Examenvragen - stellingen Flashcards Preview

Diervoeding > Examenvragen - stellingen > Flashcards

Flashcards in Examenvragen - stellingen Deck (44):
1

CCM is rijker aan RC dan snijmaiskuil

FOUT
CCM = corn cob mix = spil + graan -> 4-6% RC
snijmaiskuil 18% RC op DS = hoog RC

2

Lactobacillen moeten zo snel mogelijk onderdrukt worden bij het inkuilen van gras

FOUT

Lactobacillen zijn gunstige bacteriën -> reageren goed met suiker en produceren zo melkzuur waardoor de pH daalt = gunstig voor de kuil

3

Bij inkuilen van mais verkrijgt men een product dat jarenlang een constante verteerbaarheid heeft

JUIST
RC gehalt na inkuilen = irreversibel verandert (minder verteerbaar)

4

De haksellengte van de maiskuil beïnvloedt de structuurwaarde

JUIST
Grof gehakseld mais wordt trager verteerd dan fijn gehakseld - meer structuur

5

Hoge ammoniakgehalten in een graskuil duiden op een goede bewaring

FOUT
NH3 in graskuil kan een teken zijn van slechte bacteriën omdat die eiwitten gaan afbreken waarbij NH3 geproduceerd wordt

6

Broei is een fenomeen dat vooral optreedt bij graskuilen die slecht luchtdicht gemaakt zijn

JUIST

7

Primaire fosfortekorten bij herbivoren zien we zelden in onze streken

FOUT
Tendens tot extreem lage fosforbemesting en verstrekking (er wordt fosfaatarm gevoerd vanwege milieubelasting) -> P tekorten vaker gezien

8

HypoCa bij een lacterend rund wordt meestal veroorzaakt door een te laag calciumgehalte in het lactatie rantsoen

JUIST

9

Mineralen in plantaardige gewassen zijn vaak gebonden aan fytinezuur. Omdat varkens fytaten niet goed kan verteren worden vaak fytase aan het voer van varken toegevoegd

JUIST

Fytaten kunnen wel afgebroken worden door MO in de pens vh rund of dikke darm van het paard. Gebeurt dus niet bij het varken, vaak fytaten via tarwe en rogge

10

Symptomen die we verwachten bij Cu deficiëntie: hemolytische anemie, leverfalen en icterus

FOUT

Symptomen kopergebrek: anemie, beengebreken, cardiovasculaire stoornissen, neonatale ataxie, afwijkende vacht, vruchtbaarheidspersonen

11

De kansen op mineralengebrek bij het paard nemen af als ze ook krachtvoer te eten krijgen

JUIST

Ruwvoer is meestal laag in mineralengehalte, krachtvoer is rijker

12

Een LAZ is altijd een essentieel AZ

JUIST

13

De BE van een eiwit bij monogastrica zegt iets over de verteerbaarheid

FOUT
BE= bruto energie = maximaal energetisch potentieel -> zegt niets over de verliezen via urine of faeces, staat los van dierfactoren

14

Toevoegen van vet aan het rantsoen heeft een eiwitsparend effect

JUIST
Als het vet voorhanden is zal dat eerst gebruikt worden als energiebron, is veel efficiënter

15

Bij het inkuilen kunnen we clostridium toevoegen om de stabiliteit van de kuil te versnellen

FOUT

Clostridium zal pH verhogende werken waardoor de kuil juist instabieler wordt

16

Het drogen van gras naar stro zorgt voor een irreversibele verlaging van de verteerbaarheid

JUIST

17

Een voeder met een hoog DS gehalte moet een lagere pH hebben voor goede bewaring

FOUT
Meer DS = minder vocht, dus hogere pH nodig voor goede bewaring (minder melkzuur nodig voor een stabiele kuil)

18

Her verhakselen van mais heeft geen invloed op de structuurwaarde

FOUT

19

EPA en DHA zijn belangrijke EVZ die afstammen van omega 6 VZ

FOUT

20

De omega 6 VZ werken anti-inflammatoir terwijl de omega 3 VS pro-inflammatoir werken

