verhouding tussen alle vlottende activa (voorraden + vorderingen + liquide middelen) en delen door de kortlopende schulden.

Wanneer er aan de norm van 1,3 wordt voldaan, wil dat zeggen dat de kortlopende schuld volledig kan worden betaald uit de liquide middelen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
7
Q

Waarvoor wordt de quick ratio gebruikt?

En wat zegt deze norm (te weten 1)

A

De quick ratio is de verhouding tussen de vlottende activa (voorraden + vorderingen + liquide middelen) excl. de voorraden delen door de kortlopende schulden.

Wanneer er aan de norm van 1 wordt voldaan, wil dat zeggen dat de kortlopende schuld volledig uit de liquide middelen en de vorderingen kunnen worden betaald.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
8
Q

Wat kun je zeggen over de verhouding tussen de current ratio en de quick ratio?

A

Een nadeel van de current ratio is de veronderstelling dat voorraden op korte termijn kunnen worden omgezet in liquide middelen.
Bovendien is het de vraag of de voorraden het balansbedrag opleveren indien ze eventueel noodgedwongen verkocht worden.

Om de invloed van deze voorraden te vermijden bij de vlottende activa kan daarom gebruik worden gemaakt van de quick ratio.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
9
Q

Waarom maakt men gebruik van de berekening van het nettowerkkapitaal en niet alleen van de current en quick ratio?

A

Het nadeel van de current en quick ratio’s is dat ze makkelijk te manipuleren zijn. Wanneer er expres in het laatste kwartaal geen openstaande rekening worden betaald en daarmee gewacht wordt tot na 1 januari stijgen de liquide middelen enorm. Hierdoor lijkt het alsof het bedrijf een betere liquiditeit heeft dan in werkelijkheid het geval is.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
10
Q

Wat is het nettowerkkapitaal (NWK)?

A

Nettowerkkapitaal = de vlottende activa (incl.voorraden+ liquide middelen) minus kortlopende schuld (oftewel kort vreemd vermogen)

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
11
Q

Wat betekent een positief nettowerkkapitaal?

A

Dit betekent dat aan de kortlopende schulden kan worden voldaan.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
12
Q

Wat is solvabiliteit?

A

Doormiddel van de solvabiliteit wordt gekeken of een organisatie in staat is om op korte en lange termijn aan haar schulden te kunnen voldoen. Een organisatie is solvabel als ze bij opheffing in staat is om de schulden te kunnen betalen.

Het is de verhouding tussen het vreemd vermogen (kort en lang) en het eigen vermogen.

Solvabiliteit wordt ook aangeduid als weerstandsvermogen: is een organisatie bestand tegen slechte tijden en in staat deze te overleven?

Ook de term leenvermogen wordt wel gebruikt, hoe beter de solvabiliteit, des te meer mogelijkheden de organisatie heeft om nieuw vreemd vermogen aan te trekken.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
13
Q

Welke kengetallen vallen onder de solvabiliteitskengetallen?

Noem deze 3.

A
  • solvabiliteit
  • debt ratio
  • rentedekkingsfactor oftewel interestdekking
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
14
Q

Wat wordt er berekend met de debt ratio?

A

De debt ratio wordt berekent dmv het vreemde vermogen te delen door het totale vermogen.
(LET OP: voorzieningen worden ook als vreemd vermogen beschouwd)

Hoe hoger de schuld, des te lastiger het wordt om rente en aflossing te betalen in economisch moeilijke tijden.

Een te hoge debt ratio geeft dus een zwakke solvabiliteit weer.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
15
Q

Wat is een veelgebruikte norm bij de debt-ratio?

A

De 1/3-2/3 regel.

1/3 deel van het vermogen moet eigen vermogen zijn en 2/3 deel mag vreemd vermogen zijn. De debt ratio mag dus niet boven de 67% uitkomen, voor het gemak wordt de grens van 70% gehanteerd.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
16
Q

Wat geeft de rentedekkingsfactor (oftewel interestdekking) aan?

