Deel 1 Flashcards Preview

Diervoeding > Deel 1 > Flashcards

Flashcards in Deel 1 Deck (17):
1

Voedsel

= materiaal dat, na opname door het dier, verteerd en benut kan worden

2

Nutriënt

= bestanddeel van het voedsel dat uiteindelijk ook efficiiënt benut kan worden

3

Ingrediënt

substantie die wordt gebruikt voor de bereiding van voedsel en die in het eindproduct (eventueel gewijzigd) aanwezig is

4

Droge stof opname

Een dier neemt 2,5% van zijn LG op aan DS

5

Parameters van de Weende analyse

CW = crude water
CA = crude ash
CP = crude protein
EE = ether extract; lipiden
CF = ruwe vezels
NFE = nitrogen free extracts =OM - CP - EE - CF

6

Koolhydraten

KHD omvatten zowel suikers (mono- en oligosacchariden) als niet- suikers (polysacchariden en complexe KHD)

Niet suikers -> polysacchariden (glycanen) -> homoglycanen

homoglycanen -> alpha glucanen (zetmeel)
-> beta glucanen (cellulose)

7

Prebiotica

zijn enzymatisch ONverteerbare voedingsbestanddelen die groei en/of activiteit van een aantal bacteriën in het colon positief beïnvloeden waardoor de gezondheid van de gastheer verbetert
- resistent tegen maagzuur, hydrolyse en gastrointestinale absorptie
- moet gefermenteerd kunnen worden door de intestinale microflora
- enkel de bacteriën die bijdragen aan gezondheid en welzijn mogen gestimuleerd worden

8

Vezels

dierlijke vezels
bestendig zetmeel
pectine
hars
hemicellulose
cellulose
lignocellulose
lignine

9

Belangrijk voor de beoordeling van voedsel

chemische structuur (Weende analyse)
fysische structuur
transitsnelheid
voederstrategie
individuele variatie in vertering

10

effecten van voedingsvezels

verzadigend
vertraging van het rantsoen
langere inwerking van verteringsenzymen
prebiotisch fermentatiepatroon
species specifiek een aantal risico's

11

Vetrijke plantaardige bestanddelen
Dierlijk vet

plantaardig vet: olijven, kokosnoten, zonnebloempitten en lijnzaad
dierlijk vet: karkasvet, melkvet, eigeel

12

Essentiële VZen (uitleg)

- kunnen niet door het lichaam zelf worden aangemaakt
- Deficiëntie symptomen: groeivertraging, huidschilfering, infectiegevoeligheid, fragiliteit capillairen, nierschade

13

Essentiële VZen voorbeelden

- Membraanfluïditeit, vettransport, precursoren van eicosanoïden en arachidonzuur (prostaglandinen, leukotriënen, thromboxanen) -> gladde spiercontracties, luteolyse, immuniteit en bloedstolling
-Omega 6 = afgeleiden van linolzuur =PRO-INFLAMMATOIR
-Omega 3 = afgeleiden van linoleenzuur = anti-inflammatoir; EPA (eicosapenteenzuur) en DHA (docosahexeenzuur)

14

Maillardreactie

Vindt plaats tussen een suikergroep en een eiwit onder hoge temperatuur.
Voordeel: smaak verbetert
Nadeel: AZ slechter verteerbaar, slecht voor de gezondheid (?)

15

Essentiële aminozuren (8)

- valine
- fenylalanine
- threonine
- lysine
- leucine
- tryptofaan
- isoleucine
- methionine

16

Arginine

- bij pluimvee (geen ureumcyclus)
- katten zijn gevoelig voor een tekort aan arginine, synthetiseren zelf erg weinig moeten het uit hun voeding halen.
- kat = obligate carnivoor; anders tekort aan: taurine, arginine, arachidonzuur, vitamine A en B12
- Ook belangrijk voor drachtige zeugen -> placenta-ontwikkeling, angiogenese en eetlust

17

Limiterend aminozuur

= het aminozuur in een voedingsbron waaraan het snelst een deficiëntie ontstaat om aan de beoogde syntheseprocessen te voldoen.
= altijd een essentieel AZ