FOUT

21

Karkasvet van varkens is makkelijker op in te spelen dan dit van HK

JUIST
Samenstelling van karkasvet is afh. van de diersoort -> bij monogastrica worden vetzuren vrijwel onveranderd geabsorbeerd terwijl bij herkauwers de vetzuren vrij grote veranderingen ondergaan in de pens

22

Grassen bevatten weinig lipiden, het grote merendeel zijn verzadigde vertzuren

FOUT
Grassen zijn arm aan vet, maar bevatten vooral polyonverzadigde vetzuren

23

Vit A E en C werken anti-oxidatief

JUIST

24

De voornaamste symptomen die je ziet bij vit A deficiëntie zijn nachtblindheid, MPS stoornissen en epitheelproblemen

JUIST

25

Een paard kan voldoende omega 3 en omega 6 vetzuren uit zijn natuurlijke dieet van gras halen om hem /haar van zijn behoefte te voorzien

JUIST

26

Arachidonzuur is een omega 3 vetzuur en werkt pro-inflammatoir

FOUT

27

Een beer heeft net zo veel energie nodig per kg LG als een schaap

FOUT

Hoe kleiner het dier = hoe groter het metabool gewicht
RER neemt toe bij hoger gewicht, maar hoe hoger het gewicht, hoe trager de toename (geen lineair verband)

28

Een varken haalt meer energie uit 1kg tarwemeel dan een schaap

JUIST

Tarwemeel = heel rijk aan onbestendig zetmeel -> wordt bij varkens rechtstreeks omgezet tot glucose itt HK

29

Een schaap haalt meer energie uit een kilo hooi dan een varken

JUIST

30

De bruto-energiewaarde van een voeder is sterk afh van het gehalte aan RC

JUIST
want BE = 23,9 RE + 39,7 VET + 20 RC + 17,30 OK

31

Koe in NEB heeft veel vetten in de melk

JUIST

32

Krachtvoer geven geeft meer vetten in de melk

JUIST

33

Een weide goed bemesten heeft invloed op het fructaan gehalte en dus op laminitis

JUIST
Gebrek aan bemesting zorgt er voor dat er wel fotosynthese kan plaatsvinden maar geen groei -> fructaanopstapeling

34

BE van gerst is hoger bij kippen dan bij varkens

FOUT

Gerst is niet bruikbaar bij pluimvee, gerst = veel RC

35

Bemesting is negatief voor de KAB

FOUT

Hogere bemesting zorgt voor een hogere KAB

36

Snijmaiskuil wordt vroeger geoogst dan maisgraan

JUIST

37

Een rund kan relatief meer DS aan ruwvoer dan aan krachtvoer opnemen

FOUT
Krachtvoer zorgt voor verhoogde DS opname

38

Een vit E tekort komt zelden voor bij kippen omdat de gezonde darmflora voldoende vit E aanmaakt

FOUT
Geen endogene aanmaak van vit E

39

In granen zijn de meeste B-vitaminen terug te vinden in het meellichaam van de korrel

FOUT
De meeste vitaminen in vruchtwand en zaadhuid
Meellichaam = vnl zetmeel

40

Fytase kan de biologische beschikbaarheid van zink verbeteren in een kippenvoeder

FOUT
Fytase verbetert de beschikbaarheid van fosfor, soms toegevoegd aan varkensvoer

41

Vet is zeer interessant voor lacterende zeugen omwille van het hoge thermogene effect

FOUT

42

Eicosapenteenzuur is een omega 3 VZ met pro inflammatoire eigenschappen

FOUT

43

Galzouten verbreken de chemische binding tussen glycerol en de vetzuren en spelen daarom een belangrijke rol in de vertering van het vet

FOUT

44

Arachidonzuur is een derivaat van linoleenzuur en is een omega 3 vetzuur

JUIST