A

Deze ratio geeft aan hoe vaak uit het bedrijfsresultaat de rente kan worden betaald.

Daartoe wordt het bedrijfsresultaat en de rentelasten op elkaar gedeeld.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
17
Q

Wat zegt een hoge rentedekkingsfactor over een bedrijf?

A

Dat zelfs in geval van een drastische teruggang van het bedrijfsresultaat is rentebetaling geen probleem.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
18
Q

De solvabiliteitsnorm voor not-for-profitorganisaties wordt anders berekent dan bij winstorganisaties.
Hoe werkt dit?

A

Omdat voor dit type organisaties een hoog bedrijfsresultaat geen streven is, evenmin als het bezit van veel eigen vermogen (anders lopen ze subsidies mis)

Daarom wordt het eigen vermogen gerelaeerd aan de omzet: hoe groter de organisatie, hoe groter de omzet en dus ook hoe groter het eigen vermogen moet zijn.

Eigen vermogen gedeeld door de omzet = 8%
(zorgsector meestal 18% als norm)

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
19
Q

Wanneer is een organisatie financieel solide?

A

Indien de liquiditeit en de solvabiliteit voldoende zijn.

20
Q

Noem de vier mogelijke posities van liquiditeit en solvabiliteit. Licht de posities toe.

A
  1. Liquiditeit voldoende / Solvabiliteit voldoende (financieel solide)
  2. Liquiditeit onvoldoende / Solvabiliteit voldoende
    (financieel solide aangezien er ondanks onvoldoende liquiditeit er voldoende solvabiliteit (leenvermogen) er wellicht vrij gemakkelijk vreemd vermogen op lange termijn kan worden aangetrokken waarmee het liquiditeitsprobleem opgelost kan worden)
  3. Liquiditeit voldoende / Solvabiliteit onvoldoende
    (het komende jaar kan het bedrijf nog overleven wegens de liquiditeit, maar tegenslag kan niet meer opgevangen worden door de solvabiliteit en er is dus geen leenvermogen meer.
  4. Liquiditeit onvoldoende / Solvabiliteit onvoldoende
    (financieel niet solide, echter wanneer we ook de kasstroom in beschouwing nemen kunnen we de conclusie aanpassen .Een organisatie met positie 4 die een positieve kasstroom weet op te wekken zal haar liquiditeit en solvabiliteit snel zien verbeteren)
21
Q

Wat voor invloed heeft het kasstroom overzicht op de mogelijke positie van liquiditeit en solvabiliteit?

A

Wanneer we ook het kasstroom overzicht in beschouwing nemen bij het bepalen van de positie kan het volgende gebeuren.

Een organisatie met positie 4 die een positieve kasstroom weet op te wekken zal haar liquiditeit en solvabiliteit snel zien verbeteren.
Een organisatie met positie 1 met een jaarlijkse negatieve vrijekasstroom zal op termijn gaan afglijden naar positie 2 en later positie 3.

22
Q

Wat wordt er weergegeven met de rentabiliteitskengetallen?

A

De mate van winstgevendheid.

Hierbij wordt de winst gerelateerd aan de omvang van het vermogen dat nodig was om die winst te bereiken.

23
Q

Er is sprake van onderscheid tussen twee soorten rentabiliteit (de mate van winstgevendheid).

Noem deze twee.

A
  • Rentabiliteit van het totale vermogen (de mate van winstgevendheid van het totale vermogen)
  • Rentabiliteit van het eigen vermogen (de mate van winstgevendheid van het eigen vermogen)
24
Q

Waar bestaat het totale vermogen uit?

A

Dit bestaat uit vreemd vermogen en eigen vermogen.

25
Q

Voorbeeld: wat betekent een RTV van 0,15 of 15%?

A

Dit houdt in dat op elke euro die in de organisatie was geïnvesteerd, een bedrag van 15 eurocent overblijft.

Een deel daarvan dient als rentevergoeding aan de verstrekkers van vreemd vermogen te worden betaald, de rest valt, na aftrek van vennootschapsbelasting, toe aan de verstrekkers van het eigen vermogen.

26
Q

Wat is de norm voor de rentabiliteitsratio’s?

A

hoe hoger, hoe beter

27
Q

Voorbeeld: wat betekent een REV van 0,33 of 33%?

A

Dit houdt in dat elke euro eigen vermogen de aandeelhouder een nettowinst (voor belasting) oplevert van 33 eurocent.

28
Q

Hoe bepaal je de Rentabiliteit van het eigen vermogen (REV)?

A

Door de nettowinst (netto bedrijfsresultaat) te delen door het eigen vermogen.

Toelichting:

Bij 2 jaren reken je het gemiddeld eigen vermogen uit, dus 2 x de nettowinst bij elkaar optellen en dat delen door 2.
Dat neem je als gemiddeld eigen vermogen en gebruik je voor de REV van ieder jaar (dus het eigen vermogen maak je geen gemiddelde van, je rekent uit voor 2014 en apart voor 2013)

29
Q

Niet op het formuleblad!
De rentabiliteit van het totale vermogen kan worden gesplitst in twee deelratio’s.

Welke twee zijn dit en hoe bereken je ze?

A
  • Brutomarge (middels winst-en-verliesrekening)
    Bedrijfsresultaat (EBIT) gedeeld door de Netto-omzet
  • Omloopsnelheid van het vermogen
    Netto-omzet delen door de Totale passiva
30
Q

Voorbeeld:
De brutomarge in het jaar 2014 is 0,05 of 5%.
Verklaar dit gegeven en wat betekent dit?

A

Dit houdt in dat op elke euro omzet er 5 eurocent winst (voor aftrek rentekosten en belastingen) worden gemaakt.

Dit kengetal geeft de mate van concurrentiegevoeligheid aan. Organisaties met een hoge brutomarge opereren op een aantrekkelijke markt. Voor nieuwkomers op deze markt is het werken met scherpe verkoopprijzen een goede strategie.
Organisatie met een lage brutomarge zullen weinig te duchten hebben van nieuwe toetreders, als die hun verkoopprijs als concurrentie-instrument willen gebruiken, blijft er immers weinig meer te verdienen.

31
Q

Wat definieert de omloopsnelheid van het vermogen?

A

De omloopsnelheid van het vermogen relateert de omzet aan het gemiddeld geïnvesteerd totale vermogen, en laat dus zien hoe snel het vermogen in de vorm van omzet weer contant de organisatie binnenkomt.

Hoe vaak je totale vermogen ronddraait, terug komt in kas dmv je omzet)

32
Q

Voorbeeld: Wat betekent een omloopsnelheid van het vermogen van 3?

A

Omlooptijd is 12 mnd / 3 = 4 mnd.
Dit houdt in dat precies driemaal per jaar (eens in de 4 maanden) het totale geïnvesteerde vermogen in de vorm van omzet terugvloeit in de organisatie.

33
Q

Stelling: de omloopsnelheid wordt gezien als een maatstaf voor risico. Leg dit uit.

A

De omloopsnelheid wordt gezien als een maatstaf voor risico; hoe hoger de omloopsnelheid, hoe sneller contant geld de organisatie in komt, des te minder risico.

Bedrijven met veel infrastructuur (industriele bedrijven, de spoorwegen) zullen door hun aard lage omloopsnelheden hebben en dat moeten compenseren met hoge brutomarges.

34
Q

Wat kan een organisatie doen wanneer de brutomarge daalt en men toch een compensatie in de rentabiliteit van de organisatie wil realiseren?

A

Een stijging van de omloopsnelheid zorgt er voor dat het geld sneller contant de organisatie in komt. Dit zorgt voor een hogere rentabiliteit.

35
Q

Wat is het hefboomeffect?

A

Het verbeteren van de opbrengst van het eigen vermogen door met geleend geld een opbrengst te halen die groter is dan de interest die over het geleende geld betaald wordt. {financiering}

Voorbeeld: Ik heb 1000 euro eigen geld en leen 1000 euro tegen 10% interest per jaar .

Voor 2000 euro koop ik aandelen en deze zijn na 1 jaar 2500 euro waard.
Bij verkoop levert het mij dan een winst op van 2.500-2.000 = 500 - 100 interest = 400 netto op.

De opbrengst van het totale vermogen (Rentabiliteit Totaal vermogen/ RTV)= 500/2.000 = 25%
De opbrengst eigen geld: (rentabiliteit Eigen Vermogen/REV)= 400/1000 = 40%.
Rentabiliteit vreemd vermogen/RVV of IVV) is 100/1000 = 10%.

36
Q

Wat is de hefboomfactor?

A

Dit is de som VV/EV

Oftewel vreemd vermogen delen door eigen vermogen

37
Q

Wat gebeurt er bij een te hoge hefboomfactor?

A

Wanneer de lening bij de bank teveel kost aan rente dan dat het totale vermogen qua rente oplevert gaat het mis.

38
Q

Hoe bereken je het totale vreemde vermogen?

A

Dit kan je doen op 2 manieren:

  1. Kort vreemd vermogen + lang vreemd vermogen + voorzieningen.
  2. Totale passiva - totaal eigen vermogen
39
Q

Wat is de formule voor het hefboomeffect?

A

REV = RTV + ( RTV-RVV ) maal VV/EV.

40
Q

Hoe bereken je de RVV (Rentabiliteit Vreemd Vermogen)?

Dit staat niet op het formuleblad

A

Rente van de lening delen door het gemiddeld vreemd vermogen.
Te vinden op de winst en verlies rekening en de balans.

Financiele baten en lasten delen door Totale vreemd vermogen (voorzieningen+vreemd lang+vreemd kort)

RVV = Financiele baten en lasten/Totaal vreemd vermogen

41
Q

Wanneer is er sprake van een positief hefboomeffect?

A

Wanneer RTV > RVV

Rentabiliteit Totale Vermogen IS GROTER DAN Rentabiliteit Vreemd Vermogen

De opbrengst van het totale vermogen aan rente is groter dan de rentekosten van het vreemd vermogen

42
Q

Welke twee activiteitskengetallen zijn van belang vanuit het oogpunt van goed werkkapitaalbeheer?

A
  • Omloopsnelheid van de voorraad

- Omloopsnelheid van de debiteuren

43
Q

Wat geeft de omloopsnelheid van de voorraad weer?

A

Het kengetal ‘omloopsnelheid van de voorraad’ geeft aan hoe snel het in voorraden geinvesteerde vermogen vrijkomt.

Formule:
kostprijs omzet (inkoopwaarde verkopen) / voorraad
44
Q

Voorbeeld: de omloopsnelheid van de voorraad is 30. Wat betekent dit in de praktijk?

A

De voorraad wordt dus 30 maal per jaar verkocht.

Hoe hoger de uitkomst van dit kengetal is, des te gunstiger is de liquiditeit.

De omlooptijd is in dit geval:
1:30x365 dagen = 12 dagen
(gemiddeld wordt er dus per 12 dagen de voorraad volledig gebruikt).

In het algemeen geldt:
- hoe hoger de omloopsnelheid, dus hoe korter de gemiddelde omlooptijd is, des te minder werkkapitaal is er nodig en dus des te efficienter werkt de organisatie.

45
Q

Wat geeft de omloopsnelheid van de debiteuren weer?

A

Dit geeft aan hoe snel het in debiteuren geinvesteerde vermogen vrijkomt.

46
Q

Wat geeft de Du Pont Chart weer?

A

Dit geeft de samenhang tussen een aantal kengetallen weer, gepresenteerd in de vorm van een schema.
Uit dit schema is snel af te lezen wat het effect is van een verandering in een van de gegevens uit de balans en de winst-en-verliesrekening op de rentabiliteit op de organisatie.